De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

11 minuten leestijd

Propaganda voor de god-loosheid — Schaduw en licht over de herdenking der Kerkhervorming — Eeuwfeest van Christelijk Nationaal Schoolonderwijs (C.N.S.).

Onlangs ontving ik een prospectus van een boek, dat de titel draagt: „De toekomst van het ongeloof". Schrijver van dit uit het Duits vertaalde werk is een zekere dr. Gerhard Szczesny. Ik heb mij dat boek niet aangeschaft, hoewel de titel mij niet losliet. Het prospectus was daar de oorzaak van. Hier was een felle aanval tegen het Evangelie.

Datzelfde zei me een artikel in „Hervormd Nederland" d.d. 22-10-'60 van F. H. L. met als opschrift: „Uitdaging van de god-loosheid". Een fel opschrift, maar niet te fel. Dit bleek mij uit de verslagen in de N.R.Crt. over lezingen, door dr. Szczesny in Den Haag en Rotterdam gehouden. In Rotterdam ontwikkelde hij de factoren, die hem drongen tot het schrijven van bovenvermeld werk. In Den Haag ging het over een aanverwant onderwerp. Ik heb uit de verslagen, die ik onder ogen kreeg niet kunnen opmaken, welke instantie of personen deze tournee hebben opgezet, maar gezien de leiding in beide samenkomsten — in Den Haag dr. Van Praag, in Rotterdam dr. H. Prins, beide behorend tot het „Humanistisch Verbond" — meen ik niet mis te tasten, te veronderstellen, dat dit Verbond deze propaganda voor het ongeloof heeft opgezet. En als mijn veronderstelling juist is, kan ieder, wie het nog niet duidelijk was, uit deze tournee niet alleen de overtuiging van dr. Szczesny en de opzet van, zijn boek leren kennen, maar ook de perspectieven van het „Humanistisch Verbond".

Ds. Landsman schrijft ia bovenvermeld artikel, dat Szczesny „het hart van het geloof aantast", zulks omdat hij van mening is, dat het christelijk geloof vijand is van de ware humaniteit, de ware menselijkheid. Dr. Sz. beklaagt er zich over, dat in West-Europa met allerlei middelen, door Staat en Kerk, gepoogd wordt het christendom heersend te houden, dientengevolge de tolerantie te verijdelen, ondanks het feit, dat de slag tegen de ontkerstening eigenlijk al verloren is. Hoever hij (dr. Sz.) na dezen durft gaan, blijkt wel uit zijn bewering „dat Europa er nu heel anders uit zou zien als de Europese (Germaanse? !) mens maar zich zelf had kunnen blijven en niet door het christelijk geloof was gefrustreerd"; m.a.w. dat het heidens humanisme ons de ware humaniteit zou hebben gebracht. Heel de geschiedenis van de Kerk en de onder invloed van het Kruis opgekomen cultuur is een zo duidelijke ontkenning van Sz.'s stelling, dat wij daarop niet verder behoeven in te gaan.

Intussen is het ontstellend, dat dergelijke propaganda tegen het christendom — daarboven schijnt dr. Sz. „oosterse religie (Hindoeisme) te stellen —, is ingezet, in opzet met name onder de intelligentsia.

Ja, ontstellend is het, want deze man propageert een leer, die er zich op richt, dat „weg komt te vallen de verontrusting door 't eeuwig oordeel Gods, waaraan de eeuwige zin hangt van ons aller bestaan en waarin de eeuwige bestemming van elk mensenkind is uitgeheven boven de toevalligheid van de omstandigheden". (Miskotte: „Het onbeschrijflijk gebeuren', blz. 16, geciteerd door F. H. L.).

Ik weet niet hoever de tolerantie, welke krachtens ons door velen hooggeprezen democratisch bestel hier heerst, gaat. In elk geval ben ik blij, dat tot nog toe onze regering heeft geweigerd het „Humanistisch Verbond" de rechten te geven, die de kerken hebben, — zodat het geen subsidie voor geestelijke verzorging onder de militairen ontvangt. Indien hier nog iets van het diepe beginsel van Art. 36 G.B. — bij velen in theorie en praktijk een „vergeten hoofdstuk" zou doorwerken, kome dat meer tot gelding, ook in aangelegenheden als boven gesignaleerde propaganda, welke de fundamenten onzer samenleving aantast en ondermijnt.

De propagandatocht van dr. Sz. viel in dagen rondom de herdenking van de Kerkhervorming, welke traditie-getrouw in een dienst van de zondag, die het dichtst ligt bij de eigenlijke datum, of op een speciale, de dag zelf uitgeschreven samenkomst, in haar zegenrijke betekenis wordt in het licht gesteld. Dat alles is voortreffelijk en naar het parool: „Vier uwe vierdagen". Er kan iets hartverheffends van uitgaan.

Evenwel, indien dergelijke herdenkingen bij confrontatie van het heden met het verleden, de situatie van nu en toen in het licht stellen, kan er in dat gedenken ook iets zijn, dat deprimeert. Wat was die doorbraak van het reformerend werk Gods machtig en hoopvol. Het leek of in geheel Europa „de nieuwe leer" ingang zou vinden.

Maar het is gans anders uitgekomen.

Alle bloesem wordt geen vrucht. In de Zuidelijke Nederlanden, in Frankrijk, in Spanje, in Italië, Oostenrijk en Polen, heeft het reformatorisch belijden, hoe groot het élan in de aanvang ook was, niet die doorwerking gehad, waarop werd gehoopt. De in de contra-reformatie onder leiding van het Jezuïtisme ontwikkelde tegenkrachten hebben veel zaad verstikt. Men weet dit van België, Frankrijk, Spanje en Italië. Zeker, er zijn nog kerken der reformatie over; ze zijn in actie en „blijven" — dank zij Gods genade in de Heere Jezus — „worstelend boven". Van wat er in Polen opkwam en nog, zij het gesmaldeeld, leeft en worstelt, weten de meesten onzer doorgaans weinig. En de naam van Polen's reformator, Johannes a Lasco, is ook weinig bekend. Het kan zijn, dat sommigen zich de naam herinneren door de wetenschap, dat Abraham Kuyper als student een prijsvraag van de theol. faculteit der Groningse Universiteit beantwoordde — zijn geschrift werd met goud bekroond — waarin werd „verlangd een oordeelkundige vergelijking van de gevoelens van Calvijn en de Poolse Hervormer a Lasco over de Kerk".

Kuyper's dissertatie ging over hetzelfde onderwerp.

In „Hervormd Nederland" d.d. 22 en 29 oktober werd mijn aandacht getroffen door een paar interessante artikelen, die wilden oriënteren betreffende de situatie van het protestantisme in Polen, in zijn begrenzing van vóór 1945 en die van thans. Aanleiding tot deze artikelen zal wel geweest zijn het feit, dat het de 8e januari 1960 Vier eeuwen geleden was, dat a Lasco in Polen stierf. Deze man, afkomstig uit de hoge Poolse adel, bestemd voor de geestelijke stand, voor wie de hoogste ambten in zijn kerk openstonden, heeft om zijn studielust te bevredigen in zijn jeugd schier heel Europa bereisd. In Bazel kwam hij onder bekoring van Erasmus, had contact met Farel en is mede door deze en andere invloeden onder de zegen Gods voor de reformatie gewonnen. In Embden, later in Londen en Frankfurt, was hij leider en organisator van de vluchtelingengemeenten. Eerst in het laatste stuk van zijn leven kwam hij in zijn vaderland terug. Hij bevond, dat de zaden der Hervorming van Geneve daar waren ontkiemd. Zo kon hij door de goede hand zijns Gods ook de kerk in Polen organiseren en leiden. Hij heeft er zijn stempel op gedrukt, een gereformeerd stempel, zij het ook, dat a Lasco op enkele punten afweek van Calvijn.

De Hervormde en de Lutherse Kerk — want ook deze is in Polen — hebben zeer geleden van het oorlogsgeweld; ze zijn daardoor tot miniatuur-kerken geworden; maar ze zijn er nog, ze handhaven zich en houden door Gods hand gesterkt stand temidden van de r.k. bevolking, welke ook haar moeiten heeft, doch van veel groter invloed is, mede door haar betrekkingen met de'regering.

Hoe het zij, het werk der reformatie zet zich voort. In Pommeren — vroeger Duits, nu Pools — wordt de geestelijke verzorging verricht door een Pools-luthers predikant. Hij heeft de zorg voor ca. 2500 leden, die verspreid wonen over een gebied, dat ongeveer de helft van de grootte van ons land heeft.

Zie, als wij deze dingen lezen en merken met hoeveel toewijding dat grote, wijde werk verricht wordt, kan de inkrimping van het eens zo beloftenrijke werk der reformatie ons drukken, maar ook stimuleren tot een waarderen van de zegeningen, welke wij hier te lande hebben, stimuleren, tot hernieuwde trouw, biddend leven uit en bij het Woord, tot dieper meeleven en meebidden met de vervolgden in de verstrooiing, maar ook tot dank aan God Almachtig, dat Hij, ondanks onze ontrouw. Zijn werk voortzet. Zijn Kerk bouwt en nog velen doet belijden en getuigen, dat het „heilig Evangelie de ware schat der Kerk is". (Naar een van Luthers 95 stellingen).

De vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs, heeft 31 oktober 1.1. in Utrecht haar eerste eeuwfeest gevierd. Haar oprichtingsdatum was 30 oktober, doch doordat die dit jaar viel op zondag, moest de herdenking op 31 oktober zijn. De keuze der oprichting van C.N.S., de 30e oktober, die aanleunt tegen de 31e, was wel met opzet. Het ging in die oprichting er om, het erfgoed der reformatie te bewaren voor de kinderen van ons volk. De stichting van C.N.S. kan gezien als het antwoord op de Schoolwet van minister Van der Brugghen (1857) door dat deel van ons volk, dat voor de opvoeding van zijn kinderen geen vrede kon hebben met een school, waarop van de Heere Jezus Christus als Heiland en Zaligmaker, krachtens de eis der neutraliteit, moest gezwegen worden. Daarom ging het over tot stichting van zijn christeliike scholen, die het met eigen middelen moest financieren. Men begon echter het werk van schoolstichting vaak zonder te beseffen, wat dit inhield en zo waren er vele scholen, „die hun bestaan met moeite voortsleepten", schreef Feunga, de eerste secretaris van C.N.S. Hij vroeg om een comité „om steun te verlenen en de schoolstichting in goede banen te leiden". Ziehier de aanleiding tot de stichting van C.N.S. Groen van Prinsterer, de begenadigde kampvechter voor de Christelijke School, was de pro-" motor der vereniging en ruim 15 jaar „honorair-voorzitter" van „de Hoofdcommissie". Groen hoopte door deze vereniging alle voorstanders van het christelijk onderwijs van welke kerkgroep ook, samen te binden. Zelf heeft hij daartoe met alle zorg de grondslag ontworpen. Hij bedoelde in die vereniging een „oecumene" — het woord is in deze dagen door een schrijver gekozen. Groen zelf bezigde het niet — voor het christelijk onderwijs.

Helaas, het heeft niet zo mogen zijn. Ook in dezen is Groen teleurstelling niet gespaard. Begrijpelijk bij een kerkversplintering als ia ons volksleven al lang gaande is. Maar jammer blijf ik het vinden, dat menselijke zonde en partijdrijven hier tot „discordia" werkten en de „concordia" verstoorden. De schuld ligt bij alle groepen.

Hoe dan ook, C.N.S. heeft stand mogen houden en zegenrijk werken voor ons christelijk onderwijs. En in de barre tijden van druk door het onrecht, dat de regering de mannen van het christelijk onderwijs aandeed — Jhr. de Savoriin Lohman riep kort vóór 1917, het jaar, dat in beginsel de paceficatie een feit werd, de regering toe: „Doe recht" — en financiële nood tot grote steun geweest. Zij heeft gestreden in Gods kracht om recht te verkrijgen, zij begeert in diezelfde afhankelijkheid zich in te zetten tot behoud van het verkregene. Zij doet dit op treffende wijze door haar eigen inspectie. Er zijn van de 2400 christelijke scholen op dit tijdstip 1000 bij C.N.S. aangesloten. Achttien inspecteurs bezoeken jaarlijks — ieder in zijn rayon — die 1000 scholen om bestuur en personeel van advies te dienen en de liefde en toewijding te stimuleren.

Dit en nog veel meer is bij het naderend eeuwfeest in vele bladen vermeld en op het jubileum-samenzijn op onderscheidene wijze uitgesproken.

De viering is aangevangen in de Domkerk te Utrecht, in welke dank- en wijdingsstonde dr. Honders, em. predikant van Wassenaar, de 2e voorzitter, voorging. Ik heb die tot mijn spijt niet kunnen meemaken en kon die ook niet via de N.C.R.V. volgen, omdat deze alleen de middagsamenkomst tot 4 uur uitzond. Zo heb ik wel de rede van de voorzitter, prof. Smitskamp, kunnen genieten. Hij heeft treflijk gesproken over „Christelijk" en „Nationaal". Historisch gedocumenteerd en op indringende wijze uitgewerkt.

Met grote interesse beluisterde ik ook minister Cals, die zich uitnemend in de dingen had ingewerkt. Aan het slot deelde hij mede, dat het Hare Majesteit had behaagd te benoemen tot ridder in de orde van Oranje Nassau, mr. Schut, de penningmeester en de heer Heukels, een der achttien inspecteurs. Wie der oprichters heeft een dergelijke erkenning door de regering kunnen vermoeden? God heeft dit bewerkt. Hem de ere!

En nu verder. Dit eeuw-feest is een mijlpaal in een geschiedenis van „Strijd en Zegen". Kennen wij die strijd? Bidden en worstelen wij voor onze scholen, gelijk de vaderen, die ook wel hun kritiek bijwijlen hadden, evenals wij? Maar... die kritiek bracht hen te meer op de knieën. Dat zij ook voor ons de weg om daardoor te strijden om het erfgoed der reformatie te behouden voor onze kinderen, onze kerk, opdat het zijn zegenrijke vrucht afwerpe in ons ontkerstenend volksleven. En zo geve deze bijzondere reformatie-herdenking de stimulans, die werkt in het couplet uit ons volkslied, gezongen na de rede van prof. Smitskamp: „In Codes vrees te leven heb ik altoos betracht".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's