De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

BERUSTING

9 minuten leestijd

Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet open doen, want Gij hebt het gedaan. Psalm 39 vers 10.

David blijkt hier door grote smart getroffen te zijn. Neen, we geloven niet dat hij hier zelf ernstig ziek is, zoals sommige uitleggers veronderstellen. Als we deze hele psalm op ons in laten werken, dan geloven we veeleer, dat hij in rouw is gebracht. De kortstondigheid, de wisselvalligheid van dit leven staat hem hier voor de geest. We hebben geen opschrift omtrent de aanleiding tot deze psalm, noch aangaande de bedoeling. We moeten dat zelf opspeuren.

David is diep onder de indruk van de ijdelheid van het leven. Ja, het gewoel in de wereld, het sloven en slaven, het gegons op de beurs, het geschreeuw op de markt, het geraas op de wegen, dat rusteloze gejaagde opgaan in de dingen van de tijd — hij ziet het tegenover dood en eeuwigheid in z'n betrekkelijke nietswaardigheid. O zeker, we hebben hier 'n taak, 'n doel. Doch als we er in opgaan, of liever, in ondergaan, geestelijk gesproken, dan zijn we die dwaas, die zijn schuren afbrak en grotere wilde bouwen, die vrolijk dacht te leven in zorgeloosheid, doch niet dacht aan.de dood, geen genade zocht, en ineens uit het leven werd genomen. „Gij dwaas", zegt de Heere Jezus. God nam zijn ziel. En wat hebt ge nu, voor die grote eeuwigheid? Hoor maar, hoe David de dingen ziet. „Men brengt bijeen en men weet „niet, wie het naar zich nemen zal. Immers zij woelen ijdelijk. Immers wandelt de mens als in een beeld". Ja, als een slaapwandelaar gaat hij door het leven. Onze dagen zijn 'n handbreed. Mijn leeftijd is als niets voor U. Hoe broos en kortstondig is ons leven, (ook als we oud mogen worden). Tot tweemaal toe zegt hij de diepe waarheid, waar hij nu weer eens bij bepaald is: „immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid". En dan volgt dat vreemde woordje „Sela". Is het „rots"? of betekent het „pauze"? Ja, sta hier eens even bij stil. Lees er niet overheen. Laat het op je inwerken. Je leest veel te vlug. Gelukkig als Gods Geesf de woorden opent, „toepast". Dan gaat er kracht van uit. Dan hebben we een zegen: 'n afbrekende, ontdekkende zegen, als het een woord tot verootmoediging is; een vertroostende, bemoedigende zegen, als de belofte van Gods genade en goedertierene leiding ons pakt en niet meer loslaat. Spreek één woord en Uw knecht is genezen. Ja, één woord is soms genoeg.

Telkens komt God in onze omgeving door sterfgevallen naast ons, ons te roepen tot bekering. Leeft u echter maar koud verder? O, leer vluchten naar de troon der genade. Onbekeerd is onveilig. Is zo gevaarlijk.

David heeft het echter aanvankelijk niet over kunnen geven, die smartelijk verlies. Hij was evenals wij tot hinken en zinken gereed. Ook zijn vlees wilde en kon zich niet onderwerpen aan Gods wet en Gods roede. Opstandige gedachten borrelen in zijn ziel op. Als het vlees de overhand heeft, dan is Gods kind ook tot murmureren geneigd. Alleen als Gods Geest de overhand heeft en ons in ootmoed op onze plaats brengt, willen we God God laten. Dan mag God ons iets ontnemen. Als we zondaars, alles onwaardig, in eigen oog zijn, dan mag God ons wegwerpen met een mannelijke wegwerping. Dan, zegt de Catechismus, weten we ons tijdelijke en eeuwige straffen waardig. Maar zijn we daar niet gelegerd, dan ergeren we ons aan Gods bestel, mopperen we maar, en zouden God tot verantwoording willen roepen. O, dat murmurerende hart.

Toch is er in David iets, hoe ook tot alle zonde geneigd, waaruit blijkt, dat hij genade heeft. Want, om de ere Gods bezorgd te zijn, is geen vrucht van eigen akker. En hoor maar, hoe hij zijn mond wil breidelen, om niet te vloeken of zijn geboortedag te vervloeken als Job, of aan Gods rechtvaardig bestuur te twijfelen als Asaf. Terwijl de boze tegenover hem loert of hij in het leed zal zondigen, wil hij, om de eere Gods, zijn tong breidelen en stilzwijgen.

O, spreken, roemen in de verdrukking, dat is het heerlijkste. Godverheerlijkend is het, als Job mag zeggen: zullen we het goede ontvangen en het kwade niet? De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij geloofd! Doch dat is zo groot, waarde lezer. Als we alvast maar zwijgen mogen, bang een verkeerd woord ons te laten ontglippen.

Zwijgen in ons verdriet, niet de verzenen tegen de prikkels te slaan, de vuist te ballen, harde woorden tegen God te spreken — we wensen het u allen en onszelf toe in het leed, waarde lezer. Al die opstandigheid maakt het voor uzelf alleen maar zwaarder, en het is, bovenal, zonde tegen God, de Beschikker van ons deel en lot. Er blijkt alleen maar uit, dat we niet op onze plaats zijn. Waar is onze plaats dan, hoor ik u vragen. Niet op de troon om God tot verantwoording te roepen, doch aan de voetbank Zijner voeten, in het stof neergebogen. In één onzer formulieren wordt gevraagd of wij onze vervloeking van God wel recht gevoelen. O, wij bidden om de zegen Gods — tijdelijke — om rijkdom van gewas, welvaart in nering en handel, ons dagehjks brood, om beterschap, voor de staat en de volkeren dezer aarde, om vrede en de zegen in onze gezinnen, — en eeuwige — opdat wij niet verloren gaan, doch behouden worden, om vergeving van zonde en een nieuw hart, Gods trouw en bewaring, voor kerk en zending — doch wij erkennen, — door de zonde, Gods gramschap dubbel waardig te zijn. Uw doen is rein. Uw vonnis gans rechtvaardig. En wie dit stuk geleerd heeft, dit eerste stuk van de drie uit onze catechismus, dit moeilijke, dit pijnlijke stuk, durft God nooit meer iets te verwijten. Onze plaats is op het zondaarsbankje. God als rechter op de troon. Door een overspannen verbondsbeschouwing wordt God nauwelijks meer als Rechter gekend, doch direct maar, ja, zomaar als Vader genoemd en geprezen. O, we zullen moeten leren als nietswaardige, alles onwaardige zondaren Gods recht te bülijken en op enkel genade te pleiten. Dat God ons niets meer verschuldigd is — dat wij nergens recht op hebben, van onze geboorte af — dat we alle rechten verspeeld hebben in ons bondshoofd Adam — dat zullen we moeten leren. En dan, als ik niets word voor God, wordt God groot, rechtvaardig in Zijn richten, mag Hij mij alles ontnemen. Hoe het ook gaat. Hij kan ons dan geen onrecht meer doen. Hij is de Pottenbakker, Die ons gemaakt heeft, en ons nu weer breken mag. Waarde lezer, weet gij een ander middel, om in het leed eenswillend en onderworpen te worden? Ik niet. „Het is nu eenmaal zo", „het wordt je van geen mensen aangedaan", „moed houden", ach mensen zijn moeilijke vertroosters. Onze nietigheid — leem in de handen Gods — leren kennen. Onze zonde en vloekwaardigheid leren erkennen. Dat, dat alleen kan ons verzoenen met het oordelend handelen Gods. God mag het doen, in rouw dompelen, gericht houden. Hij hoeft geen ledig toeschouwer te blijven bij onze ongerechtigheden. O, dat zouden we wel willen; zondigen, leven naar de lust van ons hart, Hem links laten liggen in ons bestaan, of zelfs tarten, en Hij toch alles maar goedvinden, ons steeds volop zegenen en straks ook nog naar de hemel. Jeremia beleefde het leed over Jeruzalem, zijn volk en hemzelf, uitgegoten, anders. God mocht dat doen. Hij slaat ons, maar naar onze zonde niet. Dan moet er nog veel meer komen, zegt men weleens.

O, de roede te billijken, de hand op de mond Gode niets ongerijmds toe te dichten, het is moeilijk doch door oefening des Geestes geleerd werpt het 'n vreedzame vrucht der gerechtigheid af. En, wat is er heerlijker voor de ziel dan vrede en gerechtigheid? „Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen" zegt David. Eerst sprak hij niet, door gebrek aan eenswillendheid met Gods doen. Nu spreekt hij, door de overwinnende kracht des Geestes over het vlees in deze „twee-mens", woorden van ootmoedige berusting, zwijgend, en verzoend met Gods bestel.

Uit de verzen 5, 8 en vervolgens in onze Psalm blijkt, dat David onder God heeft leren bukken. O, laat hij nu maar spreken. „Gij hebt het gedaan!" Daarom berust hij. Toch nog goede gedachten van God. Toch bij Hem het blijven zoeken. Genade, verlos me van al mijn overtredingen. Onze psalm is een kostelijke gids voor bedroefden en beproefden. Eerlijk vertelt ze van de schommelingen des gemoeds, toen David er nog niet geheel „onder" komen kon. Daarna van de vrucht van het Hjden. Ja, 'n kostelijke zielsgestalte vinden we in de 2e helft van Psalm 39 beschreven. De pennen minder vast in de aarde. Bijwoner, pelgrim, die doortrekt, noemt hij zich, gaande de weg der ganse aarde. Hij zoekt vergeving en verkwikking voor de ziel en ondersteuning naar het lichaam. Ja, wonderlijk, God drukt met de ene hand soms neer in het leed, terwijl Hij met de andere hand hefeüjk kan en wil ondersteunen. Neen, niet altijd neemt Hij het juk af. Dat is onze oplossing, onze begeerte. Het juk, de doorn in het vlees bhjft. Doch God geeft innerlijk kracht, waardoor het juk licht wordt. Dit is ook helpen. Vaak Gods oplossing, Gods methode. Veel wederwaardigheden, maar God redt. O, geloven dat God het niet doet uit lust tot plagen. Dat Hij niet van harte bedroeft. Plagen doen mensen en duivels. God zoekt ons bestwil. Opdat we niet met de wereld verloren gaan. Er is 'n roepstem, 'n wekstem, 'n lokstem in.

„Die God liefhebben, naar Zijn voor­ nemen geroepen zijn". Rom. 8 vers 8. Daar kan David het mee doen, waarde lezer. Daar kan ieder, die God vreest het mee doen, in gezonde en zieke dagen, rijkdom en armoede, in de hoogtepunten van uw leven en aan de sponde van uw smart. Daar kunt u het ook mee doen, geplaagd, neen, gelouterd kind des Heeren. Doch, wee ons, indien de Heere moet klagen: „Ik heb u geslagen, doch gij hebt geen pijn gevoeld." Vernedert u onder de slaande hand des Heeren. Hoort de roede en Wie ze besteld heeft. Waarom, of liever, waartoe?

(Bergambacht)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's