De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

11 minuten leestijd

Vervolg Hebreeën 4 vers 4—6.

17

Ditmaal willen wij nog nader ingaan op de betekenis van dit Schriftgedeelte voor ons kerkelijk en geestelijk leven, nu.

Wij stellen nog eens het feit voorop, dat de gemeente des Heeren, zolang zij hier op aarde verkeert, een gemengde schare is. Wat komt de Heere met rijke gaven tot haar in de prediking van het Woord en in de belofte en werking van de Heilige Geest! Maar is het niet zo, dat er in de gemeente nog altijd kunnen zijn, en er inderdaad ook zijn, die te vergelijken zijn met diegenen, die de schrijver van de Hebreeënbrief op het oog heeft?

Het Woord blijft ook in hun leven niet zonder werking, hun verstand en inzicht werd verlicht. Zij zijn zeker niet zonder kennis, wat betreft de inhoud van het Woord en de geestelijke dingen. Zij smaakten en proefden iets van de geestelijke gaven. Zij bleven niet zonder innerlijke ontroeringen en ervaringen. En ook bleven zij niet geheel vreemd aan de krachten der toekomende eeuw. De één heeft de gave van het woord, de ander de gave van het gebed, een derde weer iets anders. En toch wordt de waarachtige bekering, het zaligmakend geloof, gemist.

En nu verkeren nóg juist die mensen in een bijzonder gevaar. Nog dreigt bij hen, als zij zo voortgaan en er geen verandering ten goede optreedt, het gevaar, dat zij uiteindelijk afvallig worden. Dit kan in meerdere vormen optreden. Bv. de levensomstandigheden wijzigen zich en wat het tijdelijke leven biedt, gaat toch weer meer bekoren en trekken. Of er moeten in de dienst des Heeren te grote offers gebracht, én.... de Naam des Heeren wordt verloochend. Ja, terwijl verschillende factoren een rol kunnen spelen in de ontwikkeling van dit proces, groeit er binnen in hen iets, dat tenslotte leidt tot algehele verhardheid; de ontvankelijkheid voor het Woord klapt als het ware weer toe, de gevoelens en gedachten daaromtrent slijten uit en verdwijnen uiteindelijk geheel. En nieuwe vermaningen tot bekering en geloof worden beantwoord door pure vijandschap en haat! En wat ook zij op die manier doen is de Zoon Gods opnieuw kruisigen en te schande maken. En het oordeel voltrekt zich ook over die levens: de mogelijkheid tot echte bekering verdwijnt al meer. Zij worden overgegeven en gaven zichzelf over aan de totale verharding van hun hart. 't Zal altijd voor óns een moeilijke zaak blijven, vast te stellen, wanneer bij iemand dat punt en die gesteldheid zijn bereikt. Wanneer is het zover, dat de mogelijkheid tot waarachtige bekering is afgesneden, wanneer is God bezig dat oordeel over iemand te voltrekken? Hoelang blijft nog de mogelijkheid tot echte bekering open?

Beter dan hier verder over te theoretiseren, is, dat wij persoonlijk de waarschuwing ter harte nemen, welke in dit Schriftgedeelte ligt opgesloten. De schrijver van de brief had in zijn dagen te maken met een gemeente, welke in die tijd stond midden in bepaalde gevaren, die haar als gemeente bedreigden. Altijd staat de gemeente Gods in een gevarenzone. Wij weten, welke het in deze tijd zijn. Ook thans zijn er de gevaren van vervolging en verdrukking in de letterlijke zin des woords. En deze brengen in de gemeente de mogelijkheid van afval mee. Hoe zullen, als dit vuur té na wordt aangelegd en té heet wordt, degenen, die het waarachtig geloof missen, staande blijven? Doch, de welvaart en de geest des tijds, waar wij midden in staan, leveren die ook geen groot gevaar in dit opzicht? Is het niet zo, dat daarin een grote verzoeking komt tot ons allen en dat deze verzoeking te sterk is voor hen, die wij rangschikken moeten onder degenen, die in Hebreeën 6 vers 4 en 5 genoemd worden? Die dat alles, daar genoemd, in bepaalde zin, bezitten, doch niét meer dan dat, kunnen door die verzoeking meegesleept worden, weer ondersteboven gaan en afvallig worden met al die ernstige gevolgen van dien!

Het is goed, hier te zeggen, wat dan dat „meer" is, wat zij missen. Dat is dus juist de waarachtige bekering en het zaligmakend geloof. Dat is dus juist datgene, waarin deze uitkomen! Mogen wij ook hier daarvan iets noemen? Dat het maar niet blijft bij verstandelijke kennis, doch dat het komt tot een verbrokenheid van hart onder de kennis, die als een doorleven daarvan wordt, van zijn zonden en schuld voor God! Dat het maar niet blijft bij wat ontroering en innerlijke bewogenheid, doch dat het komt tot een oprecht aanvaarden, dat men persoonlijk het oordeel Gods rechtvaardig verdient! Dat het maar niet blijft bij het bezit van wat geestelijke gaven, wat juist tot zelfverheffing leiden kan, doch dat het komt tot de tollenaarsgestalte. Dat het maar niet blijft bij wat enthousiasme en ijver voor de dienst des Heeren, doch dat het komt tot die liefde des harten voor Christus, welke alles „schade en drek" leert achten, om Hem te gewinnen! Dat men niet, bij alles wat men bezit en waarvoor men zich uitgeeft, toch nog vrede heeft in zijn eigen werken en gerechtigheden, doch dat men het alleen nog maar vinden kan in Christus' werk en gerechtigheid! Dat niét het eigen ik toch nog ongebroken, op de troon zit, doch dat men de wil des Heeren Hef heeft gekregen met een onbaatzuchtige liefde!

Bij hen die dit „méér" blijven missen, kan eens datgene, waarvan Hebreeën 6 vers 4—6 spreekt, realiteit worden. De verzoekingen daartoe zijn ook in onze tijd maar al te zeer voorhanden!

Wél past ons de rechte zelfbeproeving, hoe het in deze in ons hart en leven staat. Waarbij wij dan bedenken, dat de rechte zelfbeproeving nooit alleen maar opgaat in een „op eigen houtje" wroeten in ons zieleleven. Doch dat ze tegelijkertijd is een overwegen, dat wij de waarachtige bekering en het oprechte geloof nooit uit ons zelf hebben, dat deze een bijzondere gave van de Heilige Geest zijn, en dat de Heere die bijzondere gave nog beloofd heeft. De rechte zelfbeproeving geschiedt daarom nooit door ons alleen, op „ons eigen houtje", maar met zijn tweeën, voor Gods aangezicht. Het is altijd weer een erkennen voor dit aangezicht, dat de Heere nog beter weet dan wijzelf, wat wij missen, maar zo ook is het altijd weer een smeken of Hij Zelf werken wil in ons hart en leven, wat nodig is tot zaligheid. Wie denkt hier niet aan de bede uit Psalm 139: „Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten; en zie, of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg"?

Nu komen wij er nog weer op terug, dat degenen, over wie het. gaat in Hebreeën 6 vers 4—6, niet oprecht gelovigen zijn, doch anderen. Dit wil echter niet zeggen, dat dit gedeelte hen, die door genade het leven des geloofs mogen kennen en het oprechte geloof mogen beoefenen, niets heeft te zeggen. Kunnen zij dit gedeelte naast zich neerleggen en zeggen: „wij zullen immers toch nooit zo afvallig worden? " Neen, zó ligt de zaak toch niet.

Laten wij er acht op geven, dat de schrijver van de Hebreeënbrief deze verzen richt tot de gemeente in het algemeen. Wel bedoelt hij stellig in dit gedeelte bepaalde mensen, maar hij zet dezen niet apart. Wel heeft hij hén bepaald op het oog, doch hij spreekt de gehele gemeente als zodanig aan, en ook de waarachtig gelovigen vallen daar niet buiten. Hij zegt tot hen niet: „Dit gedeelte is niet voor u, daar hebt u helemaal niets mee te maken". Neen, ook zij hebben met wat hij hier schrijft, te maken!

Echter, nu rijst de vraag: in welke zin hebben zij daar mee te maken? 't Is dus niet zo, dat zij inderdaad weer afvallig kunnen worden. Gods genade en trouw bewaren hen daarvoor. Maar dat betekent toch ook weer niet, dat zij bij zichzelf zouden kunnen zeggen: „wij komen nooit meer tot die afval, de genade en trouw van God staan daar borg voor, wij hebben nu met die mogelijkheid van afval niets te maken, en zelfverzekerd en hoogmoedig, met een valse innerlijke rust zich van die anderen zouden kunnen onderscheiden.

Zo is het stellig niet. Maar de zaak ligt zó, dat zij hebben te bedenken: er is een afvallen mogelijk en hoe staat het, wat dit betreft, als ik zie op wat nog leven kan in mijn eigen hart en op wat de Boze nog kan proberen in mijn leven en op andere gevaren, welke mij nog bedreigen kunnen? Ligt het dan zo vast, dat ik nooit meer zou kunnen afvallen? Ben ik dan zekerder van mijzelf, dan de anderen? Stellig moeten dan ook de waarachtig gelovigen vrezen. En leert de ervaring hen daarbij niet, hoe licht ook zij struikelen en vallen kunnen? Hoe gemakkelijk gebeurt dat ook in hun leven? Diep, ook in hun ziel, moet er iets leven van het besef, dat zij voortdurend wandelen als langs de rand van die mogelijkheid van de afval! Daarom komt het voor hen wel in een bijzonder licht te staan, dat zij alleen door Gods genade en trouw wél bewaard worden en dat, wat Christus voor hen verworven heeft en de Heilige Geest in hen werken wil, onverliesbare genadegaven Gods zijn. Vrezend voor zichzelf én voor de Boze en voor de gevaren, welke dreigen, moeten zij steeds weer in gelovig gebed vluchten tot de troon der genade en hun veiligheid en kracht zoeken in wat de Heere beloofd heeft en doen zal, in dié weg zijn die genadegaven Gods voor hen onverliesbaar. En dat doende, zullen zij voor zichzelf zeker zijn van die onverliesbaarheidl

En zo zien wij nu ook, hoe het staat met die volharding der heiligen. Wat ligt daar een troost in voor ieder oprecht gelovige. Doch het is nooit een zaak, waarvan hij zó maar zeker is, in de zin van „mij kan niets gebeuren". Het is nooit een zaak, waarop hij rusten kan als op een rustbed, of waarmee hij zichzelf in een valse geestelijke slaap kan wiegen: „ik ben éénmaal gegrepen en bekeerd en nu is het wel goed met mij". Het echte geestelijke leven is en leert wel anders. Neen, de volharding der heiligen is, omdat ze vast ligt in Gods genade en trouw en in Christus' werk en ia het werk van de Heilige Geest, een zaak, die de Heere als waar voltrekt in het leven van al de zijnen, juist, wanneer zij iedere keer weer opnieuw vrezend én gelovend vluchten tot Hem en hun veiligheid en kracht alleen bij Hem zoeken. Alleen zó wordt het bevestigd, dat er is de volharding der heiligen. En alleen zó worden alle oprecht gelovigen bewaard voor het gevaar van het weer afvaliig worden.

Daarom hoort de waarachtig gelovige ook naar de waarschuwing in Hebreeën 6 vers 4—6. Hij verheft zich niet in valse zelfverzekerdheid, doch wetend, welke gevaren dreigen, bidt hij temeer of hij mag schuilen onder dié vleugelen, waar hij alleen echt veilig en wel bewaard is! Hij bidt: „Laat niet varen de werken Uwer handen" en zo belijdt hij: „De Heere zal het voor mij voleindigen; Uw goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid"!

Tenslotte willen wij hier herinneren aan wat in de Dordtse Leerregels staat in het hoofdstuk van de volharding der heiligen: „Alzo verkrijgen zij, — de gelovigen — dan dit, niet door hun verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganselijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot het einde toe ia de val blijven of verloren gaan. Hetwelk, zoveel hen aangaat, niet alleen lichtelijk zou kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zou. Doch, ten aanzien van God, kan het ganselijk niet geschieden; dewijl noch Zijn Raad veranderd, noch Zijn belofte gebroken, noch de roeping naar Zijn voornemen herroepen, noch de verdienste, voorbidding en bewaring van Christus krachteloos gemaakt, noch de verzegeling des Heiligen Geestes verijdeld of vernietigd kan worden."

En: „Doch zo vér is het van daar, dat deze verzekerdheid der volharding de ware gelovigen hovaardig en vleselijk zorgeloos zou maken, dat zij daarentegen een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vrees, ware godzaligheid, lijdzaamheid in alle strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God; en dat de overdenking van die weldaad hun een prikkel is tot ernstige en gedurige betrachting van dankbaarheid en goede werken; gelijk uit de getuigenissen der Schrift en de voorbeelden der heiligen blijkt."

„Wanneer ook het vertrouwen der volharding wederom levend wordt in degenen, die van de val weder opgericht worden, zo brengt dat ia hen niet voort enige dartelheid of veronachtzaming der godzaligheid, maar een veel grotere zorg, om de wegen des Heeren vlijtiglijk waar te nemen, die van te voren bereid zijn, opdat zij, daarin wandelende, de verzekerdheid van hun volharding zouden mogen behouden...."

„Gelijk het God nu beliefd heeft dit Zijn werk der genade door de prediking des Evangelies in ons te beginnen, alzo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan mitsgaders door vermaningen, bedreigingen, beloften en het gebruik der Heilige Sacramenten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's