NOOD
3
Het geloof is een gave Gods, doch niemand zal beweren, dat het verstand niet een gave Gods zou zijn.
De mens is een wondere schepping Gods. „Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken, ook weet het mijn ziel zeer wel" (Ps. 139 : 14).
De werking van onze zintuigen, de wereld die gestalte aanneemt in ons, ons bewustzijn, ons redevermogen, ons verstand, het is alles wonderlijk.
Ons redevermogen, ons zedelijk bewustzijn, onze persoonlijkheid, zij verheffen ons boven de schepselen, die ons omringen, en stellen ons in staat om daarover te heersen.
Verstand en redevermogen blijven niet staan bij de gestalte der dingen, die zij door middel van de zintuigen in ons verkrijgen. Zij dringen door tot de onderlinge verhoudingen der verschijnselen, tot de verbanden van oorzaak en gevolg, tot de innerlijke structuur en orde, tot de organisatie van krachten en werkingen en, zo het mogelijk ware, tot het wezen der dingen.
Verstand en rede blijven dus niet bij het aanschouwen, maar richten zich op de onzichtbare samenhang der verschijnselen, om die na te speuren en te begrijpen. In de praktijk van het leven maken we van de alzo verkregen kennis op velerlei wijze gebruik. Ze zijn gaven Gods van bijzondere onderscheiding, maar ze zijn niet bij machte in de dingen, die des Geestes Gods zijn in te dringen.
Voor de ongelovige mens is het redewezen het hoogste vermogen, waarop hij zijn betrouwen stelt en de hoogste verwachtingen bouwt. Natuur en rede worden zijn goden. Hij maakt ze tot zijn goden en streeft er eigenlijk in al zijn handelingen naar ze radicaal te overwinnen, zijn leven in eigen hand te nemen, zijn eigen geschiedenis te maken en zijn eigen toekomst te bepalen. Hij heeft nl. slechts voor één zaak bewondering en eerbied en dat is voor de geest van de mens, die zijn speurtochten richt op het binnenste der aarde en in de diepte der wereldzeeën, die de wereldruimte afmeet en droomt van een vaart naar de verre planeten. Wat moet dat een fijne geest zijn! Zo roemt hij.
Hij denkt er niet aan, dat Hij, die de mens schiep, oneindig machtiger is, dat de Geest, die hem onderricht, oneindig verhevener is, bij Wie de hoogmoedige sterveling, die voor iedere ademtocht van zijn Schepper afhankelijk is, in het niet zinkt.
Hij denkt er niet aan en hij heeft er ten enenmale geen belangstelling voor.
In deze zelfverheffing wordt de nood van de mens openbaar, hoewel door velen niet opgemerkt of genegeerd.
Geen Godskennis, geen zelfkennis.
Doch niet alleen zelfkennis en inkeer tot zichzelf worden gemist, maar met de religie is ook de grond ontzonken aan een waarachtig sociale levenshouding. De saamleving als geheel wordt van haar saambindende krachten, van haar bindweefsels beroofd. De eerbied voor Gods geboden wordt bij velen vergeefs gezocht. De zedelijke levensnormen worden verontachtzaamd en veracht. Alom wordt geijverd voor sociale instellingen en voorzieningen, de vrees is echter gerechtvaardigd, dat zij veelal eer bepleit worden met een beroep op de „rechten van de mens" en de eis van een „menswaardig bestaan", dan uit de geestelijk-zedelijke drang der naastenliefde.
De vruchten van de moderne cultuurontwikkeling, technische hulpmiddelen en apparaten, verhoging van levenspeil, comfort en genoegens, die binnen bereik van schier allen komen, worden als de voortbrengselen van zijn vernuft en arbeid gewaardeerd en tot algemeen goed gemaakt.
Het goede en voorspoed worden niemand misgund. De voortgaande verachtering van het godsdienstige leven en de miskenning van de God der Schriften zijn echter tekenen van een geestelijke nood, die een ernstige bedreiging vormen voor de samenleving.
Verstand en redevermogen zijn voortreffelijke en machtige gaven Gods. De mens bedenke echter, dat ook de ontdekkingen en de kennis, welke wij met behulp daarvan verwerven, gaven Gods zijn. Zo blijft er voor de mens geen grond tot roemen over zichzelf over, als hij met zijn door de zonde verduisterde vermogens machtige werken tot stand brengt. Onwetende, is hij dienstbaar aan de vervulling van Gods Raad. Hij werkt als een dagloner en derft het leven.
Het verstand gaat over heel de bewustzijns-inhoud, over alles wat in het bewustzijn verschijnt en daarin gestalte aanneemt.
Dat is derhalve niet alleen zo ten aanzien van de dingen van deze wereld, maar ook ten aanzien van de geestelijke dingen.
Zoals de ons omringende wereld door het oog en de werking van het licht, gestalte in ons aanneemt, zo verkrijgt ook de geestelijke werkelijkheid door het geloof en de werking van het licht des Heiligen Geestes gestalte in ons.
Ons leven wordt door het geloof verrijkt met een nieuwe kermis, kennis van
God, kennis van een nieuw leven, kennis van een eeuwige toekomst in Christus Jezus. Deze geestelijke kennis raakt de ganse mens. Zij is niet gelijk een plant in een afgezonderd hoekje van de hof. Zij neemt niet een apart kamertje des harten in. Neen, neen, het geloof is centraal. Het geestelijk licht doorstraalt de gehele mens met al zijn vermogens.
Het verstand wordt er ook bij betrokken, het wordt op de geestelijke dingen gericht, wordt daaraan geconfronteerd, het gaat er zich mee bezig houden en geeft daarvan blijk in zijn oordelen. Het verstand deelt in de verlichting door de Heilige Geest en ontdekt nieuwe dingen.
Men mene dus niet, dat het verstand niets met het geloof te maken heeft.
Zodra de gelovige mens over zijn bevinding aangaande de dingen van het Koninkrijk Gods spreken wil, heeft hij taal en rede nodig. Zonder verstand zou hij zich niet verstaanbaar kunnen maken.
Zo gaat ook het onderzoek der Heilige Schrift en de overdenking van 's Heeren wegen met verstand gepaard. Door het geloof heeft het verstand betrekking op het geestelijk gebeuren, leert o.a. de verschillende geloofsstukken onderscheiden en kan daarover met kennis van zaken handelen. Dat is het voorrecht van het verlicht verstand.
Onderstel, dat dit niet zo ware en, dat we aan de geestelijke dingen slechts uiting konden geven door onverstaanbare klanken. (Want zo was dat met die vreemde talen.) Zo zou men ook het Evangelie niet kunnen prediken.
Welnu, de geestelijke mens kan met verstand spreken over de geestelijke dingen en dan kan een ander het horen en, zo hij er kennis aan heeft, ook verstaan. Dat bedoelt de apostel Paulus, als hij zegt: ik wil liever in de gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik anderen moge onderwijzen, dan tienduizend woorden in een vreemde taal (1 Cor. 14 : 15).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's