De belijdenissen van Augustinus
Zijn de belijdenissen waarheidsgetrouw?
4
Misschien kijkt u van deze vraag een beetje vreemd op. U kunt zich eenvoudigweg niet indenken, dat iemand de euvele moed zou opbrengen om een zo voortreffelijk dienstknecht des Heeren van onoprechtheid te beschuldigen. Ik kan u geruststellen. Hoewel namelijk ook Gods kinderen zich nog soms aan onoprechtheid schuldig maken en die mogelijkheid dus ook bij Augustinus te overwegen zou zijn, is bij mijn weten niemand zover gegaan.
Er is echter iets anders: U weet wel, dat wij allemaal geneigd zijn om voorvallen en gemoedsaandoeningen van vroeger te zien door de bril van nu. Ja, het is zelfs zo, dat het haast onmogelijk is om deze dingen nu zo te beleven, zoals wij ze vroeger beleefd hebben. Het gevolg is, dat wij er onbewust toe komen om te gaan doen, alsof wij iets toen zo ervaren hebben, zoals wij het in werkelijkheid nu ervaren. Heeft dit psychisch verschijnsel Augustinus misschien ook parten gespeeld? Deze mogelijkheid zou wellicht nooit geopperd zijn, als er niet een tegenspraak scheen te bestaan tussen de Belijdenissen enerzijds en een paar andere geschriften van Augustinus anderzijds.
Wat is namelijk het geval? Na zijn bekering trok Augustinus zich met zijn zoon en enkele vrienden terug op het landgoed van Verecundus te Milaan, Cassiciacum genaamd, om zich daar als catechumeen op de Heilige Doop voor te bereiden. Ze brachten daar de tijd voornamelijk door met het houden van wijsgerige gesprekken zoals „over het godzalige leven". Deze gesprekken nu zijn bewaard gebleven. Als men ze echter leest, dan wordt men lichtelijk teleurgesteld. Is dit de taal van iemand, die nog in het eerste vuur van zijn bekering is? Die wijsgerige vertogen ...: zijn dat de vruchten van het pas ontluikende geloof?
Augustinus heeft daar later kennelijk iets van gevoeld. Zo merkt hij dan ook in het negende boek 1) van zijn Belijdenissen ten aanzien van dat wetenschappelijk werk, daar op Cassiciacum verricht, op: „waarin ik wel reeds U diende, maar dat toch nog schoolse hovaardij ademde, zoals wanneer men na ingespannen lopen nog zit te hijgen".
Intussen tekenen de Belijdenissen zelf 2) een geheel ander beeld van Augustinus, zoals hij in die dagen was. Lees bijvoorbeeld een woord als dit!: „Hoe riep ik tot U bij het lezen van die psalmen en hoe ontvlamde ik door hen tot U en hoe werd ik aangevuurd om hen, als ik had gekund, te zingen voor de gehele wereld tegen de trots der mensheid!" 3). Of wat denkt u van het volgende: „Ik huiverde van vrees en tegelijkertijd gloeide ik van hoop en vreugde in Uw barmhartigheid. Vader"? 4).
De bekende dogmenhistorici Von Harnack en Boissier en vele andere geleerden kwamen dan ook tot de slotsom — het was omstreeks de eeuwwisseling —, dat hier een volkomen verschillend beeld van de pas bekeerde Augustinus getekend wordt en dat wij aan het beeld van de cassiciacische geschriften de voorkeur moeten geven, omdat zij uit die tijd zelf stammen. De Belijdenissen tekenen Augustinus echter, zoals hij zichzelf later gezien heeft.
Is dat waar? Augustinus zelf heeft nooit aan de betrouwbaarheid van zijn Belijdenissen getwijfeld, ondanks het feit dat hij ze later nog menigmaal gelezen heeft 5). Zo schrijft hij in een geleidebriefje aan zijn vriend Darius: „Geloof daarin (d.i. in de Belijdenissen) omtrent mij niet anderen, maar mijzelf 6). En in zijn Nalezingen 7), een werk geschreven drie jaar voor zijn dood, waarin hij zijn geschriften op een kritische wijze bespreekt, heeft hij slechts twee aanmerkingen. Daarin maakt hij er echter geen gewag van, dat hij zijn verleden niet zuiver zou hebben gezien.
En toch was Augustinus een man van grote waarheidsliefde 8). Het lijkt dus niet erg waarschijnlijk, dat Von Harnack cs. gelijk had.
Wat is dan echter de oorzaak van deze schijnbare tegenspraak? Wel, om te beginnen dragen de cassiciacische geschriften enerzijds en de Belijdenissen anderzijds een volkomen verschillend karakter. De eerste gaan over wijsgerige onderwerpen; de tweede mede over de geloofservaringen, die Augustinus heeft opgedaan. Was hij nu nog niet in staat om in zijn wetenschappelijke arbeid de warme toon van Gods Woord te treffen, dat wil niet zeggen, dat datgene wat hij nog niet wetenschappelijk kon formuleren niet leefde in zijn hart. Misschien moeten wij daarom zeggen, dat hij juist later beter in staat was om zijn gemoedsaandoeningen van toen te peilen dan midden in het eerste vuur der bekering. Wat er toen in zijn hart leefde blijkt overigens ook wel uit de cassiciacische geschriften, en wel uit het gebed, dat ons in het boekje Alleenspraken bewaard is 9). De vermeende tegenspraak blijkt dus niet meer dan schijn te zijn geweest.
De aanhef 10).
„Groot zijt Gij, o Heere, en zeer te prijzen; groot is Uw kracht en Uws verstands is geen getal" 11). Met deze indrukwekkende psalmwoorden begint Augustinus zijn lofprijzing. We gevoelen echter onmiddellijk, dat wij hier niet met een doodgewoon auteurstrucje te maken hebben. Integendeel, deze woorden zijn in de kerkvader vlees en bloed geworden. God prijzen ...: Het is zijn lust en zijn leven. Sedert hij tot bekering gekomen is, is hij zonder dat eenvoudigweg niet meer denkbaar.
Het is intussen zijn diepgewortelde overtuiging, dat in diepste wezen ieder mens die aandrang bezit om God te prijzen. Die begeerte mag sluimeren op de bodem van zijn ziel, zij mag zich slechts uiten in een blind geluksstreven, zij is echter aanwezig. God Zelf heeft ze de mens ingeschapen. „Gij hebt ons geschapen tot U", zegt Augustinus, „en ons hart is onrustig, tot dat het rust vindt in U".
Is dit misschien een „actuele prediking" voor onze tijd? Een golf van onrust gaat er door de wereld heen. In veler hart woont een diepe onvrede. Is dit wellicht de oorzaak, dat de mens aan God Zijn eer onthoudt, terwijl toch in het prijzen van God zijn enige levens-mogelijkheid is gegeven? Augustinus is zich overigens terdege bewust geweest, dat het geprezen worden van God door de mens allerminst een vanzelfsprekendheid is. Zo horen wij dan ook de donkere ondertoon, dat de mens sterfelijk is en schuldig aan zondige hoogmoed, in zijn lofprijzing meeklinken. Ja, juist die donkere ondertoon geeft aan zijn lofprijzing een ongemeen diepe klank. Nu laat hij namelijk — terwijl hij zelf door diepe verwondering wordt aangegrepen — zien, hoe God in de harten van hoogmoedige zondaren, bij wie men allerminst de lof des Heeren verwacht, de lofprijzing wakker roept. En hoe doet God dat? Het begon met de menswording van Gods Zoon. Die is inhoud en mogelijkheid der prediking. De prediking op haar beurt wekt het geloof, d.i. het buigen voor het gezag der Schrift 12). Het geloof doet de mens zoeken en aanroepen. Maar: „Wie zoekt die vindt". Zo wordt dus het zoeken en aanroepen gevolgd door vinden en kennen. En Vide God heeft leren kennen, die moet wel in lof uitbreken.
1) Conf. IX, 7.
2) Conf. IX, 7-12.
3) Conf. IX, 8.
4) Conf. IX, 9.
5) Zie Retractationes II, 32: „De dertien boeken mijner Belijdenissen ... wekken het verstand en het gemoed der mensen tot God op; wat mij aangaat: zij hebben dit in mij gewerkt, toen ze geschreven werden, en zij werken het, wanneer ik ze lees".
6) Epistula 231, 6.
7) In dit werk doet de kerkvader geen enkele poging om zijn werken te rechtvaardigen. Zo zegt hij bijvoorbeeld van een bepaalde uitdrukking in het vierde boek van zijn Belijdenissen, dat het meer een oppervlakkige en gezwollen uitdrukking is dan een ernstige belijdenis. Hij heeft dus de geestelijke moed om zichzelf te corrigeren.
8) In Conf. VIII, 19 zegt Augustinus bijvoorbeeld: „Ik zei iets dergelijks". Wat hij precies tegen Alypius gezegd heeft is hem n.l. niet meer bekend en hij wil niet de schijn wekken, dat hij het nog wel nauwkeurig weet. Hoe benauwd was hij trouwens ook blijkens Epistula 231, 6 niet, dat hij geprezen zou worden boven hetgeen hij was!
9) Solil. I, 5, 6.
10) Conf. I, 1-6.
11) Een combinatie van Psalm 145: 3a en Psalm 147 : 5b. Augustinus gebruikte een oude latijnse vertaling, die weleens afweek van de grondtekst. De bisschop van Eome Damasus (366- 384) heeft door Hieronymus in de jaren 390 tot 404 een nieuwe vertaling in het latijn vanuit de grondtekst laten maken, nu nog bekend als de Vulgata. Aanvankelijk had Augustinus nogal bezwaar tegen deze „nieuwe vertaling". Later maakte hij er zelf gebruik van.
12) Die betekenis had het geloof in de theologie van Augustinus. Wat wij „geloof" noemen werd door Augustinus gedeeltelijk als liefde en hoop aangeduid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's