EEN JONGELING, GENAAMD SAULUS
En Saulas had mede een welbehagen aan zijn dood. Handelingen 8 : la.
Stephanus is de eerste Christen geweest, die de dood heeft moeten smaken omwille van zijn geloof. Zijn naam staat aan het begin van die lange rij van martelaren, die in de loop der eeuwen op even gruwzame wijze met hun bloed hebben moeten bezegelen, wat zij beleden. De gegevens, die de Schrift ons omtrent zijn persoon en zijn plaats binnen de gemeente van Christus heeft nagelaten, zijn van dien aard, dat daarover tot op de dag van vandaag toe veel gediscussieerd en veel geschreven is.1). Zij laten ons niet toe ons daarvan een beeld te vormen, dat tot in alle détails geheel en al duidelijk is. Daar blijven leemten, die bij gebrek aan informatie-materiaal niet op te vullen zijn. Dat is, dunkt ons, niet zo verwonderlijk, wanneer gelet wordt op het doel, dat de Schrift voor ogen staat. Met name in de Handelingen der apostelen gaat het niet in de eerste plaats om wat de apostelen gepresteerd hebben. In dit opzicht is de titel van dit Bijbelboek enigszins misleidend. Het gaat immers primair om wat de verhoogde Christus door Zijn Geest heeft tot stand gebracht. 2). Van dat werk van Christus staat het vol en spreekt het op iedere bladzijde. Vandaar dat de persoon en de arbeid van de dienstknecht slechts in zoverre ter sprake komen, als zij dienstbaar zijn aan de verkondiging van de deugden van de Meester. Niet de mens neemt de centrale plaats in, ook niet de apostel, maar de levende Christus en hetgeen Hij vanuit de hemel hier op aarde tot aanzien roept. Anders gezegd: de figuur van de dienaar is alleen belangrijk, voor zover er de Naam des Heeren door verheerlijkt wordt. Onbegrijpelijk is het dus niet, dat van Stephanus en zijn functie binnen de eerste Christelijke gemeente niet zo veel wordt medegedeeld, als wij uit historisch oogpunt wel zouden wensen.
Gaan wij na wat wij van hem weten, dan komen wij hem het eerst tegen in Handelingen 6, waar hij met name in het vijfde, achtste, en negende vers genoemd wordt. Dit hoofdstuk plaatst ons midden in het leven der oudste gemeente. Van belang is de opmerking, dat destijds het aantal discipelen talrijker werd. Daar kwamen dus meer gelovigen. Want in die zin wordt het woord discipel in de Handelingen gedurig gebruikt, waarbij dan de nadruk minder op het leren dan wel op het volgen van de Heere in geloof en gehoorzaamheid valt. 3). Doch dit slechts terzijde. De eigenlijke bedoeling van deze opmerking van Lukas blijkt te zijn, dat met het toenemen van 't aantal gelovigen ook de problemen zich gaan vermenigvuldigen. Ook in die tijd schijnt de gemeente geen volkomen tevreden en volmaakte gemeente te zijn geweest.
Net zo min als heden ten dage. Wij lezen, dat er murmurering, gemor, ontstond. Murmurering doet zich daar voor, waar men het niet eens is met een bepaald beleid, en waar protest aangetekend wordt tegen de gang van zaken, omdat men zich benadeeld voelt.''). Zulks was ook het geval in Jeruzalem onder de eerste Christenen. Twee groepen kwamen lijnrecht tegenover elkaar te staan. Aan de ene kant de „Grieksen"; en aan de andere kant de „Hebreeën". Het gemor zelf vond zijn oorsprong bij de „Grieksen". Het is wel zeker, dat met deze beide aanduidingen op Christenen van Joodse afkomst gedoeld wordt. Zij worden echter van elkaar onderscheiden naar aanleiding van hun oorspronkelijke woonplaats. Met „Grieksen" bedoelt Lukas die Joden-Christenen, die uit het buitenland gekomen waren, wier taal het Grieks was, en wier opvoeding temidden van het hellenistische cultuurleven plaats gevonden had; terwijl de „Hebreeën" bekeerde Joden uit Palestina geweest zijn, die voomamelijk het Aramees spraken, dat toenmaals de gewone volkstaal in Palestina was. De oorzaak van de onenigheid was gelegen in de dagelijkse bediening van de weduwen der „Grieksen". Deze zouden daarbij verwaarloosd zijn. Zij werden niet verzorgd zoals de weduwen van de andere groep.
Op voorstel van de twaalf apostelen zal het conflict worden opgelost door de aanstelling van zeven mannen, kennelijk uit de „Grieksen". Terwijl de apostelen zelf zich zullen houden aan het gebed en aan de bediening van het Woord, zullen deze zeven in het bijzonder de tafeldienst hebben te verzorgen. Dit bedienen van de tafelen bestond waarschijnlijk uit het zorgen voor de liefdemaaltijden, de agapai, gelijk die onder de eerste Christenen gebruikelijk waren, als het Heilig Avondmaal gevierd was. 5). De maatstaf, waaraan deze zeven mannen zouden moeten beantwoorden, hebben de twaalven ook aangegeven: men zou moeten omzien naar mannen, die goed bekend stonden en vol des H. Geestes en der wijsheid waren. Eén van de zeven, die dan gekozen worden, is Stephanus, „een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes". Reeds zijn Griekse naam duidt er op, dat hij tot de Christenen uit de hellenistische Joden behoorde. Merkwaardig is, dat in dit gehele Schriftgedeelte het woord diaken niet voorkomt. Wel vinden wij er het werkwoord diakonein, waarvan diaken afgeleid is. Dit heeft aanleiding gegeven tot allerlei gedachten over het ambt, dat de zeven mannen met gebed en oplegging der handen werd toebetrouwd. 6). Hoe dit ook zij, Stephanus zélf heeft zijn bediening niet beperkt gezien tot liet bedienen van de tafels der liefdemaaltijden alléén. Hij heeft ook met het Woord gewerkt, en wonderen en grote tekenen onder het volk gedaan. Daarbij stuitte hij op tegenstand. Buitenlandse Joden, die aan de overlevering der vaderen vasthielden, gingen twistgesprekken met hem aan. „En er stonden sommigen op, die waren van de synagoge, genaamd der Libertijnen, en der Cyreneeërs, en der Alexandrijnen, en dergenen, die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stephanus". Zó luidt het bericht, dat ons daaromtrent inlicht.
Evenals in onze dagen, 7) waren de Joden te Jeruzalem dus ook toenmaals in synagogen verdeeld. Dat de streek, waaruit zij afkomstig waren, bij die verdeling een aanzienlijke rol speelde, blijkt uit dit gegeven. Op de Libertijnen na, hebben alle namen betrekking op steden en landstreken buiten Palestina, waar zich Joden in de verstrooiing gevestigd hadden. Dat zij zich te Jeruzalem met landgenoten tot één synagoge verenigden, is zeer begrijpelijk. Wat echter de Libertijnen betreft, zij zijn wellicht vrijgelatenen geweest; Joden, die in slavernij verkeerd hadden, maar die hun vrijheid teruggekregen hadden. 8). Vrijlating van gewaardeerde slaven vond in die dagen veelvuldig plaats. Van belang is het, dat onder degenen, die met Stephanus geredetwist hebben, ook Joden uit Cilicië vermeld werden. Bij hun synagoge zal ook Saulus van Tarsen aangesloten geweest zijn. Cilicië was immers zijn vaderland. En Tarsus was er de hoofdstad van. Dat maakt het verklaarbaar, waarom deze jonge Farizeeër bij het proces en de terechtstelling van Stephanus tegenwoordig geweest is. Zijn synagoge was er bij betrokken. Zijn landslieden kwamen tegen Stephanus in het geweer, hoewel zij niet bij machte waren de wijsheid en de Geest waardoor hij sprak te wederstaan. Goed gezien, is dat de reden geweest, waarom „een jongeling, genaamd Saulus", met het Christendom in contact kwam: zijn synagoge keerde zich tegen hetgeen Stephanus leerde. Jammer, dat het woord jongeling (neanias) in het Grieks zo onbepaald is, dat het een man tussen 24 en 40 jaar kan typeren.9). Anders hadden wij hier een prachtige aanwijzing voor zijn leeftijd gehad. Niettemin geeft het ons een indruk, in welke levensfaze Saulus zich bevond, toen hij in Stephanus met de gemeente van Christus in aanraking gebracht werd.
1) Cf. o. Cullmann: „Die christologie des Neuen Testaments", Tubingen, 1957, S. 330; A. Powell Davies: „The first Christian", New York, 1959, p. 181; A. M. Brouwer: „N.T. met aantekeningen", Leiden, 1948, op Hand. 6 vers 6.
2) Cf. H. A. Wiersinga: „Perspectief in het N.T.", Baarn, z.j., p. 61 v.v.
3) Cf. F. J. Pop: „Bijbelse Woorden en hun geheim", Den Haag, 1958, deel II, p. 106 v.v.
4) Het woord, hier gebruikt, wordt in de Septuaginta ook gebezigd voor het murmureren van Israël tijdens de reis door de woestijn.
5) Cf. 1 Cor. 11: 21, 22 en Judas vers 12. Tertullianus (+ 200 na Chr.) schrijft: „Is het nu zo wonderlijk, dat zulk eten liefde, als bij ons gevonden wordt, ons er toe brengt samen te eten? Onze maaltijd toont in zijn naam reeds wat hij inhoudt: men noemt hem agapè, met een Grieks woord, dat liefde betekent. Welke de kosten hiervan ook wezen mogen, wij geloven, dat het winst is om zich in naam der vroomheid uitgaven te getroosten, daar wij met die verklaring allen, ook de armen, gedachten Men plaatst zich niet eerder aan tafel dan nadat men zich door het gebed tot God verkwikt heeft; men eet, zolang men honger heeft; men drinkt, zoals het eerbare mensen betaamt. Men verzadigt zich als degenen die weten, dat zij ook des nachts God moeten aanbidden. Men spreekt in het bewustzijn, dat God hoort. Nadat men zich de handen gewassen heeft en de lichten ontstoken, wordt ieder uitgenodigd om Gods lof te verkondigen, hetzij uit de H. Schriften of zoals het hart hem ingeeft. De maaltijd eindigt, zoals hij begonnen is, met gebed". (Apologie, cap. 36).
6) Cf. A. M. Brouwer: „De Kerkorganisatie der eerste eeuwen en wij", Baarn, z.j., p. 35 v.v. A. Powell Davies, o.c, p. 25.
7) Cf. P. Huigens: „Israël", Baarn, z.j., p. 106 v.v.
8) Cf. A. Sizoo: „Uit de wereld van het N.T.", Kampen, 1948, p. 129.
9) Cf. W. Bauer: „Wörterbuch zum N.T.", Berlin, 1952, s.v.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's