Uit het nieuwe Testament
Hebreeën 6 : 4-6 (vervolg).
De vorige maal zagen wij, dat in dit Schriftgedeelte anderen dan oprecht gelovigen bedoeld moeten zijn. Wij vroegen tenslotte of dit niet in strijd was met de wijze, waarop de schrijver van de Hebreeënbrief hen in dit gedeelte nader typeert. Wij menen, dat dit laatste niet het geval is.
Wel worden in dit gedeelte belangrijke dingen gezegd van hen, die toch nog weer afvallen. Het zijn dingen, welke wij in de volle zin van het woord, in volle kracht en heerlijkheid alleen aan de oprecht gelovigen kunnen toeschrijven. Maar wij vinden die dingen, zij het dan niet in diezelfde kracht en heerlijkheid, ook bij anderen. Wij moeten hier niet vergeten, dat, terwijl de feitelijke toestand van de gemeenten, in deze wereld zo is, dat wij daar altijd nog echt gelovigen èn anderen zullen aantreffen, de invloed van Gods Woord en Gods Geest die anderen niet geheel voorbijgaat. Integendeel, wij zeggen niet voor niets, dat zij allen vallen onder de beademing van het Evangelie. Dat betekent toch ook, dat dat Evangelie ook bij de niet-oprecht gelovigen niet zonder uitwerking blijft.
Zeker, de Heilige Geest woont in bijzondere zin in het hart van hen die Hij wederbaart en brengt tot waarachtige bekering en oprecht geloof, maar Hij woont ook in het geheel van de gemeente als het lichaam van Christus op aarde, welke hier altijd nog bestaat uit een gemengde schare. En zo werkt Hij óók aan en in zekere zin zelfs in diegenen, die in de gemeente met de oprecht gelovigen verenigd zijn, doch het waarachtig geloof missen. Gods Woord en Geest zijn nooit geheel zonder uitwerking bij allen, die er mee in aanraking komen, al worden niet allen erdoor herboren tot een nieuw leven.
In deze zin zullen wij het beste, wat er staat in dit Schriftgedeelte kunnen verklaren. Er is allereerst sprake van mensen, die eens verlicht zijn geweest.
Dit kan betekenen, dat wij hier moeten denken aan mensen, die door het licht van het Evangelie zijn bestraald. Zij zijn niet meer als de heidenen, aan een leven in de duisternis, overgelaten. Op zichzelf was dit voor deze mensen al een grote genade. Maar de uitdrukking, hier door de schrijver gebezigd, kan nog meer betekenen. Hij kan er verder mee willen zeggen, dat het hier gaat om mensen, die bovendien zelf, in hun verstandelijk vermogen en zelfs in hun consciëntie, verlicht zijn geworden. Zij hadden inzicht in de waarheid, welke God in Zijn Woord ons bekend maakt. Zij werden daardoor geboeid en vonden ze schoon en waar. Zij zagen er iets van, wie God was, wie zij zelf, wie de Heere Jezus. En zij hadden inzicht in de wegen des Heeren. Wie weet, hoe ver en hoe diep! Maar daarom waren zij nog niet echt gelovigen. Wij denken hier even aan Bileam, die eveneens bijzonder verlicht was en een bijzonder inzicht verkreeg in de wegen Gods, en toch ook geen bekeerde was.
De schrijver van de Hebreeënbrief zegt vervolgens van die mensen, die hij op.het oog heeft, dat zij de hemelse gaven gesmaakt hebben. Met die hemelse gaven bedoelt hij natuurlijk datgene, wat de in de hemel verhoogde Christus Zijn gemeente schenkt, vooral Zijn Geest en Woord. Die mensen hebben die gesmaakt. Dit zal wel betekenen, dat ook deze gaven niet buiten hun leven zijn gebleven, maar dat ze daarin een plaats hebben gekregen en daarin niet zonder invloed zijn gebleven. Die mensen waren niet als zovelen, die geheel opgaan in het aardse en tijdelijke, zo dat gij zoudt denken, dat daarin alleen de echte bevrediging van het menselijk hart te vinden is. Neen, zij begrepen, dat er nog iets anders, iets hogers, was, nl. die hemelse gaven, de geestelijke, eeuwige dingen. Als zij daarvan hoorden, bleven zij niet onaangedaan. Zij gaven er blijk van in hun leven, dat zij er door geboeid en ertoe aangetrokken werden. Voor het oog niet minder dan de echt gelovigen, 't was misschien zelfs bij hen alles nog opvallender. Maar toch bleef het aan de oppervlakte, als zaad, dat geen diepte van aarde vond.
In de tekst staat ook, dat zij hadden gesmaakt. Dat wil ook zeggen: zij hadden ervan geproefd, maar dat is nog wat. anders dan zó eten, dat men er echt profijt van trekt!
Nog méér zegt de schrijver van de Hebreeënbrief van deze mensen. Zij zijn de Heilige Geest deelachtig geworden. Deze uitdrukking behoeft eveneens nog niet te zeggen, dat zij in de volle zin des woords deel hadden gekregen aan die inwoning van de Heilige Geest, zoals de oprecht gelovigen die ontvangen tot hun eeuwige zaligheid. Doch, die eerder genoemde verlichting en dat eerder genoemde smaken van de hemelse gaven, hoe konden zelfs die bij die mensen gevonden worden, zonder enige inwerking van de Heilige Geest? Niemand toch heeft „van nature" zelfs oog voor de dingen van het Koninkrijk Gods en niemand is „van nature" zelfs bewogen onder het Evangelie. Ook daarvoor is nodig een hogere macht, die de ogen opent en de smaak zuivert. In die zin kan de schrijver van die mensen schrijven, dat zij de Heilige Geest deelachtig waren.
Nóg meer weet de tekst van die mensen te zeggen, dat zij nl. het goede Woord Gods en de 'krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben. Hier worden het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw nauw verbonden. Bij het goede Woord Gods zullen wij wel weer moeten denken aan hét Woord, het Evangelie, doch verder aan allerlei zegeningen Gods. Ja, daarvan hadden ook deze mensen wel iets, zelfs veel genoten; dat was hen niet vreemd. En met die krachten der toekomende eeuw worden natuurlijk bedoeld die krachten, welke eigenlijk thuis behoren in een andere wereld; die van het Koninkrijk Gods, dat eens, in de toekomst, volkomen zal zijn, doch nu reeds aanwezig is en inwerkt op dit leven. Het zijn de krachten van het Woord Gods, zelfs bijzondere geestelijke ervaringen én bijzondere gaven, zoals die vooral in de dagen van de apostelen wel in de gemeenten voorkwamen, gaven van genezing en gezondmaking. De schrijver stelt die mensen, die hij op het oog heeft, ook niet buiten het bezit van déze gaven en krachten.
En zo is het ons wel duidelijk, dat wij hier dus nog niet behoeven te denken aan echt gelovigen, maar aan mensen in de gemeente, die veel voorrechten hadden ontvangen, en die men zelfs voor échte kinderen Gods zou hebben kunnen houden, maar die toch alleen de gedaante, maar niet het wezen der echte godzaligheid bezaten. En van hén zegt de schrijver van de Hebreeënbrief dus, dat er in hun leven de mogelijkheid was om weer af te vallen. Wel was de Heere met de bemoeienissen van Zijn genade heel dicht tot hen gekomen en hadden deze hen niet onaangeroerd gelaten. Er was zelfs een zekere band tussen Hem en hun ziel gevlochten, doch het was alles als bij de niet vruchtdragende ranken aan de wijnstok, waarvan Jezus vertelt. Het was alles niet. echt zaligmakend en daarom kon er toch nog de afval in hun leven komen.
En van dat afvallen zegt de schrijver dus verder, dat het onmogelijk is, deze mensen wederom te vernieuwen tot bekering. Hij gebruikt hier een sterke uitdrukking, welke scherp wil doen uitkomen, dat déze mensen na hun afvallig worden niet meer opnieuw tot bekering kunnen komen. Hun afvallig worden is als een terugvallen in de staat des doods; er is geen overgang uit de dood in het leven voor hen meer mogelijk. Wij hebben hier te doen met een krasse uitspraak. Niemand toch is vóór zijn bekering en vóór de levende aanraking met Christus door het oprechte geloof, hopeloos verloren. Een zondaar kan niet zó diep gezonken zijn, of de arm des Heeren weet hem nog te bereiken en te grijpen. Dan geldt nog nooit het „onmogelijk". Maar dan geldt ten volle: „Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God". Echter, hier stelt de schrijver een geval, waarvan dit niet meer geldt. Wanneer mensen in de gemeente zoveel geestelijke gaven hebben ontvangen en langere tijd de gedaante van godzaligheid hebben vertoond en dan uiteindelijk zich toch nog weer van het Evangelie afkeren.
En dit is het erge van hun afvallig worden: daarin voltrekt zich dan reeds een rechtvaardig oordeel Gods over hen om wat zij gedaan hebben. Immers, wat ging het vér in hun leven. Wat had de Heere hen veel geschonken, wat waren Zijn bemoeienissen vele! Maar toch keerden zij uiteindelijk Hem weer de rug toe. Wij moeten ons niet voorstellen, dat dat in hun leven een snel verloop had; wellicht was het meestal een proces, dat rijpte. Doch tenslotte was het een bewuste daad bij deze mensen.
De schrijver van de brief laat er nog dit licht over vallen: wat deze mensen deden noemt hij een opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken van de Zoon Gods. Eens brachten mensen Christus in letterlijke zin aan het kruis, en het waren mensen, die beter wisten, tot wie de Heere al zo lange tijd en op velerlei wijze gesproken had door de profeten en uiteindelijk door Zijn Zoon, maar zij verwierpen de Christus en maakten Hem te schande, tot een schimp en aanfluiting, als was Hij een valse Christus. Die afvalligen zo bedoelt de schrijver, deden door hun daad hetzelfde in overdrachtelijke zin. En hij laat het erge daarvan nog extra gevoelen door hier niet te spreken van Christus of Jezus, maar van de Zoon Gods. Christus is de Zoon Gods, Zijn Persoon is van goddelijke heerlijkheid, Zijn werk van goddelijke majesteit en genade vol, te erger is het om Hem als het ware weer te kruisigen en tot een aanfluiting te maken!
En dat is een zonde, waarover het rechtvaardig oordeel Gods komt in déze zin, dat er dan geen bekering meer mogelijk is. Want de Heere is groot in Zijn ontferming, wat komt Hij met rijke aanbiedingen van genade tot Zijn gemeente, wat heeft Hij haar veel geschonken en wat wil Hij haar veel schenken! Wat is Hij ook taai van geduld, en wat is er een mogelijkheid voor de diepst gezonken zondaar! Maar er kan een einde komen aan Zijn geduld. Het heden der genade eindigt niet altijd pas bij het sterven. Soms kan dat eerder zijn. En dan wijkt Hij zó met Zijn Woord en Geest, dat Hij overgeeft aan de totale verharding.
't Is ons nu wel duidelijk wie de schrijver van de Hebreeënbrief op het oog heeft en welke mogelijkheid hij stelt? Zo is dit gedeelte ook voor ons, in verband met ons kerkelijk en geestelijk leven, nog actueel. Doch daarover een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's