De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

10 minuten leestijd

Uit en naar oude papieren — Twee reacties op Bezinning nodig— Een stukje drijfhout — Catsherdenking.

In „Hervormd Weekblad" d.d. 15-9-'60 plaatste ds. Groenewoud (H.G.G.) een artikel over „Ons gymnasiaal onderwijs", dat mijn aandacht trok om meer dan één reden. Het begon met te verhalen, dat in de nrs. 15, 16, 17 en 18 van de 1e jaargang van „ons blad" — toen droeg het als enige naam „De Gereformeerde Kerk" — dr. Van Konkel ook over hetzelfde onderwerp had geschreven. Dat was in januari en februari 1889, nu dus ruim 71 jaar geleden.

Ik weet niet of de naam Van Ronkel het merendeel onzer lezers nog iets zegt. Hij stamde uit Israël, maar had met het joodse geloof gebroken, doordat hij de Heere Jezus als zijn Messias had leren kennen en als zijn Heiland in geloof had mogen aannemen. Hij was predikant geworden. Begin de tachtiger jaren stond hij in Amsterdam, maar is tijdens de spanningen in het kerkelijk leven, die zich ontspanden — zij het ten dele — in de doleantie, predikant in Zetten geworden en daarna in Leiden.

In de eerste jaargangen van „De Gereformeerde Kerk" heeft hij tal van artikelen geschreven, waaronder ook het bovenvermelde. Had dat zin in die jaren van begrijpelijke deining in ons kerkelijk leven?

Dr. van Ronkel was een wetenschappelijk man, had een open oog voor de cultuurontwikkeling en de opleiding van de a.s. predikanten, die in die situatie de kerk moesten dienen. Dat verklaart meen ik wel, dat hij dit onderwerp aan de orde stelde.

De artikelen vonden hun aanleiding

in een opstel van prof. S. A. Naber — het was verschenen in „De Gids" — over de allesbehalve te roemen resultaten van het gymnasiaal onderwijs. Prof. N. gaf een project van „de noodigste middelen ter verbetering van den jammerlijken toestand". Hierop haakte dr. Van Ronkel in, en gaf, „gründlich" als hij altijd was, — hij schreef o.m. een lange reeks artikelen over „De Kerk" in de eerste jaargangen van „De Gereformeerde Kerk", waarin die grondigheid evenzeer uitkwam — een heel nieuwe opzet van het m.o. en het voorbereidend h.o., die ik hier verder niet overneem. Wel vermeld ik, dat het doet denken aan wat wij thans kennen in het Lyceum, al is het in vele opzichten weer anders.

Bij alle verschil is er tussen prof. Naber en dr. Van Ronkel in dit opzicht overeenstemming, dat beiden het Grieks voor toegang tot de universiteit verplicht stelden voor theologen.

Men weet, dat bij de e.k. beraadslagingen over de door minister Cals voorgestelde wijzigingen op onderwijsgebied ook de kwestie van het verplichte eindexamen in de oude talen, met name het Grieks, aan de orde komt.

In de Kroniek van „Kerk en Theologie" (3e afl. 1960) verhaalt prof. Lekkerkerker op zeer interessante wijze van zijn ervaringen en indrukken als gecommitteerde bij de eindexamens der gymnasia. Hij komt tot de conclusie, dat voor theologen het Grieks niet facultatief mag gesteld, dat zij voor toegang tot de examens der theol. faculteit diploma a moeten hebben en beveelt o.m. voor te behandelen latijns proza in de hoogste klasse(n) van het gymnasium ook aan gedeelten van Augustinus te lezen. Dr. Van Ronkel beveelt eveneens Augustinus aan. Hij noemt „de cevitale Deï" in zijn concept.

Van Ronkel is wat het Grieks betreft — hij noemt ook het Hebreeuws — in overeenstemming met de Dordtse vaderen. Want al besloten deze tot een nieuwe Bijbelvertaling, zij eisten, dat de predikanten de grondtalen zouden kennen om de oorspronkelijke tekst te kunnen lezen.

Zo moet het m.i. blijven. Wie zich de moeite geeft zijn preek zo te bewerken, krijgt menigmaal de zegen een gans nieuwe rijkdom in het Woord Gods te ontdekken.

Of de gemeente dit alles waardeert? Dat valt wel mee. Doch dat is niet de hoofdzaak. Ik meen, dat God de Heere een serieuze bestudering eist. En in de weg der gehoorzaamheid is zegen te verwachten.

Het komt, jammer genoeg, nog al eens voor, dat men, predikant geworden, zijn talen, oude en nieuwe, niet bijhoudt, en gaat gelijken op die predikant, dr. theol., van wie prof. Daubanton op college verhaalde, dat de man zei: „Hebreeuws heb ik nooit gekend, mijn Grieks heb ik niet bijgehouden". Het tegendeel te doen, werd ons gepeperd op het hart gebonden. Zou de verschraling van de prediking — daarover wordt veelvuldig geklaagd — niet verband houden met het ongebruikt laten van wat men ontving? 

De gelijkenis van de talenten en de bestraffing: „gij boze en luie dienstknecht" staat nog altijd in het Evangelie! (Matth. 25 : 26).

De drie artikelen van ir. Smit, augustus jl. in ons blad verschenen onder de titel „Bezinning nodig", zijn onderwerp van bespreking geweest in „Hervormd Weekblad". In het nr. van 8 september jl. wijdt H.G.G. er een artikel aan onder de titel: „Achter? " En in het nr. van 29 september j.l. plaatste J. Hoeve, herv. predikant te Tienhoven, een „Ingezonden", onder het opschrift: „Minderheden-Confessie-Cultuur!", dat naar aanleiding van ds. Groenewoud's artikel ook ingaat op wat ir. Smit schreef.

Het „Ingezonden" is zo rustig niet geschreven als het artikel van ds. Gr. Het is af en toe ook nog wel eens wat scherp. Een zin als: „Nu ben ik altijd dankbaar als het woord „bezinning" valt, alhoewel ik vaak tot de conclusie kom, dat we met bezinnen alleen maar onze eigen zin op het oog hebben", klinkt in zijn slot niet al te vriendelijk. En geladen is ook het volgende:

„Ondertussen is mij zo langzamerhand wel duidelijk, dat nog steeds geldt wat prof. Berkhof in zijn geschiedenis der kerk schrijft (298): „De Geref. Bond wil de garantie hebben, dat de „ware belijders" (aanhalingstekens van Berldiof) in de gereorganiseerde kerk de meerderheid hebben".

Ds. H. meent, dat de verschillen over en weer, niet zozeer verband houden met de waardering van de cultuur in G.B.-kringen — iets waarop H. G. G. nogal de aandacht had gevestigd — doch veeleer met inzichten betreffende bepaalde punten in de belijdenis — hij noemt de verhouding van „Evangelie en Wet" — en ziet uit naar een gesprek.

Ds. Gr. is, gelijk gezegd, kalmer, bezadigder. Hij zal ook wel iets ouder zijn dan ds. H. Wel heeft hij, bij veel waardering, wel enkele vragen; men luistere:

„Intussen is het gewenst, dat het door de heer Smit gebruikte woord levenspatroon nader wordt uitgewerkt. Betekent het alleen maar: zekere gebruiken? Dan rijst reeds terstond de vraag: welke gebruiken in het dagelijkse leven en in de kerkelijke eredienst? Maar ik meen te mogen aannemen, dat ir. Smit zich er wel van bewust is, dat het niet slechts om enkele gebruiken gaat; het gaat om een samenhang van gebruiken, opvattingen, overtuigingen, die te maken hebben met het vraagstuk kerk en cultuur en die ook binnen de kerk de liturgie en de theologische opvattingen betreffen".

Een vraag alzo om enige toelichting. Zo zijn er meer. Doch voorshands laten wij het bij vermelding van het vorenstaande en wachten op een antwoord aan ds. Groenewoud.

Ook het stuk van ds. Tukker „Raad uit Schotland" (De Waarheidsvriend, d.d. 15-9-'60) trok de aandacht.

De schrijver van de „Kleine Kroniek" in het G.W. zette er 22 september jl. mee in en kwam er in het slot nog even op terug.

Maar ook „Strandvonder" zag het onder allerlei „drijfhout" en gaf het voor een deel plaats in zijn bekende rubriek. Wat hij rondom het „drijfhout" opstapelde, was in meer dan één opzicht loffelijk voor ds. T., alleen, hij kon diens waardering voor prof. Visscher niet in alle opzichten delen. Hij was wel onder de indruk van Visscher gekomen toen hij hem had horen preken. Ja, dat was groot. Maar de colleges, die prof. Visscher aan enige Amsterdamse predikanten, op verzoek, had gegeven, daar was hij niet weg van. Hij had daar meer over Visscher's theologie gehoord dan over die van Calvijn.

Maar het meeste bezwaar had „Strandvonder" tegen Visscher's visie op de Anglicaanse Kerk, in het stuk van ds. T. — men heeft het kunnen lezen — aldus weergegeven: „Men moet nodig de Anglicaanse Kerk navolgen, een kerk, die leeg staat en die de greep op het volk kwijt is". Daartegen tekent „Strandvonder" scherp protest aan, alsmede tegen wat ds. T. in verband met de „vier kerken", die hij ongebruikt voor de eredienst zag in Glasgow.

Nu kan het zijn, dat „Strandvonder" door contacten met Engeland en de Staatskerk andere ervaringen had. Een deel zegt lang niet altijd alles voor het geheel. En misschien waren „strandvonder's" ervaringen er in de oorlog, toen schier overal de kerken vol waren.

Intussen, we hebben ds. T. dankbaar te zijn voor zijn „Raad uit Schotland" en hopen, dat het gezonde reformatorische leven, waarvan hij bij de Schotten mocht genieten, zich ook hier doe gelden in gemeenten, predikanten en huisgezinnen.

Op Sorgvliet, eens het buitenverblijf van Jacob Cats, is 12 september jl. diens 300ste sterfdag herdacht. De tegenwoordige bewoner van het buiten, mr. Goekoop, heeft ter opening van de herdenking en de in een paar vertrekken georganiseerde tentoonstelling — daarop is heel wat te zien van oude uitgaven van Cats' werken, en verdere interessante dingen van hem, verband houdende met zijn huiselijk en openbaar leven — o.m. gezegd, dat „wij Cats thans meer kunnen waarderen, nu wij hem zien als een universeel mens in wie een volksdichter, een politicus, een geslaagd zakenman en een moralist verenigd waren". (N.R.Crt. d.d. 13-9-'60).

Ja, de op 10 november 1577 in Brouwershaven geboren „burgerzoon", is meester geweest op vele wapens. Hij is zelfs aangezocht voor een Leids professoraat in de rechten. Hij bleef echter in de politiek, waarin hij het onder Frederik Hendrik tot raadspensionaris van Holland bracht. Hij is betiteld als „de ambtenaar van Frederik Hendrik", om uit te drukken, dat hij geen briljante en zelfstandige figuur op Oldenbameveld's stoel is geweest. Maar wat ik uit het woord, dat prof. mr. Scholten, hoogleraar aan de V.U. voor de microfoon der N.C.R.V.''onlangs aan hem wijdde, hoorde, doet hem zien als een magistraat van formaat, die meesterlijk de grote Vergadering van 1651 wist te leiden. Voorwaar geen geringe lof!

Zijn grote bekendheid heeft Cats onder ons door zijn eenvoudige gedichten, bevattelijk, op de man af, en het ganse christelijk leven bestrijkend. Hij is „moralist" genoemd. Terecht, maar gebaseerd op de Heilige Schrift, ontsproten aan het gereformeerd belijden, dat, nadat hij in 1607 onder invloed van zijn vrouw, lid van de nationaal-gereformeerde kerk was geworden, hem dreef en inspireerde. Vele tientallen van jaren hadden Cats' werken een ereplaats in de gezinnen hier te lande. Naast de Statenvertaling werden ze geregeld gelezen, zodat ze de naam van „tweede huisbijbel" kregen. Vandaar dat zovele gezegden van Cats ook later nog werden geciteerd als: „eer is teer";  na eer en staat komt hoon en smaad"; „geen mens en ziet zijn eigen bult".

Cats behoort tot de „classieken", al is het verhevene en machtige dat bij Vondel zo bekoort, hem niet eigen. Toen „vader" Cats nog dagelijks werd gelezen, had ons volk meer staal in het bloed, dan thans, nu, voorzoveel men nog leest, de mensen, ook onze mensen, grijpen naar sensationele nieuwsberichten en weeë, onbenullige periodieken in de huiskamers rondzweven. Cats bracht ons volk tot de Bijbel en leerde het hem verstaan. Hij is nog niet verouderd. Zijn herdenking is een eerherstel. Zal dat doorwerken, ook onder ons?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's