De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE Dordtse LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE Dordtse LEERREGELS

12 minuten leestijd

Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men de mens niet toeschrijven, alsof hij zichzelf door zijn vrije toil zou onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn, (hetwelk de hovaardige ketterij van Pelagius stelt); maar men moet het Gode toeschrijven. Die, gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook diezelfde in de tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekering begiftigt, en uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het rijk van Zijn Zoon overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, Die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht en opdat zij niet in zichzelf, maar in de Heere zouden roemen, gelijk de Apostolische geschriften telkens getuigen.

HOOFDSTUK III/IV

Artikel 10

Met de bekering begiftigd.

„De Heilige Geest ontsteekt in ons een waar geloof, waardoor wij Christus omhelzen" (Art. 22 N.G.B.). „Aangezien dan alleen het geloof ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt, vanwaar komt zulk geloof? Van de Heilige Geest, Die het geloof in onze harten werkt, door de verkondiging van het Heilig Evangelie en het sterkt door het gebruik der sacramenten." (Z. 25, vr. 65). „Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden" (Fa. 1 : 29). „Wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? " (1 Cor. 4 : 7). „Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof en dat niet uit u, het is Gods gave" (Efeze 2 : 8). Dit betreft het ge­loof. Geldt het nu ook van de bekering? Het is voor ieder duidelijk, dat het Evangelie tot geloof en bekering oproept. Men kan ook zeggen: tot bekering en geloof. Jezus predikte: „Bekeert u en gelooft het Evangelie" (Marcus 1:15). Paulus had gepredikt: „De bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus" (Hand. 20 : 21). Wat de volgorde betreft, kunnen wij ons het beste houden aan de opmerking van Calvijn bij Hand. 20 : 21: „Hij stelt niet de bekering in de eerste plaats, om daarmee te zeggen dat zij het geloof in alles en overal voorafgaat, daar immers een stuk der bekering uit het geloof voortkomt en er een vrucht van is. Maar (hij stelt de bekering vooraan) om dat het begin der bekering een voorbereiding tot het geloof is. Ik bedoel met Begin het mishagen aan ons zelf, hetwelk ons op het levendigst aanzet tot vrees voor het oordeel Gods en ons opwekt om het middel tegen onze rampen en kwaden te zoeken." Bij dit zelfde vers gaat Calvijn in op de betekenis van het woord betuigen. Wat hij daarover zegt is van groot belang voor predikers. Het gebeurt immers soms, dat wij wel een gereformeerde preek houden, maar zo droog als stokvis en zo koud als marmer of zo iets. Dat is heel erg, want de aard en de ernst van de zaak van het Evangelie vraagt een grote bewogenheid. Paulus heeft met tranen vermaand en Jezus weende, toen Hij de stad zag. Calvijn zegt, dat wij niet allerlei kwesties ia het Woord moeten opzoeken, maar deze twee doeleinden vast in het oog houden: bekering en geloof. „Door dit woord betuigen drukt hij een vrij grote kracht uit, alsof hij zeide, dat hij de bekering had aanbevolen met getuigen (van haar noodzakelijkheid) er bij, opdat er geen enkele verontschuldiging voor onwetendheid zou zijn. Want Paulus maakt een toespeling op de werkwijze der advocaten, die er getuigen tussen voegen om elke twijfel weg te nemen. De mensen moeten immers niet alleen worden onderwezen, maar ook moet er bij hen worden aangedrongen dat zij het heil in Christus zouden aannemen en dat zij zich aan God tot nieuwheid des levens overgeven". Het is dus van het allergrootste gewicht, dat wij predikers de schrik des Heeren weten en daarom trachten te bewegen tot het geloof. „Ontvankelijk voor de prediking zijn juist zij, die hebben leren vrezen" (Grosheide). Zo prediken Paulus en zijn helpers uit vrees voor het gericht, uit angst voor het oordeel, dat ieder mens buiten Christus zal treffen. De voortreffelijkste opleiding voor predikant zal niet baten, als wij predikers de angst voor het oordeel, de schrik des Heeren, niet kennen. Als wij dit bevindelijk kennen is de kou en de dorheid van onze preken af.

Tot bekering en geloof en nog eens bekering roept dus het Evangelie op. Dit moet gepredikt worden. Daar moet aangedrongen worden op bekering. Wat is dat? Daar zijn op deze vraag onderscheiden antwoorden gegeven, die ten dele waar zijn. Het zou gaan om berouw. Bekeert u wil zeggen: hebt berouw. Een tweede zegt: heel ons bewustzijn moet anders worden. Wij moeten anders gaan denken, gaan willen, gaan voelen. Een derde zegt: bekering roept op tot handelen. Zacheüs is een uitnemend voorbeeld van bekering. Hij maakte alles goed. Dat hij te belust op geld was geweest, maakt hij goed door het verworvene zoveel mogelijk weg te geven. En wat hij door bedrog binnen gekregen heeft, wil hij vierdubbel wedergeven. Bekering is: boete doen. Een vierde zegt: bekering is een radicale omzetting, een volkomen verandering in de verhouding tussen God en mens. Mij dunkt: bekering is wel zo'n diepingrijpende totale verandering en omkeer, dat zij al deze dingen tegelijk is. Bekering is, dat wij sterven aan ons zelf en ons met heel ons bestaan en wezen tot God wenden. Het is een verandering in onze verhouding tot God. De zondige mens gaat voor God beven. Hij gaat God zoeken. Hij gaat naar Gods wil vragen en daarom alles, wat met 's Heeren gebod strijdt, verlaten. Om te beginnen wordt de mens van binnen niet heiliger, maar hij komt anders tegenover God te staan. Voorts is het alles wat wij hierboven noemden. Deze begin-bekering is niet, dat de mens zich beter maakt om daardoor vergeving te ontvangen. Het is veel meer dat lage bukken voor God om te betuigen, dat wij te zondig zijn om ooit enig recht op goedgunstigheid te hebben en dan te bedelen om vrije genade. En de voortgang der bekering is ook niet, dat de zondaar nu genade gaat verdienen. Hij blijft zijn leven lang een zondaar. Doch op het ogenblik, waarin hij in Christus werd ingelijfd en de gerechtigheid van de Borg ontving, veranderde de gelovige van koning. Eerst was de zonde heer en meester in zijn leven. De zonde wordt nu onttroond. Hij wordt nu onderdaan van de Geest van Christus. Daarmee wordt de gelovige uit de macht der duisternis verlost.

Ook dat is een gave Gods. Wij werken daarin veel, maar in de grond werken wij toch niet mee, maar tegen. En wie het eigendom van Christus is mag weten, dat Christus hem uit alle heerschappij der zonde verlost heeft. Wanneer Christus een ziel aangrijpt, wordt het hart vrijgesteld van en gekeerd tegen de zonde. Als de zondaar afgesneden wordt van de oude Adam, heeft hij geleerd zichzelf te verloochenen. Doordat de Geest Gods de zondaar Christus deed omhelzen, werd de vereniging ontbonden, die er was tussen de ziel en al de begeerlijkheden. Zijn ziel is er van los gemaakt, ofschoon hij tevoren de begeerten zo lief had als zijn eigen lichaam. Als de gelovige met Christus verenigd is, is hij één Geest met Hem.

Maar hoe is dat precies met dat verlost zijn uit de macht der duisternis? Woont de zonde niet meer in de mens? Zij woont er nog (Rom. 7 : 20). Dus de oude koning is niet gevangen gezet, doch loopt nog vrij rond. Alleen zijn heerschappij is gebroken (Rom. 6 : 12), als tenminste de gelovige uit zijn handen blijft. De zonde zit niet meer op de troon. Wees echter gewaarschuwd, de oude koningin — om precies te zijn, want het^woord zonde is immers vrouwelijk van geslacht — loopt vrij rond en heeft nog alle vrijheid om de gelovige te verzoeken. Zij kan hem echter niet meer knechten. Het is met de stad mensenziel als met een pas ingenomen stad. Het raadhuis en de nutsbedrijven zijn bezet. Maar de Heilige Geest heeft nog niet van elke uithoek van de stad bezit genomen. Hij is zijn heerschappij begonnen en in zover is de gelovige uit de macht der duisternis verlost. Welkom in de strijd, zeiden de oude vromen, tot de gerechtvaardigden. In die strijd gaat het er niet om, dat de Geest tot heerschappij komt. Als de zondaar door een waar geloof met Christus verenigd is, heeft de Geest van Christus de troon bestegen, maar de vijand moet dan nog uit alle delen van de stad mensenziel verdreven worden. Daar blijven hoeken en gaten, stegen en sloppen, huizen en pakhuizen, waar de zonde nog machtig is. De mens van nature is enkel vlees. De gelovige is in twee delen gesplitst. Hij is Geest en vlees, nieuwe mens en oude mens. Maar het vlees bezet de hoofdgebouwen van de stad niet. Het zijn nog slechts overblijfselen van de zonde. Gods Geest poogt immer verder door te dringen. In hoeverre dat lukt is een andere vraag.

Zondigt dan de wedergeborene nog, daar toch, wat uit God geboren is, niet zondigt? De wedergeborene, voorzover hij wedergeboren is, zondigt niet, maar het vlees zondigt wel. De zonde regeert echter niet in hem en hij stemt ze niet toe. Maar is dat zijn eigen werk? In genen dele. Het is de Geest Gods, die hem leidt en die in hem regeert. Daarom krijgt Christus voor alle dingen de lof en de eer en de aanbidding. Zij verkondigen de deugden des Drie-enigen Gods en roemen in de Heere. Voor htm eigen gevoel gaat ze meer achteruit dan vooruit. Maar „'t Is Isrels God, die krachten geeft; van wien het volk zijn sterkte heeft." Telkens weer stelt de Geest Gods de gelovige er toe in staat de wet te vervullen. In deze dingen komt de verlossing uit. Gaat dat in een bepaalde richting? Neemt de Heilige Geest de stad mensenziel al meer onder controle? Calvijn schrijft wel in deze geest: „van dag tot dag worden wij vernieuwd en slechts trapsgewijze verzaken wij de begeerten van ons vlees en wij trekken de oude mens niet op één dag uit". (Jer. 31 : 18).

Als wij nu moeten verkondigen de deugden Desgenen, Die ons uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht en in de Heere moeten roemen, moet daar toch wel inzitten, dat het God is, die het geloof schenkt, uit de macht der duisternis verlost, in het Rijk des Zoons overbrengt en met de bekering begiftigt.

God en de bekering.

Wij worden allen opgeroepen tot bekering. Doch wat zegt nu het onderwijs der vaderen? Wij kunnen ons niet bekeren, wij willen ons niet bekeren en wij willen ons niet laten bekeren. Hoe moet dat nu verder? Wat zegt de Schrift, staat daar nog iets anders in dan: bekeert u? Daar staat ten eerste met grote duidelijke letters, dat de kinderen Gods tegenover de hemelse Vader alleen maar ontvangende zijn. Hij geeft aan de Zijnen, wat zij zichzelf niet geven kunnen. Zalig worden is immers bij de mensen onmogelijk? Dat geldt ook van de bekering. Terecht zegt Kittels Wörterbuch: „Zij is gave Gods en houdt toch niet op een verplichtende eis te zijn'. Maar als de mens de bekering moest werken, kwam er nooit één tot bekering. Zij is immers niet mogelijk zonder wedergeboorte. Zij is zelf die wedergeboorte. Dat is maar een andere naam voor de machtige, totale, radicale omzetting en vernieuwing. Vol majesteit en barmhartigheid klinkt de roep: Bekeert u. Wij mogen tot God terug komen en moeten terug. Maar wij willen niet en kunnen niet. Wat heeft nu God gedaan? Hij heeft Jezus verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker om Israël te geven bekering en vergeving van zonden. (Hand. 5 : 31). Beiden zijn gaven. Zomin als de vergeving is de bekering een werk des mensen. De mens werkt alleen als God in hem werkt. Als de mens het enigszins zelf kon, zou dan Christus verhoogd zijn om bekering te geven? Calvijn schrijft: wanneer het ambt om bekering te geven aan Christus toekomt, volgt hier uit, dat het niet een zaak is, die ligt in de macht van de mens. En inderdaad, daar het een wonderlijke reformatie is, die ons nieuwe schepselen maakt, het beeld Gods in ons herstelt en van de slavernij der zonde ons trekt tot gehoorzaamheid aan de gerechtigheid, kunnen de mensen zich evenmin bekeren als zichzelf scheppen. Weliswaar is deze ommekeer een vrijwillige bekering: maar waar komt deze vrijwilligheid vandaan, behalve hiervan, dat God ons hart veranderd? " Handelingen 11 : 18 spreekt ook over het geven van bekering. „En als zij dit hoorden, waren zij tevreden en verheerlijkten God zeggende: zo heeft dan God ook de heidenen de bekering gegeven ten leven". In Handelingen 3 : 26 is het ook Jezus, die bekeert: „God opgewekt hebbende Zijn kind Jezus, heeft Hem het eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden'. Dus wordt de bekering van de mens geëist en door God gewerkt. Daarom bidt Efraim: „Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn" en zegt: „zekerlijk nadat ik bekeerd ben." Calvijn schrijft bij Jer. 31 : 18: „De mensen bekeren zich niet uit eigen aandrift, maar God leidt ze door een geheime werking van Zijn Geest tot bekering. Weliswaar lokt God ons en wil ons gaarne door allerlei uitwendige middelen tot berouw brengen.... Er moet evenwel een tweede genadegave bijkomen. God moet ons van binnen buigen en tot Zijn gehoorzaamheid roepen. Zo kan men zeggen: Een mens bekeert zich, wanneer God hem aan zijn zonden herinnert. Maar hij doet het niet uit eigen aandrift, het is Gods meest eigen werk". Bij vers 19: „Mishagen aan onze zonde krijgen we pas als God ons bekeert". Ook Klaagliederen 5 : 21 bidt: „Bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn". Het mag niet vergeten worden, dat de Heere door Zijn ganse woord heen roept: bekeert ui of klaagt: „zij hebben zich niet bekeerd". De noodzakelijkheid der bekering en dat God ze begeert ligt er in voor het grijpen. Gelukkig is zij mogelijk ook. God begiftigt met de bekering. Hij werkt het willen en het werken. De kinderen Gods worden van boven geboren. Wie roemt, roeme in de Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE Dordtse LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's