Meditatie
EEN STERKE BEMOEDIGING
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn naam. Johannes 16: 23.
Er is een tijd geweest, waarop koning Darius het gebod uitvaardigde: „Al wie in 30 dagen een verzoek zal doen aan enige god of mens behalve aan de koning alleen, die zal in de kuil der leeuwen geworpen worden".
Daniël gehoorzaamde dit gebod niet, maar ging in zijn huis en viel drie maal per dag op zijn knieën en bad tot zijn God zoals tevoren.
Hij werd aangeklaagd en bij de leeuwen geworpen. Maar God zond Zijn engel om de bek der leeuwen toe te houden zodat hem niets overkwam.
Gelukkig zijn er in de geschiedenis niet veel van zulke tijden geweest. Ons is het gebed nog nooit verboden. Toch doen vele christenen alsof het verboden is. In veel gezinnen wordt geen gebed meer gehoord, wel vele goddeloze woorden. Men ontvangt de gaven Gods zonder te danken en ook in dagen van smart weet men de weg niet tot de Helper in nood. En dat terwijl het juist het heiligste voorrecht is, dat wij, kinderen van het stof, hebben, dat we voor het aangezicht Gods mogen staan en Hem al onze nood vertellen mogen.
Daarnaast moeten we wel bedenken dat het voor ieder de vraag is of we wel zó bidden als God wil dat we doen zullen. Immers bidden wij. wel vaak genoeg? Bidden wij wel ootmoedig? Is er wel geloof in ons bidden?
Eén van de discipelen vroeg eens: „Heere, leer ons bidden". Is dat niet de bede, die bij allen en te allen tijde voorop moet staan? Dan valt in die akker van het toebereid hart de gedachte, die in deze tekst is vervat: „Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, als gij de Vader om iets zult bidden, zal Hij het u geven in Mijn naam. Tot nu toe hebt gij niets gebeden in Mijn naam". Omdat dit met zoveel nadruk hier gezegd wordt, moet dit: „bidden in Jezus' naam" wel iets bijzonders zijn. De discipelen zullen tot op het ogenblik dat Jezus dit zegt wel vaak gebeden hebben. De Heiland had hen immers het „Onze Vader" al geleerd. En toch zegt Hij: „Tot nu toe hebt gij niet in Mijn naam gebeden".
Het is dus blijkbaar mogelijk de Heere in zekere mate te dienen en te kennen. Zijn Woord te lezen en te horen en toch niet geleerd te hebben in de Naam van Jezus Christus te bidden.
Dat beweegt ons tot de vraag: „wat wil het zeggen te pleiten op de Naam van Jezus Christus? " Als ik iets in naam van een ander doe, dan doe ik het omdat hij het mij opgedragen heeft, in zijn plaats en naar zijn wil.
Als ik in Jezus' naam bid, dan geloof ik, dat de Zoon Gods mij veroorloofd heeft voor het aangezicht Gods te komen. Ik durf dit aan, omdat niet ik, arm zondaar, het ben, die voor Gods aangezicht sta, maar mijn Jezus, die voor mij gestorven en opgestaan is, die in mij leeft en ik in Hem; die door de kracht van de Heilige Geest met en in mij bidt.
U gevoelt dat hier een ernstige waarschuwing in ligt voor de bidder in nood, die alleen dan gaat bidden, als de golven boven hem dichtslaan.
Of voor de bidder om brood, die alleen aardse goederen nodig heeft. Of voor de bidder op zondag, die dan wel erg vroom doet, maar verder niet weet van zijn nood. Of voor de bidder met de lippen, wiens woorden zijn als de krassende naald van de grammofoonplaat, omdat zijn woorden niet wel luiden in de oren Gods.
Wie in de naam van Jezus Christus bidden wil, moet met zijn gehele hart in Hem geloven, zodat hij met Paulus zeggen kan: „Ik leef, doch niet ik maar Christus leeft in mij". Wie in Jezus' naam wil bidden, moet de Heilige Geest hebben en zich door de Geest laten regeren.
Daarom zegt de Heiland tot de discipelen: „Tot nu toe hebt gij niet in Mijn naam gebeden", want de Pinksterdag was nog niet gekomen en de Heilige Geest niet uitgestort. Deze dag is gekomen en de Heilige Geest heeft hun harten verlicht. Hij wilde in hen wonen. Èn in en door de wedergeboorte mogen we dat ook tot u zeggen.
Wij weten, dat Hij in Gods Woord en Sacrament en met Zijn gaven onder ons woont, dat Hij verlichten en heiligen wil en bij Christus houden. Laat dan ook van u gezegd kunnen worden zoals het van Paulus gezegd werd: „Zie, hij bidt". Dan wordt het bidden in Jezus' naam ootmoedig, zoals Jezus zelf voor Zijn Vader in het stof lag en bad. Dan vraagt ge niet vóór alles om dat, wat ge voor dit leven nodig meent te hebben, maar om het rijk Gods en Zijn gerechtigheid, omdat ge weet, dat al het nodige daarbij gegeven wordt.
Zulke bidders heeft de Kerk des Heeren nodig. Geve de Heere dat ze er zijn, dat ze blijven en dat er meerderen komen mogen.
(Lienden)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's