De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NOOD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NOOD

6 minuten leestijd

Een tegenwoordig veelvuldig gebruikt woord: nood. De nood der prediking, de nood van het huwelijk, — leg uw oor maar te luisteren en vul maar aan. Die zo spreken, zien wellicht iets van wat zij nood noemen, en maken daarvan een argument voor actie. Er is nood — er moet wat gebeuren!

Doch hoe nu, als die actie veelal een slag in de lucht blijkt te zijn. Er komt geen verandering, laat staan verbetering. Wat men nood noemde, wordt blijkbaar bij de noodlijdenden niet als zodanig gevoeld, of de aangegrepen actie kan geen redding in die nood brengen. Zij, die de noodklok hebben geluid, hebben de nood, of wat ze zo noemden, niet goed gepeild.

Dit kan ook heel moeilijk zijn, want men beweegt zich op het terrein der geestelijke dingen. Daar ontdekt men de nood niet, tenzij men die in eigen leven ervaren heeft. Zo staat het ook met de verlossing uit de nood. In eigen leven ervaren en anders blijft ook haar kracht verborgen.

In het z.g. „natuurlijke" leven is het anders met de nood, of liever, met de ontdekking van de nood. Daar dient de nood zich gevoelig aan. Daar gaat zij gepaard met ontbering, smart, pijn en met dreigend doodsgevaar, hetzij nog iets op een afstand of dichtbij. De toenemende nood is naderende dood. De mens vreest de dood. Daarom, als de nood gaat dringen, schreeuwt hij en wordt uitgedreven om te ontvluchten aan het gevaar.

Er moet wat gebeuren — en er gebeurt ook wat. Denk aan de hongersnood in de belegerde stad. De mensen eten het gras van tussen de straatstenen om de maag te stillen. Ongedierte, dat in de alledaagse omstandigheden geschuwd wordt, maken zij tot hun spijs. Moeders hebben haar kind aan de honger geofferd (2 Kon. 6 : 23 v.v.).

Welk een beeld roept ook de watersnood voor onze geest. De vloed gestegen tot aan de rand van het dak. Wat deert het verlies van huisraad en vee, als op het half verzwolgen dak nog een beetje veiligheid gevonden wordt. Welk een angst, als de woedende baren ook dit laatste eilandje van hoop dreigen op te slokken. Het is gelijk aan de worsteling van de zeeman op het zinkende wrak van zijn schip.

Dat is nood, echte, dringende vaak reddeloze nood.

Gelukkig kunnen naar verhouding in onze beschaafde wereld slechts weinig mensen meespreken over zulke noodervaringen. En toch, wie zal de nood beschrijven, die elk uur van de dag over het rond der aarde wordt geleden?

Daarom ligt de nood niet zover van een iegelijk onzer, of het leven, dat zo rijk is aan wisseling en wederwaardigheden, heeft ons wel eens ogenblikken van ontbering en gebrek gebracht. Genoeg om zich voor te kunnen stellen, wat het zeggen wil, als de nood tot stervens toe aanhoudt.

De hier beschreven nood in het aardse leven meldt zich, zoals we zeiden, gevoelig aan, en stelt ons voor het dringend dilemma: sterven of gered worden.

Het is slechts schijn, als we zouden menen, dat de geestelijke nood veel verder van ons zou afstaan en minder doodsgevaarlijk zou zijn. Desondanks kunnen we met onze geestelijke nood zo vertrouwd zijn, dat we, zolang de zon over ons opgaat, schoon van alle waarachtig licht verstoken, onze duisternis niet opmerken.

Dit is de nood van onze nood, dat we ons niet bewust zijn van de nood, waarin we geestelijk verkeren. Ook in de geestelijke dingen is het nl. zo, dat de nood uitdrijft tot actie, zodra hij dringt! „Nood leert bidden", zegt het spreekwoord. Dit is ook zo, omdat de smart van de nood doet uitzien naar verlossing en redding.

Hierin wordt de nood van onze geestelijke nood onderkend: Als we gebrek aan brood hebben, gaat de maag roepen om voedsel en als de nood voortduurt gaat dit roepen over in schreeuwen. Het gaat met smart en lijden gepaard. Doch geestelijk zijn we bij wijze van spreken over dit punt heen. We zijn aan de crisis bezweken en geestelijk dood. Vandaar, dat we noch God, noch ons zelf kennen. Het één hangt nl. met het andere samen: geen kennis van God, geen zelfkennis.

Onze geestelijke nood is niet slechts een dreiging van dood, maar geestelijk is de dood ingetreden en tot alle mensen doorgegaan.

Lichamelijk ontstaat de nood omdat de spijze ontbreekt. Algemeen gezegd: de nood openbaart zich, zodra de voorwaarden om te leven ernstig bedreigd worden.

De geestelijke nood omvangt ons geslacht, ondanks het feit, dat alom op de aarde, hetzij dan bedekt of onbedekt, het Evangelie der verlossing verkondigd wordt. Om het beeld van de spijze vast te houden: Het Brood des levens is er, maar het wordt niet begeerd.

Die gestorven zijn van de honger, vragen niet meer om brood.

Nu zouden we dit mogelijk ook van toepassing willen maken op de geestelijke staat van de „natuurlijke" mens. Hij is dood, hoe zou hij dan vragen om het Brood des levens? Prachtige verontschuldiging voor zulk een mens. Wat dood is, is immers dood. Hij kan er niets aan doen. Hij heeft geen weet van de zonde, geen weet van de geestelijke dood, geen weet van verlossing....

Zó echter is het ook weer niet. In de eerste plaats heeft God de gevallen mens niet zonder meer in de dood overgegeven. God laat hem niet in de dood liggen. Hij geeft Zijn recht niet prijs.

Dat openbaart zich in onze dood. Dood is geen versterving tot nihil. Neen, de dood is een straf Gods. Ook in de dood blijft de mens rekenschap schuldig aan zijn Schepper. Er komt ook voor de doden die in ongeloof sterven, een dag van gericht.

Ja, maar dat weten de geestelijk doden ook niet.

Dat zegt gij, doch wees voorzichtig; want God heeft zich niet onbetuigd gelaten. Hij heeft gesproken van de beginne aan. Hij heeft gesproken als een God van gerechtigheid en van barmhartigheid. Het Woord Gods is uitgegaan tot de wereld, wordt allerwege verkondigd en het Evangelie betoont zich een kracht Gods tot zaligheid.

Daarom gaat die geestelijk dode mens niet vrij uit. Hij kan op zijn doodsstaat niet pleiten tot verontschuldiging, want hij is geschapen als een redelijk en zedelijk wezen. Dat blijft hij ook in zijn geestelijke doodsstaat. En, wat van groter belang is. God blijft hem als zodanig behandelen. Zijn Woord spreekt deze mens aan in zijn verantwoordelijkheid en schuld. Daarvan getuigt zijn geweten. En daarom is hij niet te verontschuldigen, wie hij ook is.

Toch wil de moderne mens van deze dingen niets weten. Hij heeft er geen belangstelling voor. Het is, alsof hij ook als redelijk-zedelijk wezen is afgestompt. Hoe dit ook zij, hij heeft gebroken met de Christelijke traditie, met de kerk, met de Wet Gods, wil van de overgeleverde normen niet weten. Uit dien hoofde hebben de methoden en probeersels om de moderne mens geestelijk te benaderen zo weinig resultaat. Men spreekt dan wel van de nood en er is reden voor, zoals we gezien hebben. Indien de geestelijke nood echter werd gekend en gevoeld, zouden de kerken overlopen van heilbegerigen, terwijl ze nu vaak ledig zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NOOD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's