TOT OP DEZE DAG
JEUGDDIENSTEN
Nu wij het toch over preken hadden, komen ons van zelf de jeugddiensten in de gedachten. Iets van het ontstaan er van hebben wij in Rotterdam nog meegemaakt.
Ofschoon wij zelf er tegen waren en heden nog evenzeer, kunnen wij toch waardering hebben voor de bedoeling van hen, die zich moeite gegeven hebben, en hun beste krachten er aan hebben besteed. Wanneer men die duizenden jonge mensen ziet wandelen door de straten der stad, die misschien nog nooit een kerk van binnen zagen, behalve dan om grafmonumenten te bekijken of een orgelconcert te horen; wanneer men er aan denkt, hoe ze als heidenen leven in een christenland; hoe groot hun onkunde is op bijbels terrein, dan kan dat loodzwaar neerdrukken.
Soms zaagt gij ze staan voor de etalages van schilderijen of platen en dan kon het gebeuren, wanneer zij keken naar een afbeelding van Golgotha met de drie kruisen, dat de een aan de ander vroeg: „Weet jij wat dat is: Golgotha? " Dat is toch wel heel erg.
Het deed dus warm aan, dat er mannen waren onder de predikanten en gemeenteleden, die vroegen: „Hoe brengen wij die jonge mensen toch weer in aanraking met het Evangelie? Naar de kerk krijgen wij ze zó niet meer; althans niet naar de gewone eredienst. Dat begrijpen ze toch niet".
Zo zijn dan de jeugddiensten tot stand gekomen. Aan de kerkgaande jeugd werd verzocht, zo mogelijk hun kameraden mee naar de kerk te nemen.
Dat was nu eens iets nieuws. Nu niet meer naar de kerk voor oude mensen, met een afgezaagde preek, maar iets voor de jeugd alleen, met eigen zang en jonge mensen, die zelf mee mochten werken zo zij wilden.
U begrijpt: dat ging er eerst in. Dr. Oberman in Rotterdam had er bijzonder slag van, de jongeren te trekken. De Zuiderkerk (later verwoest bij het bombardement) liep bij elke jeugddienst stampvol. Men trok er heen uit heel de omgeving.
Al spoedig kwam dit ter sprake op de catechisatie. Wanneer ik eens vroeg aan mijn leerlingen of ze op afgelopen zondag ter kerk waren geweest, dan gebeurde het wel, dat sommigen zeiden: „Ja dominee, maar niet bij u. Wij waren naar de jeugddienst".
Nu moet men als stadsdominee iets kunnen hebben. Wanneer wij daar boos onder zouden worden of ons gepikeerd zouden voelen, zo de mensen niet speciaal bij ons kerkten, dan hadden wij misschien beter gedaan, het beroep naar een grote stad niet aan te nemen. Immers de kerkgangers lopen daar heel gemakkelijk van ons naar een ander. In een dorp is een dominee vaak „koning op zijn eigen erf'. De mensen komen vaak toch wel, hoe men ook preekt. Men probeert u daar heel vaak wijs te maken: Dominee, zoals u preekt, heb ik het nog nooit gehoord".
Wanneer men intussen toch maar een „doodgewone" dominee is, dan wordt men in een stad wel heel erg ontnuchterd.
Aan sommige van mijn catechisanten in Feijenoord heb ik wel eens gevraagd, hoe zij het vonden op de jeugddienst. Steeds was dan het antwoord: „Héél mooi, dominee! Zo iets spreekt ons meer aan en het duurde maar een uur!"
Waren er veel jonge mensen die anders nooit in de kerk kwamen? " ging ik dan voort. Antwoord: „Ja, heel veel; wij hebben er zelf ook een paar uit de buurt meegenomen".
Ik heb mij er wel voor gewacht, hier een lichtvaardig oordeel uit te spreken. Alleen vroeg ik mijn leerlingen of ze mij hier, op de catechisatie konden begrijpen, en zo praatten wij dan wel eens verder.
Na enige tijd werd dat naar de jeugddiensten gaan een modekwestie. Er liepen zelfs autobussen, om de gemengde jeugd naar de kerk te brengen en het bleek wel bij sommigen, dat dit voor hen een attractie te meer was.
Eerst waren de lichtzijden van de jeugddiensten sterk naar voren gekomen; langzamerhand kwamen de schaduwzijden voor de dag.
Wat bleek namelijk vrij spoedig? Dat men het aantal jonge mensen, die anders nooit in de kerk kwamen en nu wel, veel te hoog had opgegeven. Het waren er ongeveer 5 op de 100. Die andere 95 waren jongelui, die tevoren al ter kerk kwamen naar de gewone diensten.
Nu beweer ik niet, dat het de moeite niet waard zou wezen, om ook een paar jonge mensen onder het net van het Evangelie op te vangen; maar hiertegenover dreigen weer nieuwe gevaren.
Wat was immers het geval? Deze jeugddiensten werden destijds gehouden éénmaal per maand. Vele jongeren gingen tot dan iedere zondag ter kerk of althans eens in de veertien dagen. Nu begon ook daar de klad in te komen. Tenslotte ging men bijna niet meer. Waar zaten de jongeren nu op de zondagen, dat er geen jeugddienst was? Hier ontstond dus aan de éne kant „kerkbevolking ééns in de maand, aan de andere kant kerkontvolking, drie of vier zondagen aaneen. Was het verlies dus eigenlijk niet veel groter dan de winst?
Het spreekt wel van zelf, dat deze zaak ook op de kerkeraadsvergaderingen ter sprake kwam. Vurige voorstanders van jeugddiensten vroegen of het geen tijd werd, dat ook de kerkeraad ter plaatse jeugddiensten instelde. Daarbij werd wel eens een gezicht gezet en werden woorden gesproken alsof het een kwestie van eeuwen was, dat de kerk dit had verzuimd. Het kon volgens hen nu geen dag en geen uur meer wachten!
Daartegenover heb ik dan mijn principiële bezwaren geuit. Of geeft het niet te denken, dat de Roomse Kerk en ook andere kerken hun openbare erediensten feitelijk onveranderd lieten? En zijn wij gerechtigd in onze eredienst van heden zulke ingrijpende veranderingen te brengen?
Zou daar de fout liggen, wanneer kerken bijna leeg blijven staan, dat de liturgie niet deugt, of dat het er te ouderwets naar toe gaat? Men kon toch beter weten. De fout ligt heel wat dieper.
Mijn grote bezwaar tegen jeugddiensten is, dat men aldus een scheidslijn trekt in de openbare eredienst. Men degradeert, ja bombardeert de bestaande dienst tot een bijeenkomst voor oude mannen en vrouwen en schept nu zijn eigen kerk voor de jongeren. Men verzoekt aan de oudeii, om in de jeugddiensten niet te verschijnen en voor de jonge mensen plaats te maken. Men maakt er in een ommezien een kerk met twee groepsafdelingen van. Men spreekt immers ook al van: Jonge Kerk.
„Val nu niet over een goed bedoelde, onschuldige benaming", hoor ik iemand zeggen. Helaas, die benaming is niet onschuldig.
De kerk moet één geheel blijven en laat zich niet in onderafdelingen splitsen. Een.scheiding te maken in de openbare eredienst is bedenkelijk. Dat trekt ook een scheiding.in de huisgezinnen en in het gezinsleven.
Wat mij aangaat, ik voel alleen voor de gezinsopgang. Met teksten probeer ik dat niet te bewijzen en toch is het mijn overtuiging, dat de Heilige Schrift het ons aldus leert: de ouders met de kinderen samen naar de kerk. Met elkander behoren zij daar te zitten onder hetzelfde Woord.
Of meent u, dat de jonge mensen een gewone preek niet kunnen begrijpen? Hier vergist men zich. Natuurlijk moeten de predikanten er zich op toeleggen, om de dingen zo begrijpelijk mogelijk te zeggen. Ik zeg niet, dat dit altijd even gemakkelijk is. Ook speelt de tekstkeuze hierbij wel een rol. Maar de voorganger moet er zich in oefenen, om voor klein en groot verstaanbare taal te spreken.
Het moet niet wezen, een preek voor oude mannetjes en vrouwtjes alleen of voor jonge mensen alleen. Laat het zijn een woord voor het hele leven, uit het hele leven gegrepen. En als u denkt, dat kinderen daar niets van meenemen, dan vergist u zich weer; want wat groten voorbijging, trof soms het kinderhart.
Ik vind het zo'n echt weldadig gezicht, wanneer ik sommige gezinnen daar zo trouw zie zitten. De ouders weten dan ook waar hun kinderen zijn en straks thuis kan er over het gehoorde nog gesproken worden.
Trouwens, wij zijn de enigen niet, die het zó aanvoelen. Hoe is anders te verklaren de instelling van een gezinsweek in de kerk, éénmaal per jaar? Daaraan is tevens verbonden een gezinszondag.
U weet, dat men „op deze dag" verzot is op namen. Zoals daar zijn: moederdag, vaderdag, en dus ook gezinszondag.
In de gemeenten, waar dat plaats heeft, ziet men dan 's zondags ouders met hun kinderen kerkwaarts gaan. De dominee, hoor ik, preekt dan heel eenvoudig en de kinderen schijnen te luisteren als vinken en de mensen vinden het prachtig.
Misschien dat uit deze instelling enig schuldbesef spreekt over wat groot en klein verder alle zondagen tekortkomen. In elk geval blijft één zondag van het hele jaar voor mij een curiosum.
Wat de jeugddiensten aangaat, is ook door eertijds sterke voorstanders al lang toegegeven, dat die diensten niet beantwoord hebben aan de verwachting, die men er van had. Ze zijn praktisch uitgelopen op diensten voor de kerkelijke jeugd. Ze zijn ook lang niet altijd vol meer. Dat hangt er sterk vanaf, wie daar preekt. Alleen de corypheeën hebben nog volle kerken. De jeugd wil nu eenmaal het neusje van de zalm.
Wij blijven van mening, dat er in de openbare eredienst geen scheiding gemaakt moet worden. Wil men op de zondag de jeugd nog apart bijeenroepen, men doe het 's avonds na de gewone diensten. Of anders houde men evangelisatiebijeenkomsten, des zomers zo mogelijk in de open lucht. Er zijn nog middelen en wegen genoeg om de jeugd te bereiken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's