De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Mede een welbehagen in zijn dood

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mede een welbehagen in zijn dood

8 minuten leestijd

„ ... en toen het bloed van Stephanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond, en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden". (Hand. 22 vers 20.)

De dood van Stephanus heeft de volle instemming gehad van „de jongeling, genaamd Saulus". Tot twee maal toe wordt ons dat in de Schrift medegedeeld. 1).

Tot goed begrip van het motief van deze instemming, is het nodig, dat wij ons nog even nader verdiepen in het conflict, dat ontstaan was tussen enerzijds Stephanus en anderzijds degenen die tot de verschillende synagogen der buitenlandse Joden behoorden..

Van Stephanus wordt getuigd, dat hij een man was tegen wie men in het debat niet opgewassen was, omdat hij vervuld was met wijsheid en met de Geest, wanneer hij sprak. 2).

Wij moeten daarbij in het oog houden, dat de woorden „wijsheid" en „Geest" naast elkaar gebruikt worden. Dat is niet zonder zin. Wij mogen daarin ongetwijfeld een aanduiding zien, dat de wijsheid van Stephanus in zeer nauw verband stond met de H. Geest. De beide woorden vullen als het ware elkander aan. En het ene woord verklaart het andere. Daarom kunnen wij daaruit opmaken, dat de wijsheid van Stephanus een gave des Geestes geweest is. Zij is hem door de Geest geschonken. Zij kwam van boven.

Verder is het goed, dat wij ons afvragen, wat onder die wijsheid verstaan moet worden. Het komt ons voor, dat wij haar hebben op te vatten als inzicht in de wil, de wegen en het heilshandelen Gods. Dat het daarbij in eerste instantie gaat om de wil, de wegen en het heilshandelen Gods in Christus Jezus, komt o.i. uit het geheel zeer duidelijk naar voren.

Stephanus heeft in dit licht ook het Oude Testament leren lezen. Dat blijkt wel uit de rede, die hij voor de Joodse raad gehouden heeft.

Wij menen dan ook niet ver bezijden de waarheid te zijn, wanneer wij de twist tussen Stephanus en de buitenlandse Joden te Jeruzalem beschouwen als een strijd om het Woord Gods en om de uitlegging daarvan met het oog op de Christus. De beschuldigingen, die tegen Stephanus werden ingebracht, wijzen mede in deze richting. Men zei immers, dat hij lasterlijke woorden gesproken zou hebben tegen Mozes en tegen God. En de valse getuigen hebben beweerd, dat hij tegen „deze heilige plaats" (de tempel) en tegen de Wet gelasterd had. Zij zouden hem hebben horen zeggen, dat Jezus, de Nazareeër, deze plaats afbreken zou, en dat Hij de zeden veranderen zou, die Mozes hun overgeleverd had.

Samenvattend zouden wij kunnen zeggen, dat Stephanus vanuit het hem geschonken inzicht in het heilshandelen Gods Christus Jezus verkondigd heeft, en dat hij bij die verkondiging gebruik gemaakt heeft van het Oude Testament, waarvan Deze de vervulling was. Op grond daarvan ontstond er onenigheid met de buitenlandse Joden, daar dit tóch consekwenties had voor de cultus en voor de overlevering der mondelinge Wet, die in die dagen met het gezag van Mozes bekleed was. 3).

Dat het voornamelijk Joden uit het buitenland geweest zijn, die bij deze zaak betrokken waren, moet ons niet verwonderen. Stephanus zélf was van afkomst óók een Hellenist, een Jood uit de verstrooiing, wiens moedertaal zeer zeker het Grieks was. Wat dit aangaat, komt hij geheel overeen met Saulus van Tarsen. Voordat Stephanus tot geloof kwam, zal hij stellig ook lid geweest zijn van een van de synagogen, die in Hand. 6 vers 9 vermeld worden. 4). Dat verklaart de heftigheid van het conflict. Stephanus kreeg te maken met mensen, met wie hij eerst zich verenigd geweten had. Eens was hij een der hunnen geweest. Het geloof in Christus Jezus echter had verwijdering gebracht.

De Hellenistische Joden hebben het niet kunnen dulden, dat Stephanus door de wijsheid des Geestes hun te sterk was. Terwijl hij stond te spreken, zijn zij op hem aangedrongen, en hebben zij hem voor het Sanhedrin geleid. Daar heeft de hogepriester hem gelegenheid gegeven zich te verdedigen tegen de aanklachten, die tegen hem ingediend werden. Het bijzondere van deze „rede van Stephanus" is, dat zij in geen enkel opzicht de indruk geeft een verdediging te zijn. Eerder gelijkt zij op één felle en hartstochtelijke aanval op het Jodendom, dat Christus gekruisigd heeft. Stephanus klaagt meer aan dan dat hij zich verweert tegen zijn aanklagers.

Overzien wij de rede in haar geheel; dan is het hoofdthema geweest, dat de Heere gedurig aan Israël grote weldaden bewezen heeft, maar dat het volk altijd een hardnekkig volk was. Stephanus begint met de weldaden Gods ten tijde van de aartsvaders te verhalen (Hand. 7 vers 1-16); daarna gaat hij voort met de bijzondere leiding van het volk door Mozes te tekenen (vs. 17-43); vervolgens brengt hij Israels lotgevallen in de tijd der richteren en der koningen ter sprake (vs. 44-50); en tenslotte eindigt hij met een persoonlijke aanklacht tegen de aanwezigen (vs. 51-53). 5).

Het oordeel, dat Stephanus in het slot van zijn rede over de Joden velt, is hard. Hij noemt hen hardnekkigen — een woord dat herinnert aan de geschiedenis met het gouden kalf, waar het in de Griekse vertaling van het Oude Testament drie keer gebruikt wordt, en waar het mede de dreiging van het oordeel Gods bevat. 6). Hij verwijt hun onbesnedenheid van hart en oren — een uitdrukking, waardoor de Jood wordt aangetast in zijn religieus zelfbewustzijn, omdat het hem in feite gelijk stelt met de onbesneden heiden, hoewel hij uiterlijk besneden is. Hij beschuldigt hen van verzet tegen de H. Geest — een aanklacht, waarin hun de zwaarste zonde ten laste gelegd wordt, die bedreven worden kan, namelijk die van de opstandigheid tegen de Geest Gods, die door de profeten gesproken heeft. Hij brandmerkt hen als mensen, die „de Rechtvaardige" verraden en vermoord hebben — een spreekwijze, die vooral vanuit Jesaja 53 (de lijdende knecht des Heeren) perspectief krijgt.''). En ten laatste beticht hij hen er van Gods Wet niet gehouden te hebben — een aanval, waarmede Stephanus de stand van zaken radicaal omkeert, en in de Joden datgene laakt, waarvan hij zelf beschuldigd wordt.

Of Stephanus nog meer heeft willen zeggen, is ons niet bekend. In ieder geval wordt hij gedwongen hier te eindigen. De verbolgenheid der beledigde Joden is groot. Zij knersen de tanden tegen hem. Dit is te veel voor hen. Maar hun woede deert Stephanus niet. Vervuld met de H. Geest, houdt hij zijn ogen ten hemel gericht. En daar ziet hij, wat de Joden niet zien. Hij ziet de heerlijkheid Gods, gelijk profeten als Jesaja en Ezechiël die ook gezien hebben. Hij ziet ook Jezus. Staande aan Gods rechterhand. Op de ereplaats.

Wanneer Stephanus onder woorden brengt, wat hem vergund is van de Zoon des mensen te aanschouwen, loopt de maat over. Dit achten de Wetsgetrouwe Joden de grootste Godslastering, die denkbaar is. 8). En op Godslastering staat de doodstraf. Daarom willen ze hem stenigen.

Met de steniging van Stephanus zijn de Joden buiten de perken gegaan. Zij bezaten het recht niet om iemand ter dood te brengen. Daar moest de Romeinse overheid haar goedkeuring aan hechten. Denk slechts aan het proces van de Heere Jezus. In deze opschudding echter wordt daar niet aan gedacht. Men neemt het recht in eigen handen.

Het tractaat „Sanhedrin" in de Misjnah beschrijft ons precies, hoe het bij zulk een steniging behoorde toe te gaan. 9). Op deze wijze zal ook de steniging van Stephanus hebben plaats gevonden. De getuigen zullen eerst het hunne gedaan hebben, en daarna zal de gehele, woedende menigte zich op hem gestort hebben.

De jongeling, genaamd Saulus, óók een Hellenistische Jood, is daarbij aanwezig geweest. Hij heeft Stephanus zien sterven. Aan zijn voeten hebben de twee getuigen hun klederen neergelegd, opdat zij minder belemmerd zouden worden in het werk, dat zij doen moesten. Actief heeft Saulus dus niet aan de steniging deelgenomen. Hij heeft alleen de opperklederen, de mantels, der getuigen in bewaring genomen. Niettemin had het feit zélf zijn bijval. Van harte was hij het eens met wat Stephanus werd aangedaan. De motieven daarvan zijn begrijpelijk: als een der Hellenistische Joden verstond ook hij, dat het geloof van Stephanus zijn synagoge op haar fundamenten deed wankelen. En als overtuigd Farizeeër was hem dat een ergernis en een aanstoot. De wijsheid, waaruit de Schriftgeleerde Saulus leefde, was een andere dan de wijsheid, die de Geest des Heeren aan de getuige Stephanus geschonken had. Naar Saulus' gedachten stonden in dit conflict om Jezus, de Nazareeër, zoals Stephanus van Hem getuigde, Mozes, God, de tempel en de overleveringen der vaderen op het spel, en was Stephanus in wezen niets anders dan een Godslasteraar. Vandaar, dat hij mede een welbehagen had in zijn dood.


1) Cf. Hand. 8 : 1 en 22 : 20.

2) Cf. Hand. 6:10. Ook Salomo was chokmah (sophia) geschonken. Zie 1 Kon. 3.: 28.

3) Zie „De Waarheidsvriend" van 11 aug. 1960, p. 244.

4) Worden in Hand. 6 : 9 slechts twee groepen Joden genoemd, of vijf? Dat is een vraag, waar om taalkundige redenen veel over gestreden is.

5) Let op de verandering in Stephanus' aanspraak. Eerst spreekt hij in de derde persoon; in vers, 51 v.v. echter in de tweede.

6) Ex. 33 : 3 en 5; 34 : 9. Ook: Spreuken 29 : 1. Cf. J. C. Biel: „Novus Thesaurus Philologicus.... in LXX etc", Den Haag, 1780, s.v.

7) Cf. O. Cullmann: „Die Christologie des Neuen Testaments", Tubingen, 1957, S. 72.

8) Om dezelfde reden heeft het Sanhedrin Christus Jezus veroordeeld. Cf. Matth. 26 : 64-66; en J. H. Bavinck: „De mens en zijn wereld", Baarn, z.j., p. 110-122.

9) Sanhedrin, VI, 4. Cf. H. Danhy: „The Mishnah", London, 1954, p. 390.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Mede een welbehagen in zijn dood

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's