De verhouding der richtingen
Enkele opmerkingen over:
(Slot)
Vorige week werd ingegaan op de confessionele aantijging, dat de hervormd gereformeerden de „eigen leer" zouden verabsoluteren. Een tweede punt was, dat wij sectarisch zouden denken en „de anderen" niet werkelijk als Kerk zouden zien.
Het is wat bezwaarlijk, te herhalen wat in De Waarheidsvriend van 11 augustus werd opgemerkt. Het in-de-Kerk-zijn hangt er niet van af of wij, bewogen door de reine prediking van het Evangelie naar de leer der Kerk, Christus in het geloof aannemen — al is dat, in de weg van bekering en wedergeboorte, voor onze zaligheid zo nodig als de gereformeerdste dominee het maar zeggen kan —; ook niet van onze overtuiging van het nut van die prediking; maar daarvan, dat de Heere God ons onder Zijn Verbond geboren deed worden en daarin Zijn goedgunstigheid jegens ons betoonde; dat Hij ons onder de prediking bracht, waarin de H. Geest werkzaam wil zijn om Gods genadegaven, ons „in belofte", „verbondsmatig" al geschonken, toe te passen aan ons hart opdat „wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden".
Maar dat werkzaam zijn van de H. Geest in de prediking, daar gaat het ons om. Wij zien die werkzaamheid belemmerd in een prediking, die niet is naar de reine leer der Kerk. Juist omdat wij de hele empirische kerk als de Kerk zien en liefhebben, zien wij de hele Kerk liggen onder de eis van de rechte prediking, alle predikanten om die te brengen, alle leden om die aan te nemen; en juist daarom zijn wij zo lastig in ons eisen, dat alle Hervormde predikanten — de hervormd gereformeerden natuurlijk incluis — gereformeerd preken. Beschouwden wij u, predikanten die zich tegen ons afzetten, niet als Kerk, wij zouden u rustig laten waar u was. Maar wij voelen ons solidair met u in het zoeken van het welzijn der Kerk en daarom vragen wij u zo dringend, u in uw ambtelijk handelen niet door hedendaagse situaties en cultuur en dezentijdse filosofisch getinte leringen te laten afleiden in uw belangrijkste ambtelijke taak, de prediking van de reine leer der Kerk, om zo een werkzaam middel te zijn in het vergaderen door Christus van de Zijnen (allen die in de Kerk zijn) door Woord en Geest.
Wij willen ook (misschien de een meer dan de ander) solidair met u zijn in uw worsteling om tot het rechte inzicht te komen, want wij worstelen daar ook voor onszelf om. Het verval der Kerk is het verval van onze, Nederlandse Hervormde Kerk. Daarom willen wij met u Jesaja 63 na stamelen: Ach Heere, zie van de hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en Uwer barmhartigheden? Zij houden zich tegen ons in. Gij zijt toch onze Vader (van allen die in de Kerk zijn); want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet; Gij, o Heere! zijt onze Vader; onze Verlosser van ouds af is Uw naam. Heere, waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen? Waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen Uws erfdeels. Uw heilig volk heeft het maar een weinig tijds bezeten; onze wederpartijders (en mag de Kerk als geheel hier niet denken aan valse of onvruchtbare leringen? ) hebben Uw heiligdom vertreden. Heere, verhoor ons, opdat wij niet worden als die, over wie Gij van ouds niet hebt geheerst, en die naar Uw naam niet zijn genoemd. Och, dat Gij de hemelen scheurdet en nederkwaamt.
Nog een derde hoofdlijn is aan de hand van het door ds. Groenewoud en ds. Hoeve geschrevene te ontdekken. Ds. Hoeve vindt, dat de hervormd gereformeerden de mogelijkheid onder ogen moeten zien „dat op grond van de H. Schrift hun betrekkelijk statische opvatting van de belijdenis onjuist kan zijn". Die mogelijkheid te overwegen acht ds. Hoeve voorwaarde voor een gesprek van de hervormd gereformeerden met „de anderen".
Hij zal licht bedacht hebben, dat hij daarmee een tegennatuurlijke zaak van ons vraagt. Wij voelen weinig voor een gesprek, dat begint met een schone lei, dat allerlei dingen discutabel stelt waar de Kerk zich allang over uitgesproken heeft. Dat neemt niet weg, dat het niet overbodig is, onzerzijds nog eens aan te geven in hoeverre wij de belijdenis der Kerk al of niet statisch zien.
Om dit met vrucht te doen, zou duidelijk moeten zijn wat men precies meent, als men vindt dat wij de belijdenis te statisch opvatten. Men kan bedoelen, dat wij zouden menen dat er aan de belijdenis nooit iets mag worden veranderd. Men kan ook bedoelen, dat wij te weinig aandacht hebben voor een belijden der Kerk, dat zich met het oog op de wisselende situaties voortdurend opnieuw oriënteert. Vermoedelijk denkt men aan beide.
Hoe zien wij dat nu?
Behalve de Schrift heeft ook de belijdenis gezag in de Kerk. De Schrift ontleent dat gezag aan zichzelf, zijnde Gods Woord; de belijdenis aan de Schrift, omdat hij daarmee in overeenstemming is. Dat is dus een afgeleid gezag. Het gezag van de Schrift is bindender, maar dat van de belijdenis is óók bindend, totdat de Kerk, geleid door de H. Geest, voor een bepaalde locus (geloofsstuk) ontdekt dat het „omdat" ten onrechte is gesteld. Dat lijkt erop, alsof het „omdat" ingeruild wordt tegen het beruchte „in zoverre". Maar dat is niet zo. Want „geleid door de H. Geest" houdt in, dat het gaat om een geloofsinzicht. Het belijden der Kerk is dus niet een academische kwestie. De belijdenis presenteert zich als belijdenis des geloofs. Dat betekent, dat een toetsen van de belijdenis aan de Schrift alleen geoorloofd is in congenialiteit aan (waar men van gelijke geest is als) de belijdenis, waarbij de belijdenis aangaande de Schrift een beslissende plaats inneemt omdat het geloof op Gods Woord rust.
Toetsing van de belijdenis dus alleen door wie die belijdenis, in het bijzonder de Schrift-belijdenis, mee-belijdt, en niet door Jan, Piet of Klaas in confessioneel opzicht (confessioneel hier dus niet als richtingaanduiding bedoeld), die de belijdenis wel eens onder handen genomen zouden willen zien om hun persoonlijke afwijkende gevoelens kerkelijk gesanctioneerd te krijgen. Het schriftuurlijk geloof, dat aan de heiligen is en wordt overgeleverd en in de belijdenis der Kerk zijn uitdrukking vindt, heft die belijdenis uit boven een te overdadige toetslust van hen, die aan dat geloof ontzonken zijn.
Eerder zou een uitbreiding van de belijdenis denkbaar zijn. Niet een anders, maar een meer. De praktische betekenis van deze mogelijkheid is echter beperkt.
Ten eerste komt er aan dwalingen niet zoveel principieel nieuws aan de orde. Ten tweede kan een revisie alleen worden ondernomen door een kerk die leeft in het geloof van haar belijdenis, en dit kan voor onze Hervormde Kerk als geheel worden betwijfeld.
Wat de tweede mogelijke bedoeling aangaat van hen, die ons een statische belijdenis-opvatting toeschrijven: de belijdenis is belijdenis des geloofs. Dat geloof richt zich op het fundament der Kerk: God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, Zich openbarend in het profetische Woord, dat zeer vast is, aan ons, die nu niet anders tot bekering kunnen komen dan in het jaar 50 of 1600. Zo is het geloof naar zijn inhoud, zijn „object", statisch. Dat betekent natuurlijk niet, dat dit „object" van het geloof, de Drieenige God in Zijn openbaring, zelf ook statisch is. Dat is een star, deïstisch Godsbegrip dat in strijd is met de Schrift. Bij deze openbaring gaat het zeer dynamisch toe. Zacharias spreekt van innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, om Zijn volk kennis der zaligheid te geven (Luc. 1: 77 en 78). God is er, in alle eerbied gesproken, op het hoogst bij geïnteresseerd, als Hij ons roept (1 Petr. 2 : 9), trekt (Joh. 12 : 32), ontdekt (Num. 22:31, Klaagl. 4:22, Ps. 119:18), de verslagenen troost (Jes. 40:1), de boetvaardigen vergeeft (Ps. 32 : 5), de onboetvaardigen bestraft, maar daarin nog hun bestwil zoekt (Openb. 3:19). en nog smart heeft over hun blijvende onwil (Luc. 13 : 34). Maar in Zijn zó-zijn is de Heere onveranderlijk (Jac. 1: 17), en daaraan klemt het geloof zich vast.
Naar zijn werkzaamheden is het geloof dynamisch, een bezig zijn in de dingen van Gods koninkrijk en een levend, bewogen staan in deze wereld met zijn cultuur-ontwikkeling, in de wisseling der tijden. Dat is alles heel beweeglijk, „existentieel", maar gericht door de belijdenis. Het komt daaruit op; het staat er niet los en gelijkwaardig naast alsof het dat in later tijd ook wel eens verdringen kon.
Zeer beweeglijk dus. Deze beweeglijkheid kan evenwel niet zonder ongelukken worden overgebracht naar de objectieve inhoud van het geloof der Kerk, want dan zou alles gaan schuiven. Door die geloofsinhoud is de Kerk een pilaar en vastigheid der Waarheid. Daarom spiegelt zich in de belijdenis ook af de onwankelbaarheid en de standvastigheid van het fundament, waarop het in de belijdenis uitgedrukte geloof zich richt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's