DE Dordtse LEERREGELS
Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men de mens niet toeschrijven, alsof hij zichzelf door zijn vrije wil zou onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn, (hetwelk de hovaardige ketterij van Pelagius stelt); maar men moet het Gode toeschrijven. Die, gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook diezelfde in de tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekering begiftigt, en uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het rijk van Zijn Zoon overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, Die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht en opdat zij niet in zichzelf, maar in de Heere zouden roemen, gelijk de Apostolische geschriften telkens getuigen.
HOOFDSTUK III/IV
Artikel 10
Opdat zij niet in zichzelf zouden roemen.
In dit artikel bestrijden de Leerregels de helpende genade om daarvoor in de plaats te stellen: genade alleen.
Het is goed, dat ook in deze tijd de noodzakelijkheid en de werkelijkheid van deze genade Gods, die alleen alles doet, gepredikt wordt. Bijna alles, wat in de Wereldraad van Kerken verenigd is, — misschien moet ik dat „bijna" weglaten — predikt, dat het wel de werken mede zijn, die de zaligheid brengen. Ergens geven zij de mens de beslissing in handen, zoals Rome dat ook doet. Men kan gerust zeggen, dat er bij het overgrote deel van het protestantisme op dit punt een terugval naar de roomse leer heeft plaats gehad. Want weliswaar veroordeelde Rome het semi-Pelagianisme met de mond, doch metterdaad laat zij toch de beslissing aan de mens over. Zoals ons prof. H. Bavinck leert stelt Rome de genade als volstrekt noodzakelijk. Deze genade is dan de voorkomende genade, het begin der genade.
Maar wat verstaat Rome onder deze gratia praeveniens? Verstaat zij er meer onder dan de uitwendige roeping van het Evangelie? Ja, Rome verstaat onder de eerste genade, de genade die aan alle werk voorafgaat, een inwerking van de H. Geest op verstand en wil. Maar nu komt het. Met deze werking van de H. Geest moet nu de mens gaan werken. Dat kan hij want door de zonde is zijn wilsvrijheid wel verzwakt, maar niet verloren. De mens kan nog veel goeds doen. De allerbeste zou zelfs de gehele Wet Gods kunnen onderhouden. Dus als nu Gods Geest in hem gewerkt heeft, kan hij nog veel meer doen.
Wat werkt de Geest Gods? Hij werkt niet het geloof. Hij werkt het vermogen om te geloven alleen. ledere volwassene, die onder het Evangelie leeft, wordt de begin-genade geschonken, maar het staat in de macht van de mens deze aan te nemen of te verwerpen. De zondaar kan de genade toestemmen en met haar samenwerken, maar hij kan haar ook verwerpen.
Hoe gaat het met een ongedoopte volwassene? Over kinderen zullen we dan maar zwijgen. Kinderen ontvangen in de doop de wedergeboorte, de rechtvaardigmaking en alles. Daarvan heeft Luther ondervonden, dat het waardeloos voor hem was, maar de gewone roomse bouwt er heel zijn zaligheid op.
Maar nu de ongedoopte. Hij krijgt een verlichting van het verstand en een versterking van de wil door de Heilige Geest. Als hij nu deze genade toestemt — hij kan ze ook verwerpen, zeiden we — gaat hij er mee werken en zich voorbereiden voor de Doop. Hij doet wat in hem is. Dit doende, dus gebruik makende van zijn natuurlijke krachten, al of niet door de genade ondersteund, kan God hem de ingestorte genade, die volgen moet, niet weigeren. Wie zijn best doet krijgt de meerdere genade. Deze wordt hem geschonken in de Doop en bestaat in de inwoning des Heiligen Geestes, de instorting van bovennatuurlijke deugden, de gemeenschap aan de Goddelijke natuur, en dan de vergeving der zonden.
Met deze ingestorte genade heeft de mens de bovennatuurlijke kracht ontvangen om het eeuwige leven te verdienen. Waartoe dient dus de genade bij Rome? De genade dient alleen om de mens het verdienen van de hemelse zaligheid weer mogelijk te maken. Dan kan de mens in zichzelf roemen.
Het neo-protestantisme van Arminius af, legt ook de beslissing in handen van de mens. Men legt echter niet zó'n nadruk op verdienen, omdat men veel gemakkelijker over de genade denkt. God is Zijn liefde eigenlijk een beetje aan de mens verplicht. Men maakt zich de genade goedkoop.
Laten wij oppassen niet in hetzelfde spoor te wandelen. Niet in het spoor van Rome, zodat wij het geloof in de mogelijkheid van de mens stellen en niet in het spoor van het neo-protestantisme, zodat wij de genade niet meer zien als het onbegrijpelijke wonder. Maar laten we veel van Gods goedheid verwachten, die aan armen mild en overvloedig schenkt. Wij kunnen niet roemen in onszelf. De prediking geeft ons geen genade, waardoor wij uit onszelf kunnen geloven. Onze Doop heeft geen wederbarende kracht. Al doen wij wat in ons is, dan is de Heere nog niets verplicht. Wij staan met lege handen. Zalig de mens, wiens handen al maar leger worden. Hij is onder de be-arbeiding Gods. De Geest maakt geen vrome mensen. Hij ontdekt de uitverkorene aan zijn goddeloosheid, onwaardigheid, verdorvenheid en schuld. Hij heeft helemaal niet gedaan, wat in hem was, of het moet zijn, dat hij zich Gods gramschap dubbel waardig heeft gemaakt. Deze mens roept God tot Christus. Kan hij geloven? Neen. Maar God begiftigt hem met het geloof.
Op welke wijze werkt de Heere dit? De Heilige Geest verlicht het verstand. Is het Woord Gods zo duister? Wel neen, het is een schijnend licht. De mens echter is blind. Of moet ik zeggen, dat de inhoud van het Evangelie 's mensen bevattingsvermogen zover te boven gaat, dat vlees en bloed het niet omvatten kan? Beide uitspraken zijn geschikt om de onmacht des mensen tegenover het Evangelie uit te drukken. Het geheim van Gods liefde is voor de zondaar van zich uit onkenbaar. Wie door God bekend gemaakt is met zijn totaal verloren staat kan onmogelijk geloven, dat Gods ontferming ook voor hem is. De anderen, de rechtvaardigen in eigen oog, de verstandszondaren hebben het makkelijk. Maar de waarlijk ontdekte kan het onbegrijpelijk geheimenis van Gods liefde voor zulk een alleen aanvaarden door het wonder des Geestes.
Wordt er een nieuw verstand geschapen? Neen, maar ons verstand wordt herschapen. Adam kende God aan de wind des daags. Als de H. Geest het verstand herschept, kent de mens God in Zijn Woord. Calvijn spreekt van: blinde ogen openen, maar ook van: ogen geven, ogen een nieuw gezichtsvermogen verlenen. In een preek over Efeze 5 : 11-14 lezen we: „wij zijn allen blind geworden. Daarom is het nodig dat wij onze ogen terug krijgen en dat de Geest Gods ons een nieuw zien geeft". Bij Ez. 11: 24: „Als Gods Geest ons ziende maakt, komt een nieuwe kracht in ons, die naar de natuurlijke niet kan worden afgemeten". Als 's Heeren Geest ons verstand verlicht gebeurt hetzelfde als op de eerste scheppingsdag toen God sprak: er zij licht. De apostel Paulus schreef van de gelovigen: „Want God, die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft" (2 Cor. 4:6). Het is goed als de predikers verkondigen, dat ongeloof ongehoorzaamheid is. Maar het is niet goed als zij de gedachte wekken, dat enig natuurlijk mens uit eigen krachten geloven kan. Nog minder dan Gods geboden onderhouden, kunnen wij de Christus door een waar geloof aannemen. Het gevaar van de suggestie dat wij dat toch wel kunnen is, dat onder zulk een prediking velen met hun natuurlijk verstand de genade aannemen en zo zichzelf bedriegen, mede door de schuld des predikers.
God komt met de eis des geloofs en het geloof is „antwoord" op Gods aanbieding van genade, dat is zeker. Maar men verkondigt dit alleen goed als men weet, dat het antwoord pas gegeven kan worden, nadat God de organen geschapen heeft, die Zijn roeping kunnen horen of vernemen.
Calvijn schrijft in Inst. III, 24, 2: „En opdat het vlees niet zou roemen, dat het zich, toen God riep en Zichzelf om niet aanbood, tenminste gehoorzaam omtrent Zijn roeping gedragen heeft, zo betuigt Hij, dat wij geen oren hebben om te horen en geen ogen om te zien, anders dan die Hij gemaakt heeft. En dat Hij die maakt niet naar eens ieders dankbaarheid, maar naar Zijn verkiezing" (Hand. 13:48).
Gaat dus de natuurlijke mens vrij uit als hij de (uitwendige) roeping verwerpt? Neen „de verworpenen hebben een zwaarder oordeel te verwachten, omdat zij het getuigenis van Gods liefde verstoten".
Wat betekent het dus, dat Gods Geest de uitverkorenen met het geloof begiftigt? Dat God het Evangelie doet prediken en Zichzelf een mens schept, die deze boodschap der genade horen kan. Maar geloof is niet alleen kennen, het is ook vertrouwen. Het is zelfs voor ons gevaarlijk om teveel nadruk te leggen op het kennen. Wij zijn op school en in de fabriek en overal gewend aan een dood kennen zonder gevoel. Daardoor zijn velen gaan denken, dat de kennis van het geloof ook zo'n gevoelloos aannemen van waarheden is. Niets is minder waar. De kennis van het geloof is verbonden met een zeer sterk gevoel. „Wij voelen, dat Gods toorn tegen ons bedaard is en dat voelen wij door de ervaring daarvan en door de werking zelf' (Jer. 24 : 7, Calvijn).
Het geloof is trouwens veel meer een zaak van ons hart dan van ons verstand. Paulus schrijft: „Met het hart geloven wij tot rechtvaardigheid". „De toestemming of bewilliging behoort meer tot het hart dan tot de hersenen" (Inst. IH, 2, 8). Dus werkt de Heilige Geest, als Hij het geloof schenkt bovenal een overbuiging van de wil. Het wantrouwen van het hart is nog groter dan de blindheid van het verstand. Het is moeilijker het hart te doen vertrouwen dan het verstand met kennis te vervullen. Calvijn schrijft: „Wanneer Christus ons door Zijn Geest tot het geloof verlicht, lijft Hij ons in Zijn Lichaam in. Daarna moet hetgeen het verstand gevat heeft in het hart worden overgegoten. Het Woord Gods is door het geloof niet ontvangen als het boven in de hersenen omzweeft, maar wanneer het in de grond des harten geworteld is".
„Indien het waarachtig is dat de verlichting door Gods Geest is het ware verstand van onze geest, zo blijkt Zijn kracht veel klaarder in zodanige versterking des harten, te weten zoveel als het mistrouwen des harten groter is dan de blindheid des verstands, en het zwaarder is het hart gezond te maken dan het verstand met kennis te vervullen" (Inst. III, 2, 36).
Dit is de begiftiging met het geloof, die voor ieder noodzakelijk is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's