De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

10 minuten leestijd

Hebreeën 6:4-6. Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gaven gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken".

15

Een lezer van De Waarheidsvriend heeft gevraagd naar de betekenis van dit gedeelte uit de Heilige Schrift. Wij willen enkele malen over dit Schriftgedeelte schrijven. De lezer zit vooral met de vraag, hoe hij deze verzen verstaan moet in verband met het feit, dat Gods Woord op meerdere plaatsen leert, dat de Heere nooit laat varen de werken Zijner handen. Valt in déze verzen te lezen, dat het mogelijk is dat de Heere veel, tot zaligheid, in een mens gewerkt kan hebben en dat deze mens dan toch nog afvalt? Met andere woorden: is dit gedeelte niet in strijd met de belijdenis der Kerk aangaande de volharding der „heiligen"?

Wij willen dit Schriftgedeelte nader bezien. Het is dus een onderdeel van de brief aan de Hebreeën. Deze brief is waarschijnlijk gericht aan christenen, vooral Joden-christenen, in Rome. Zij behelst een uiteenzetting van zeer belangrijke èn diepgaande dingen voor het geestelijk leven. Uitvoerig handelt de schrijver over de Persoon en het werk van Christus, over Diens hogepriesterlijk ambt, in verband met het werk van Mozes en Aaron en met de figuur van Melchizedek. Hij zet zijn lezers, om zo te zeggen, geen melkspijze, maar vaste spijze voor. Met opzet zet hij hen die voor. Hij weet, dat zij die spijze nodig hebben voor de gezonde ontwikkeling van hun geestelijk leven. En nu wil hij, dat zij èn naar die spijze èn naar die ontwikkeling zullen staan. Hij wil zich de moeite ge­ troosten om die spijze hen voor te zetten. Zij moeten zich de moeite getroosten die tot zich te nemen en te verwerken. Dat zal niet zonder zegen blijven voor hun gemeentelijk- en geestelijk leven. Zo zal daar groei en vooruitgang en vastheid in komen.

Nu is ook hier weer van belang, dat wij ons goed rekenschap geven van de toestanden, zoals die ook in de tijd van de apostelen en van de schrijver van de Hebreeënbrief in de christelijke gemeenten waren. Zeker, er viel toen bijzondere zegen op de prediking van het Woord, er was bij meerderen echt geestelijk leven, echt geloof, dat vruchten droeg naar buiten. Maar ook in die tijd was het niet alles goud, wat er blonk. Naast het echte goud des geloofs was er klatergoud, dat wel de gedaante, doch niet het wezen van het echte geloof had. In de oude bedehng was niet alles Israël, dat Israël heette, in de nieuwe bedeling lag de zaak in de gemeenten Gods evenzo. Natuurlijk was dat ook de schrijver van de Hebreeënbrief bekend. Bovendien stonden de gemeenten ook toen in de wereld en droegen de leden der gemeenten tot hun dood toe hun oude hart mee. Zo stonden zij voortdurend óók midden in allerlei gevaren. Hun geestelijk leven werd bestreden, en het gevaar, zelfs het feit van inzinking, was niet afwezig. Ook tóen werd aan die bedreiging niet altijd zó weerstand geboden, als nodig was. Te licht gaven velen zich over aan wat een reële bedreiging vormde voor het geestelijk leven.

Daarom vinden wij ook in de Hebreeënbrief ernstige vermaningen, welke gericht zijn tegen die verslapping van het geestelijk leven, en tegen dat zich mee laten voeren op stromen, die wegleidden van de hoogten af, waarop de gemeente eigenhjk zou moeten staan, 't Is wel duidehjk uit de brief: reeds waren bij sommigen, om zo te zeggen, de knieën slap geworden om voort te gaan op de weg des geloofs en de handen slap om de wapens te hanteren in de goede strijd des geloofs.

Zo treffen wij in de eerste hoofdstukken van de brief herhaaldelijk de vermaning aan, dat men elkaar moest opscherpen in het geloof en dat men zich niet moest laten meetrekken op een weg, welke uiteindelijk zou kunnen uitlopen op een ongeneeslijke verharding.

Echter, nergens vinden wij in de brief zo'n ernstige waarschuwing als in hoofdstuk 6, de verzen 4 tot 7, waarin de schrijver dus zegt dat het onmogelijk is dat degenen, die eens verlicht zijn geweest en hemelse gaven gesmaakt hebben en de Heihge Geest deelachtig zijn geworden, en dan toch nog afvallig worden, wederom tot bekering gebracht worden.

De vragensteller vraagt: zijn deze verzen niet in strijd met de belijdenis aangaande de volharding der heiligen?

Wij realiseren ons nog weer even, wat die belijdenis dus inhoudt. Het is onmogelijk, dat iemand, die éénmaal tot waarachtige bekering en geloof gekomen is, nog weer zou afvallen. Want de Heere laat niet varen, het werk, dat Hij begon. Oprecht geloof en echte bekering zijn vrucht van Gods verkiezende genade. En die is onwankelbaar tot in eeuwigheid. De oprecht gelovige ligt voor rekening van die genade en van Christus, en Christus is getrouw tot in eeuwigheid. In die trouw wordt elk oprecht gelovige wel bewaard. Hij kan struikelen, vallen, afvallen echter nooit. Vele getuigenissen van de Schrift, vooral van Christus Zelf en van de apostelen, bevestigen dit feit. Wij denken aan Johannes 10 vers 27-28. Romeinen 8 vers 30 en aan zovele andere plaatsen, óók in de Hebreeënbrief.

Toch heeft men in de loop der eeuwen strijd gevoerd tegen deze belijdenis en die geloochend. Het was bijv. één van de strijdpunten tussen de contra-Remonstranten en de Remonstranten. Waar men het zalig worden en het geloof mede in de mens legt, in de keuze en in de beslissing van zijn vrije wil, daar moet men de mogelijkheid van afval wel open houden. Wij vinden dit in de grond der zaak, bij de Remonstranten. Zij kwamen dan ook op dit punt in conflict met de contra-Remonstranten, die de volharding der heiligen beleden. Het 5de hoofdstuk van de Dordtse Leerregels, immers geboren uit deze strijd, handelt daarom ook over déze zaak.

Het is enerzijds te begrijpen, dat degenen, die de belijdenis aangaande de volharding der heiligen bestrijden, zich voor hun standpunt mede op Hebreeën 6 vers 4-6 beroepen. Er schijnt in deze verzen veel te staan, dat voor hun standpunt pleit. De schrijver heeft het over de mogelijkheid, dat er in de gemeenten afvallen en hij beschrijft die afvalligen op een manier, dat wij geneigd zouden zijn te zeggen: dit kan alleen maar van echte gelovigen gelden. Hij zegt immers van hen, dat zij verlicht zijn geweest, hemelse gaven hebben gesmaakt, de Heilige Geest deelachtig zijn geweest, en is dit alles niet alleen van toepassing op de echte gelovigen?

Maar, als dat zo is, dan wordt hier toch van hén gezegd, dat zij alsnog kunnen afvallen. En dan komen wij luer in conflict met de belijdenis van de volharding der oprecht gelovigen. Dan zouden wij inderdaad op grond van deze verzen moeten aannemen, niet alleen, dat de oprecht gelovigen kunnen vallen, maar. zelfs dat zij geheel kunnen afvallen. De radicale bekering zou toch nog weer ongedaan te maken zijn. Na de radicale overgang van de dood in het leven, zou er toch nog weer een overgang kunnen zijn, niet minder radicaal, van het leven in de dood. Echter, anderzijds, juist degenen, die de belijdenis van de volharding der heiligen bestrijden, komen met dit Schriftgedeelte in moeilijkheden. En het heeft iets inconsequents in zich, wanneer zij zich op dit gedeelte beroepen.

Immers, volgens degenen, die de afval der heiligen mogelijk achten, is het óók mogelijk, dat zij, die éénmaal uit de staat der genade door eigen schuld zijn uitgevallen, weer in de weg van boetvaardigheid in die staat hersteld worden. Al zouden dezen in de loop der jaren meerdere malen afvallig worden, steeds weer zou er de mogelijkheid tot bekering zijn. De Dordtse Leerregels spreken in het hoofdstuk over de volharding der heiligen onder de dwalingen ook over deze zaak. Maar, in dit gedeelte van de Hebreeënbrief wordt het juist zó gesteld, dat er dus een afval mogelijk is, doch daarna géén mogelijkheid meer tot bekering.

Hoe kunnen dus eigenlijk degenen, die de belijdenis van de volharding der hei­ligen verwerpen, zich voor hun standpunt op dit gedeelte beroepen?

Ook in de oude Christelijke Kerk is er over deze zaak een kwestie gerezen. Door de moeilijke omstandigheden, waarin de Kerk toen geraakt was, vielen velen af. De praktijk van de Kerk was toen, dat men ook na ernstige val, een herhaalde boete, zoals dat heette, accepteerde en afvalligen gemakkelijk weer opnam. Eén van de oude kerkvaders, Tertullianus, verzette zich tegen die praktijk. En hij beriep zich daarbij op Hebreeën 6 vers 4-6. Hij las ook in die verzen, dat na afval geen tweede boete en bekering meer mogelijk waren. Tertullianus kwam tot dit verzet tegen die boetepraktijk van de kerk in zijn dagen, vooral ook, omdat hij sterk doordrongen was van het besef, dat de kerk zich als de bruid van Christus moest vertonen. Hij nam dat wel erg rigoureus en streng. Met dat al is dit Schriftgedeelte van betekenis geworden in de strijd om de boetepraktijk en de opname van de afvalligen, in de oude christelijke kerk.

Wij laten dit nu verder rusten, 't Gaat er thans voor ons om: leert dit Schriftgedeelte inderdaad de afval van de oprecht gelovigen; is er na een echte bekering in iemands leven een ommekeer mogelijk in tegengestelde richting? Is dit de bedoeling van deze verzen en moet deze mogelijkheid als een reële dreiging boven de gemeente hangen? Reeds merkten wij op, dat andere uitspraken der Schrift, ook van de Hebreeënbrief zelf, déze mogelijkheid ten enenmale afsnijden. En dan zou dus dit gedeelte daarmee in strijd zijn. En dat kan toch niet. Daarom, dit gedeelte moet wel een andere betekenis hebben.

't Is wel duidelijk, dat het hier dus gaat om een afval, waarna géén bekering meer mogelijk is, dus om een zondigen, dat onvergeeflijk is. Als vanzelf denken wij hier aan wat Christus zegt in Mattheüs 12 vers 31-32 over de zonde tegen de Heilige Geest. En aan wat de apostel Johannes schrijft in 1 Johaimes 5 vers 16-18: „Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde, niet tot de dood, die zal God bidden, en Hij zal hem het leven geven ... Er is een zonde tot de dood: voor die zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden ... Wij weten, dat een iegelijk, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelven, en de boze vat hem niet". Deze woorden van Johannes zijn hier weer van betekenis. Immers, ook in deze woorden staat, dat wie uit God geboren is, — de oprecht gelovige, — niet zondigt, in de zin van, alsmaar voortzondigen tot in de ongeneeslijke verharding toe. Daar wordt hij voor bewaard.

Wij moeten dus wel concluderen, dat als in Hebreeën 6 gesproken wordt over mensen, die afvallen en dan niet meer tot bekering gebracht kunnen worden, dezen niet oprecht gelovigen zijn. Doch anderen, die, zolang de gemeente in deze wereld is, dus in de dagen van de apostelen, en in alle tijden, daarin kortere of langere tijd een plaats kunnen innemen. Maar zij vertonen dan wel de gedaante van godzaligheid, doch missen het wezen ervan.

Wij kunnen nu vragen: is deze conclusie toch niet in strijd met het beeld, dat de schrijver ons in deze verzen van die afvalligen voor ogen stelt? Gelden de gaven en kenmerken, hier genoemd, toch niet alleen de echt gelovigen? Het antwoord op deze vraag geven wij een volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's