De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De belijdenissen van Augustinus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De belijdenissen van Augustinus

9 minuten leestijd

Welke is de opzet van de Belijdenissen?

III

Deze vraag is niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Bij vrijwel ieder boekwerk is het mogelijk om na kennisname van de inhoud onmiddellijk de grote lijn van het betoog aan te geven. Hier is dat heel wat moeilijker. Ja, sommigen hebben zich zelfs afgevraagd, of er in het geheel wel een „grote lijn" bestaat.

Wat is nl. het geval? De Belijdenissen vallen uiteen in twee gedeelten van respectievelijk tien en drie boeken. Het eerste gedeelte beschrijft het leven van Augustinus tot en met zijn bekering; het tweede is een allegorische 1) uitleg van het eerste hoofdstuk van Genesis. Schijnbaar hebben deze twee dus bijzonder weinig met elkaar te maken. De vraag rijst dan ook, waarom Augustinus ze tot één geheel heeft samengevoegd. Is het slordigheid? Misschien zelfs gebrek aan systematisch denken? Van een schrijver van het formaat van Augustinus mogen wij dat nauwelijks verwachten. Waarin vindt deze merkwaardige compositie van de Belijdenissen dan echter wel haar oorzaak?

Het zou te ver voeren om hier de standpunten van Wundt 2), Williger 3) en Nygren  4) in deze kwestie te bespreken. Naar onze mening moet het antwoord ongeveer als volgt luiden: Augustinus heeft dit boekwerk „Belijdenissen" genoemd. Als wij dus kunnen ontdekken, wat dat woord „belijden" voor hem betekent, dan hebben wij meteen de sleutel in handen om de opzet van dit boekwerk te verstaan. Het is immers ondenkbaar, dat een man als Augustinus deze titel zo maar lukraak erboven gezet zou hebben.

Welnu, in één van zijn preken 5) zegt Augustinus het volgende: „Belijdenis wordt in de Schrift op twee wijzen opgevat. Er is een belijdenis van de lovende en één van de zuchtende. De belij­denis van de lovende richt zich tot Hem, Die geprezen wordt; die van de zuchtende getuigt van het berouw van hem, die haar uitspreekt. Want de mensen doen belijdenis, wanneer ze God loven en wanneer ze zichzelf aanklagen." Als wij dus van deze opvatting van het woord „belijdenis" uitgaan, dan hebben wij te verwachten, dat Augustinus in dit boekwerk aan de ene kant Gods werk zal prijzen en aan de andere kant zichzelf en in 't algemeen de mens zal aanklagen.

Welnu, dat zulks inderdaad het geval is, weet ieder, die de Belijdenissen al eens geheel of gedeeltelijk gelezen heeft. „Maar, " zo vraagt u zich misschien af, „wat heeft dat nu met die merkwaardige tweedeling te maken? " Wel, alles! Dat wil nl. zeggen, dat de eenheid van de Belijdenissen daarin gelegen is, dat in beide gedeelten God geprezen en de mens aangeklaagd wordt. In het eerste gedeelte wordt God namelijk geprezen, omdat Hij Augustinus tot Zich teruggebracht heeft, en Augustinus zelf aangeklaagd vanwege zijn onverstand en onwil om tot God te komen; in het tweede wordt God geprezen vanwege de grootheid van Zijn werken en Augustinus aangeklaagd, omdat hij nog steeds maar zo'n gebrekkig inzicht in die dingen heeft.

Nu zal de aandachtige lezer(es) van de Belijdenissen waarschijnlijk dadelijk opmerken, dat hiermee toch niet alles verklaard is. Deze overeenkomst ligt nl. in het persoonlijke vlak. Een groot deel van zowel de eerste tien boeken als van de laatste drie draagt echter helemaal geen persoonlijk karakter. Het zijn integendeel uiteenzettingen over allerlei diepzinnige onderwerpen. En inderdaad, Augustinus is zo bang geweest om tot een overmatige lof van zichzelf te komen, dat hij het persoonlijke soms helemaal schuil laat gaan achter brede dogmatische en wijsgerige uiteenzettingen.

Dat pleit echter allerminst tegen de éénheid van de Belijdenissen. Deze wordt daardoor veeleer onderstreept. Er is namelijk één hoofdthema, dat al die uiteenzettingen beheerst. Augustinus brengt het zelf in het begin van het eerste boek als volgt onder woorden: „Ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in U". Dat nu toont de schrijver in de boeken één tot en met tien aan, aan de hand van zijn eigen levensgang en in de boeken elf tot en met dertien laat hij zien, dat hetzelfde geldt van de ganse schepping.

Een paar dingen, die ons opvallen.

De Belijdenissen is een boekwerk van zulk een rijkdom, dat het ons steeds voor verrassingen plaatst. Dat ervaart elke aandachtige lezer wel voor zichzelf. Op twee dingen zouden wij hier echter met name willen wijzen.

Het eerste is dit: Terwijl Augustinus in het eerste deel van zijn Belijdenissen zijn afkeer van God en terugkeer tot God beschrijft, zweeft hem telkens de gelijkenis van de „verloren zoon" 6) voor ogen. Heel duidelijk komt dat op enkele plaatsen tot uiting.

Zo lezen wij in het eerste boek 7): „Want niet met de voeten of door verwijdering in de ruimte gaat men weg van U of keert men tot U terug en Uw jongste zoon zocht niet paarden of wagens of schepen of vloog niet weg op zichtbare vleugels of ging te voet, om overdadig levend in een ver land te verbrassen, wat Gij hem bij zijn vertrek gegeven had als een liefderijk Vader, omdat Gij het gaaft, maar liefderijker nog voor hem, toen hij berooid terugkeerde: ik verkeerde dus in de lust der begeerte, want dat betekent in de duisternis en dat betekent ver van Uw aangezicht."

En aan Lucas 15 : 16 worden wij herinnerd, als Augustinus zegt: „Ik verkeerde ver van U in den vreemde verstoken zelfs van de draf der zwijnen, die ik met draf voerde." 8)

Tenslotte wordt er nog een zeer duidelijk verband gelegd met genoemde gelijkenis in het vierde boek  9), waar we lezen: „Al wat ik van de kunst om te spreken en te betogen, al wat ik van de meetkunde, van de muziek en de getallenleer zonder grote moeite en zonder dat iemand mij onderwees begreep, weet Gij, Heere mijn God, want de vlugheid van begrip en de scherpte van inzicht zijn Uw gaven. Maar ik offerde U niet daarvan. En zo strekte het mij niet tot nut, maar veeleer tot verderf, omdat ik erop uit was een zo goed deel van mijn vermogen in mijn macht te hebben en ik bewaarde mijn sterkte niet tot Uw eer, maar ik ben weggereisd van U in een vergelegen land om haar te verkwisten in overspelige begeerten."

Dit zijn een drietal gevallen, die geen twijfel overlaten. Wij moeten er echter op bedacht zijn, dat de woordkeus meerdere malen aan deze gelijkenis herinnert.

Luther heeft eens gezegd, dat men, als er in de Schrift over zondaren gesproken wordt, zijn eigen naam maar in moet vullen. Welnu, Augustinus heeft dat in zijn Belijdenissen reeds veelvuldig gedaan.

Het tweede, waar ik u attent op wilde maken, heeft betrekking op de laatste drie boeken van de Belijdenissen. Zoals gezegd, die zijn een allegorische verklaring van Genesis 1. Dat betekent echter niet, dat hier aan ieder vers een evenredig deel van de verklaring gewijd wordt. Integendeel! Ieder, die deze boeken voor het eerst leest, merkt tot zijn grote verbazing, dat het gehele elfde boek en een gedeelte van het twaalfde over Genesis 1 : 1 en 2 handelt. Zo is het dus zonder meer duidelijk, dat de kerkvader geen verklaring in de gewone zin van het woord heeft willen geven, maar dat het veeleer zijn bedoeling geweest is om, uitgaande van Genesis 1, enkele fundamentele dingen van de christelijke leer aan zijn lezers voor te houden.


1) „Allegoriseren" betekent letterlijk „met andere woorden zeggen". Een voorbeeld van een bijbelse allegorie is de gelijkenis van de wijnstok (Joh. 15:1-10). Allerlei elementen van die „gelijkenis" moeten worden overgebracht en blijken dan beelden te zijn van Geestelijke dingen. Bijvoorbeeld: de wijnstok is Christus; de ranken zijn de discipelen enz. enz. In de Bijbel komen maar weinig van zulke allegorieën voor. Een echte gelijkenis is n.l. wat anders. Daar mag men niet alles overbrengen, maar alleen die paar dingen, die betreffende gelijkenis ons wil leren. De rest is aankleding. Zo gaat het bijvoorbeeld in de gelijkenis van de wijze en dwaze maagden over de eis tot waakzaamheid. Het is onjuist om zich af te vragen, wat met de olie enz. bedoeld is. Nu zijn er echter altijd mensen geweest, en ze zijn er nu nog, die allerlei historische verhalen uit de Schrift te gewoon, te „vleselijk", te „letterlijk" vinden. Volgens hen moeten ook die verhalen als allegorieën worden opgevat en verklaard. Dan gaat men bijvoorbeeld de geschiedenis van Jozef als volgt verklaren:

Met Jozef wordt Jezus bedoeld. Jezus is door zijn „broeders", de Joden, verkocht naar Egypte. D.w.z. Hij is aan de dood en Godverlatenheid prijsgegeven. Potifar is in werkelijkheid Pilatus, die Christus ter dood veroordeelt enz. enz. U voelt wel, hoe gevaarlijk dit allegoriseren is. Zo kan men immers van alles alles maken en nog bovendien als de zuivere leer voordragen. Het is dan ook geen wonder, dat vooral diegenen, die van de zuivere belijdenis afweken (Origenes!), bij voorkeur naar deze vorm van uitleg gegrepen hebben.

2) Max Wundt neemt in „Augustins Konfessionen" (ZNW 22, 1923, S. 161-206) het standpunt in, dat Augustinus met zijn „Belijdenissen" de bedoeling had om zichzelf met betrekking tot zijn vroegere leven tegenover zijn tegenstanders (Donatisten!) te rechtvaardigen. Nu sprak men al sinds lang bij wederopname van afvalligen in de kerk van het moeten voorafgaan van een belijdenis in de dubbele zin van dat woord, een confessio peccati (= schuldbelijdenis) en een confessio fideï (= geloofsbelijdenis). Vlg. Wundt is dan ook het eerste gedeelte van de „Belijdenissen" een schuldbelijdenis en het tweede een geloofsbelijdenis.

3) E. Williger wil in zijn „Der Aufbau der Konfessionen Augustins" (ZNW 28, 1929, S. 81-106) niets weten van de gedachte, dat de „Belijdenissen" een soort zelfverdediging zouden zijn. Verder sluit hij zich min of meer bij Wundt aan. Alleen, hij meent, dat ook het tweede gedeelte min of meer een schuldbelijdenis is, omdat wij daar niet zozeer een volmaakte schriftgeleerde ontmoeten als wel iemand, die worstelt om de Schrift te mogen verstaan en daarbij met veel gebrek te kampen heeft.

4) Anders Nygren draagt in „Augustin und Luther" (Aufsatze imd Vortrage zur Theologie und Religionswissenschaft, Heft 3, S. 14-21) de volgende opvatting voor: Voor Augustinus ia God de Schepper en tegelijkertijd het „hoogste Goed" en zijn mens en wereld Gods schepping, die van het „hoogste Goed" is vervreemd en die maar weinig „goeds" meer over heeft. De mens is geworden als de dieren, die niet naar boven kijken, maar naar beneden, naar de stoffelijke dingen. In het eerste deel nu van de

„Belijdenissen" wordt ons verhaald, hoe een zondaar tot dat „hoogste Goed" wordt teruggebracht; in het tweede wordt dit nogmaals, maar nu in meer algemene, dogmatische formulering herhaald.

5) Enarr. in Ps. 94, 4

6) Lukas 15 : 11-32.

7) Conf. I, 28.

8) Conf. III, 11.

9) Conf. IV, 30.

(Lopikerkapel)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De belijdenissen van Augustinus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's