UIT DE PERS
In de vorige persschouw zijn enkele persstemmen weergegeven over de I.C.C.C. en de door deze raad op haar laatst gehouden vergadering te Woudschoten opgestelde resolutie over het schriftgezag en het koninkrijk Gods. Nadruk werd gelegd op de onvoorwaardelijke erkenning van het gezag der Heilige Schrift en op de juiste visie op het koninkrijk Gods.
Daarnaast is het van belang de commentaren te vermelden op het besluit van het centraal comité van de wereldraad van kerken om aan de plenaire vergadering van de wereldraad, in 1961 te houden te New Delhi in India, voor te stellen de grondslag van de wereldraad te preciseren, in deze zin, dat voortaan in de grondslag aan de belijdenis van Jezus Christus als God en Zaligmaker zal worden toegevoegd: naar de Schriften, terwijl bovendien de trinitarische belijdenis van de éne God, Vader, Zoon en Heilige Geest, deel zal uitmaken van de basis-formule.
Hoe denkt men in het gereformeerde kamp over deze bereidheid van de wereldraad om het echt christelijk karakter van de basisformule buiten alle verdenking te plaatsen? Prof. H. Ridderbos vraagt in het „Gereformeerd Weekblad":
Mag men hier spreken van een versterking van bijbels-confessloneel besef, althans van een bereidheid om de onmisbaarheid van zulk een bijbels-confessioneel uitgangspunt duidelijk tot uitdrukking te brengen? Zegt hier de Wereldraad op haar wijze en van haar kant niet hetzelfde wat de I.C.C.C. op haar wijze als het enig en algenoegzame voor „de gemeenschap der gelovigen" in het huidige wereldbestel blijft proclameren? Of is dit alles toch niet meer dan schijn en moet het onder de valbijl gebracht worden die in Woudschoten voor de midden-orthodoxie niet minder hoog dan voor de vrijzinnigheid was opgericht? Schijn, omdat dit: „naar de Schriften" in de Wereldraad toch niet gevrijwaard is van kritiek op de Schrift en omdat deze basis wel als maatstaf mag worden aangelegd voor wat de Wereldraad zélf doet en zegt, maar niet voor de in zijn arbeid participerende kerken, met welker interpretatie van de basis-formule de Wereldraad zich immers zegt niet te kunnen inlaten („ .. .does not concern itself..." etc.)?
Prof. Ridderbos citeert prof. Van der Woude, die in de Friese Kerkbode van 9 sept. jl. o.m. het volgende opmerkt:
„Het is bijzonder verheugend, dat het Centraal Comité thans, in St. Andrews, tot deze conclusie is gekomen. Zou de geest van John Knox en Andrew Melville (beroemde Calvinisten uit de tijd der Reformatie, R.) van invloed zijn geweest?
Men is tegemoet gekomen aan de wensen van de Noorse Lutheranen, de oosters-orthodoxen en de Amerikaanse congregationalisten en heeft een bredere omschrijving van de basis-formule gegeven. Als het voorstel van het Centraal Comité het volgend jaar door de Alg. Vergadering wordt aanvaard, dan zou de basis-formule voortaan als volgt gaan luiden:
„De Wereldraad van Kerken is een gemeenschap van kerken, die Jezus Christus naar de Schriften als God en Heiland belijden, en tezamen hun gemeenschappelijke roeping trachten te vervullen, tot eer van de éne God, Vader, Zoon en Heilige Geest".
Het verschil ligt voornamelijk in twee punten. Ten eerste wordt nu ingevoegd: „naar de Schriften". De belijdenis dat Jezus Christus God en Heiland is, wordt nu uitdrukkelijk op de Schrift gebaseerd en aan de Schrift gebonden. Ten tweede klinkt hier ook door de belijdenis van de Drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest".
Prof. van der Woude schrijft dan verder, dat, als de wereldraad dit voorstel van zijn centraal comité het volgend jaar zou aanvaarden, hij, wat zijn basis-formule betreft, welbewust in een scherper en meer rechtzinnige koers vaart. Een vooruitgang dus, omdat er nu toch minder twijfel kan bestaan over de bedoeling wereldraad, en omdat iedereen in de wereldraad van deze basis-formule nu niet meer zijn eigen interpretatie kan geven.
Is dit voorstel tot verbreding van de basis-formule inderdaad een principiële koerswijziging? Prof. Berkhof, die in „In de Waagschaal" van 1 okt. jl. min of meer heet van de naald over deze wijziging in de grondslag van de wereldraad zijn visie geeft, meent van niet.
Men spreekt uitdrukkelijk van uitbreiding (expansion) van de basis, niet van een verandering. Want men gaat er van uit, dat al het nieuwe expliciet reeds in de bestaande basis is vervat.
In een nadere exegese van het voorde wereldraad van deze basis-formule merkt prof. Berkhof op, dat er vier veranderingen en toevoegingen zijn:
1) „Onze Heer" wordt „de Heer". Zo komt beter uit dat Christus Heer is ook over hen die Hem niet als zodanig erkennen.
2) „Aanvaarden" (accept) is veranderd in „belijden" (confess), zoals „Faith and Order" oorspronkelijk ook had. De eerste uitdrukking, hoewel in methodistische kring geliefd, smaakte velen te individualistisch. Het gaat trouwens niet om het aanvaarden als doel der Kerk, maar om het belijden van Christus ten overstaan van de wereld. „Belijden" heeft de klank van het duitse „bekennen". Met confessionalisme en belijdenisdwang heeft „confess" niet te maken, zoals elk inziet, die het engelse kerkelijke taaleigen kent.
3) „Naar de Schriften" is toegevoegd. Het sluit aan bij 1 Kon. 15:3 en 4). De wens van Noorwegen is daarmee vervuld. In het concept van het Uitvoerend Comité stond: „kerken die naar de Schriften..." enz. Dan beheerste deze uitdrukking dus de hele zin. Deze volgorde kon echter geen meerderheid vinden. Men wilde duidelijk maken dat het gezag der Schrift van het gezag van Christus afhangt, niet omgekeerd (maar in het frans en in andere talen kan men dit verschil niet weergeven!).
4) Heel de tweede helft is toegevoegd. De triniteit wordt daar genoemd, maar niet in leerstellig, doch in lofprijzend verband. Dat stond de oosterse orthodoxie zeer aan. Minstens zo belangrijk is het feit, dat de basis nu ook de doelstelling van de Wereldraad omschrijft. Het belijden der kerken is dus geen doel in zichzelf. Dit belijden is pas als het hen dringt om hun roeping te vervullen en wel tezamen. Bij „roeping" moet men aan Ef. 4:1 denken. Men kan dit woord het best vullen met de drieslag: verkondiging-, gemeenschap-, dienst. Sommigen wilden „mission" in plaats van „calling". Maar het laatste is breder objectiever en minder activistisch.
Een belangrijke vraag is nu: hoe zal dit alles gaan functioneren in het geheel van de Wereldraad? Er zijn er, die aan opportunisme denken. Dit lijkt me niet juist. Deze verbreding van de basis-formule is er een teken van, dat, óók voor het bewustzijn van het centraal comité — aldus prof. Ridderbos — de kerken in deze tegenwoordige wereld alleen dan kracht en recht van spreken hebben, wanneer zij zich stellen op de grondslag van het geloof in de Christus der Schriften en van de klassiek-oecumenische belijdenis van de Drieënige God.
Ook prof. Van der Woude in bovengenoemde Friese Kerkbode stelt de vraag naar het functioneren van deze basis-formule.
We wachten af of dit voorstel aanvaard zal worden.
En — wat haast nog belangrijker is — welk effect de aanvaarding hebben zal. Want een basis moet functioneren.
Op een basis moet gebouwd en een goed fundament bepaalt mee de stijl van het gebouw.
Als men een prachtige basisformule zou hebben, maar niemand stoort er zich verder aan; zij bindt niet samen en scheidt niet af; zij functioneert niet zuiverend en richtinggevend, dan heeft men er weinig aan. Dan is elk woord, dat aan die zuivere formulering werd besteed, verloren tijd geweest.
En verder:
Voorlopig zijn we echter dankbaar voor de scherpere omschrijving, die in het voorstel van het Centraal Comité wordt gegeven.
Het is een teken, dat men in de Wereldraad luisteren wil naar bezwaren, die binnen en buiten de raad leven.
We zullen nog meer dankbaar zijn, wanneer blijken zou, dat men daar niet alleen aan tegemoet komt in formuleringen, maar ook metterdaad door formuleringen, die effect sorteren".
Inderdaad — zo merkt prof. Ridderbos op in het „Gereformeerd Weekblad" van 30 sept. jl. —: op dat „effect sorteren" komt het ongetwijfeld aan.
Grondslagen kunnen voortreffelijk zijn. Als hetgeen gebouwd wordt daaraan niet beantwoordt, dienen ze meer als misleidende gevel, dan als dragend fundament.
De vraag is nu echter, wat onder dit effect sorteren van de basis-formule in de Wereldraad moet worden verstaan. Prof. Ridderbos schrijft dan over de opvatting van de gereformeerde synodes over deze zaak, een opvatting, die ook heel sterk in Herv. Geref. kring leeft en die ons daarom zoal niet afwijzend, dan toch zeer huiverend tegenover de Wereldraad doet staan.
Onze Synodes hebben tot nu toe hieronder verstaan: zolang de basis-formule niet in staat is kerken van meer of minder vrijzinnig signatuur, zoals er bijv. zovele in Amerika zijn, buiten de Wereldraad te houden, biedt de basis voor ons geen enkele waarborg.
Van de zijde van de Wereldraad is hierop echter steeds geantwoord:
Het is niet billijk ons werk als Wereldraad te beoordelen naar wat er in de bij ons aangesloten kerken wel gezegd en gedaan, beleden of geloochend wordt. Gij moet ons beoordelen naar hetgeen wij als Wereldraad zelf zeggen en doen, publiceren en propageren. Als gij kunt aantonen, dat in dit eigen leven en werken van de Wereldraad iets geschiedt, dat met de belijdenis van Jezus Christus als God en Zaligmaker in strijd is, dan hebt gij recht en reden om tot ons te zeggen: uw grondslag sorteert geen effect. Maar zolang gij in ons eigen leven als Wereldraad een zodanige verloochening van de grondslag niet kunt aanwijzen, hebt ge geen recht ons te veroordelen op grond van wat gij in de bij ons aangesloten kerken afkeurt.
Prof. Ridderbos meent, dat in beide redeneringen waarheid schuilt, zowel wat betreft de bezwaren tegen de Wereldraad als de repliek daarop van de kant van de Wereldraad.
Om een wat sterk beeld te gebruiken (waarbij men vooral op het tertium comparationis moet letten!): als een groep van notoire dronkaards een geheel-onthouders-vereniging opricht en op de vergaderingen van die vereniging enkel thee drinkt, doch thuis ieder voor zich het oude dronkemansleven vrolijk voortzet, zal niemand deze geheelonthouding geheel serieus kunnen nemen. In dit licht moet men de argwaan van vele orthodoxe kerken tegen de Wereldraad zien. Men moet zich niet verbazen, dat kerken, die (als bijv. de nederlands gereformeerde of de confessionele amerikaanse kerken) zelf in de strijd tegen het liberalisme en de vrijzinnigheid gedwongen werden op zichzelf te staan, wel wat raar opgekeken hebben, toen zij al deze all-inkerken plotseling onder de orthodoxe banieren van de Wereldraad vergaderd zagen; men moet zich ook niet verwonderen, dat zij toen niet aanstonds bereid waren tesamen met die alle zich onder deze banier te verenigen. En degenen, die onder ons of buiten ons wat medelijdend neerzien op het bekrompen gereformeerde standpunt en er wat uit de hoogte over schrijven, geven daarmee ongewild een duidelijk bewijs, dat zij van de strijd voor de waarheid, waardoor onze kerken op zichzelf zijn komen te staan, nog nooit iets begrepen hebben.
Hier staat echter tegenover, dat anderzijds niemand zich op de duur zal kunnen onttrekken aan de eis, die Wereldraad stelt, dat
hij, voor wat de ernst en het effect van zijn grondslag aangaat, beoordeeld wenst te worden naar zijn eigen optreden en niet naar dat van de in de Wereldraad participerende kerken. Dat wil niet zeggen, dat er tussen beide geen verband zou zijn. Men kan geen stevige vuist maken met zieke vingers.
En verder:
Toch is het met de waarheid in strijd, wanneer men het voorstelt alsof de Wereldraad eigenlijk niet anders is dan een afspiegeling van de dubbelzinnigheid, waarmee in vele kerken met de christelijke belijdenis wordt omgegaan. Veeleer is het zo, dat in de Wereldraad het centrale bijbelse getuigenis, zoals dat in de grondslag tot uitdrukking is gebracht, van overwegende betekenis is. Bij meer dan een gelegenheid is duidelijk gebleken, dat in het beraad van al deze kerken en in de wijze waarop daaraan uitdrukking is gegeven in uitspraken en conclusies, de positieve krachten domineerden en de bijbelse grondslag een niet te passeren grenslijn bleek te zijn voor wat de Wereldraad al dan niet voor zijn rekening wenst te nemen.
In diezelfde lijn ligt ook de thans voorgestelde aanvulling van de basis-formule:
dat men thans uitdrukkelijk aan de woorden: „Jezus Christus God en Zaligmaker" wil toevoegen: naar de Schriften bewijst nog eens te meer, dat de centrale commissie over de bijbelse normering van de grondslag geen twijfel wil laten bestaan en alzo aan het Christelijk fundament van wat door en in de Wereldraad geschiedt niet geknoeid wil zien. '
Moet en kan nu iedere kerk in de wereld zich dus bij de Wereldraad aansluiten? Dienen wij onze huiver en onze reserves te laten varen?
Wij zijn het eens met prof. Ridderbos, als hij concludeert:
Van de Wereldraad geldt niet, dat zij de kerk is van Jezus Christus, waarbij een ieder gehouden is zich te voegen. Hij is immers juist géén kerk of super-kerk, maar een raad van kerken, waaraan men al dan niet kan deelnemen. Bezwaren daartegen zijn niet uit de lucht gegrepen. Het valt niet te ontkennen, dat in de Wereldraad dikwijls een bepaalde theologie bovendrijft, dat er ook in de politieke uitspraken van de Wereldraad tendenzen zijn, die de (of althans vele) nederlandse gereformeerden niet bereid zijn voor hun rekening te nemen.
En de Herv.-Gereformeerden ook zeer beslist niet!
Maar dit neemt niet weg, dat wij een billijk oordeel moeten vellen over de principiële positie, die de Wereldraad temidden van alle kerkelijke verdeeldheid inneemt. Die positie is niet te kwalificeren als gereformeerd in de historische zin van het woord. Maar die positie is ook niet die van een van het evangelie afvallige kerkelijke beweging. Het is die van een beweging, die een zo groot mogelijk aantal Christelijke kerken rondom de op haar bijbelse kern geconcentreerde belijdenis van de persoon van Jezus Christus wil vergaderen en van daaruit tot een meer eendrachtige positiebepaling wil komen van de kerk in de wereld. Een poging, die het eigen zelfstandig leven der kerken in haar historische situatie in de verschillende landen nooit zal kunnen vervangen. Een poging ook, die naarmate zij méér wil omvatten en verder wil grijpen, ook meer de betrekkelijkheid van haar eenheid en van haar kracht zal openbaren. Niettemin óók een poging, die voorzover daarin de diepste eenheid van de Christelijke kerk aan de dag treedt, van kerkhistorische betekenis zal blijken te zijn en die daarom, waar die enigszins mogelijk is, niet alleen de kritiek, maar ook de steun verdient van degenen die deze diepste eenheid van de kerk ter harte gaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's