De belijdenissen van Augustinus
De aanhef (vervolg)
God aanroepen doet ons God vinden en kennen, heeft Augustinus gezegd. Dan ineens valt hem in dat woord „aanroepen" echter iets op. In het latijn gebruikt men hiervoor namelijk het woord „invocare" en dat betekent letterlijk „inroepen". God aanroepen is dus zoveel als God-in-zich-roepen. Maar — zo overweegt hij nu bij zichzelf — hoe is dat mogelijk? De hemel en de aarde immers kunnen God niet eens bevatten. Hoe zou er dan in hem plaats zijn voor God?
Maar misschien — zo valt Augustinus zichzelf in de rede — wordt er wel iets anders mee bedoeld, als er gezegd wordt, dat God ergens „is". Wellicht betekent het, dat God daarom in de schepselen aanwezig is, omdat zij zonder Hem niet kunnen bestaan.
Ook zo zijn alle vragen echter nog niet tot rust gekomen. Een nieuw probleem doet zich aan hem voor: God zegt 1), dat Hij hemel en aarde vervult; en David 2), dat God zelfs in de hel is. Welnu, dan is God ook in Augustinus en Augustinus in God. Maar wat voor zin heeft het dan om God „in zich te roepen"?
Deze vragen stuwen Augustinus in de richting van een loflied op Gods alomtegenwoordigheid; een loflied van ongekende schoonheid, waarin hij tot de schijnbaar tegenstrijdige conclusie komt, dat God overal geheel aanwezig is, en dat toch niets Hem geheel kan bevatten.
Misschien wrijft u zich bij deze woorden de ogen uit. „Welk een filosofische spitsvondigheid!", zo verzucht u, „heeft dit nu nog iets te maken met de eenvoud van het Evangelie? " Ja, dat heeft het. Het is namelijk maar schijn, dat wij hier met een wijsgerige constructie te maken zouden hebben. Weliswaar zijn de woorden aan het wijsgerig denken ontleend. Maar dat is dan ook de enige band, die daaraan bindt. De inhoud is namelijk de taal van het Woord van God, dat eenvoudig spot met alle logica. Om in de trant van Augustinus te spreken: „De handen zijn Ezaus handen, maar de stem is Jakobs stem" 3).
Waarom schuwen wij trouwens altijd weer een diepzinnige uiteenzetting? Is het werkelijk de gerechtvaardigde vrees voor ongeoorloofde spitsvondigheden of is het misschien in diepste wezen geestelijke luiheid, die er voor terugdeinst om over datgene wat de Schrift ons bekend maakt grondig na te denken? Heus, God heeft ons ons verstand gegeven, opdat wij met ons denken Hem zouden prijzen.
Augustinus heeft deze roeping verstaan. O neen, hij heeft niet in een zekere verwatenheid gemeend God met zijn kleine mensenverstand te kunnen omvatten. Hij heeft wel terdege oog gehad voor zijn eigen beperktheid. Maar toch ... hij kon en hij mocht van God niet zwijgen. Zo horen wij hem dan ook zeggen: „En wat betekenen onze woorden, o God, mijn Leven, mijn heilige Verheugenis; of wat zegt men, wanneer men spreekt van U? En toch wee degenen, die zwijgen van U, waar zij, rijk aan woorden, gelijk stommen zijn" 4).
God is groot en goed! Maar hoe zal hij, Augustinus, in God rust vinden? Wie zal mij geven, dat Gij komt in mijn hart en dat Gij het dronken maakt, zodat ik mijn ellenden vergeet en U, mijn enig Goed, omhels? " Hij weet, dat de grote God, Wiens lof hij zojuist bezongen heeft, hem beveelt om Hem lief te hebben. Hij weet ook, dat die liefde alleen mogelijk is, als God Zijn aangezicht niet voor hem verbergt. Daarom bidt hij: „Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil 5). Ja zeg dat, opdat ik het hore. Zie, de oren mijns harten 6) zijn vóór U, Heere, open ze en zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil. Ik zal deze stem naijlen en U aangrijpen. Verberg Uw aangezicht niet van mij' 7)".
Het is, alsof Augustinus nu schrikt van zijn eigen woorden. God Zijn aangezicht niet meer voor hem verbergen? Maar zegt de Heere niet Zelf: „Mij zal geen mens zien en leven." 8)? Hij siddert. Maar dan ineens bidt hij: Ja Heere, „laat mij sterven, opdat ik niet sterve, maar Uw aangezicht aanschouw!" Nu is het voor Augustinus helder als de dag geworden: Sterven in verootmoediging en berouw voor Gods heilig aangezicht betekent juist leven, leven door en met Christus.
Eindelijk keert Augustinus dan terug tot de eerste vraag, die hij in de tweede paragraaf heeft opgeworpen: Is er wel plaats in zijn hart voor God? Het antwoord, dat nu gegeven wordt, luidt: „Te eng is het huis van mijn ziel, dan dat Gij daarin tot haar zoudt komen."9). Waarom echter is zijn ziel te eng? Omdat zij vol is van zonden, die hij op eigen initiatief en verleid door anderen heeft begaan. God heeft echter ruimte gemaakt door zijn zonden te vergeven. Die zonden zal hij nu naar' waarheid gaan belijden en hij zal niet „strijden in het gericht" met God. Schoonpraten zal er niet bij zijn. Dat is immers louter zelfbedrog. Ja, wee degene, die met God gaat strijden! Want „zo Gij Heere de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? " 10).
Augustinus' kinderjaren 11)
Te beginnen bij boek I, paragraaf 7 laat Augustinus zijn vroegere leven als in een film voorbijgaan. Daarbij bemerken wij al spoedig, dat Augustinus niet bezig is aan een autobiografie in de gebruikelijke zin van het woord. Ook al behoeven wij immers aan de juiste weergave van de feiten niet te twijfelen, daar gaat het Augustinus niet om. Hij beoogt veeleer zijn levensgang vanuit het Woord te doorlichten. Hij speurt naar Gods wondere leidingen en schroomt niet om zijn zonden uit de meest verborgen schuilhoeken te voorschijn te halen. 12).
Daarbij laat Augustinus intussen zijn allerprilste jeugd niet buiten beschouwing. Weliswaar is hij zich bewust, dat hij daar geen herinnering aan heeft. 13). Dat verhindert hem echter niet om op grond van datgene, wat hij rondom zich opmerkt, conclusies te trekken ten aanzien van zijn eigen bestaan als baby. Daarbij geeft hij dan een aardig stukje zuigelingen-psychologie weg. Wellicht zullen de moderne psychologen 14) het niet in alle opzichten met hem eens zijn. Augustinus is echter ontegenzeggelijk een scherp opmerker van de menselijke geest geweest en waarschijnlijk wel'de grootste psycholoog van zijn tijd.
Hij wil intussen meer dan psycholoog zijn. Hij wil theologie bedrijven. ^®). Zo speurt hij niet naar de ziekten van zijn nog jonge geest, maar naar de zonde zoals die toen reeds in hem openbaar werd. Zo schrijft hij 15): „En wanneer men dan mijn zin niet deed ..., dan maakte ik mij boos op de volwassenen, die niet deden wat ik wilde, en op de vrijen 16), die mij niet dienden, en wreekte ik me op hen door te schreien".
Eén vraag houdt hem hier bijzonder bezig: Gaat er nog een levensperiode aan het verblijf in de moederschoot vooraf? Zo horen wij hem dan ook vragen^®): „Want wat is het, dat ik wil zeggen, Heere, dan dat ik niet weet, vanwaar ik hier gekomen ben, wat zal ik zeggen: in dit sterfelijke leven of in dit levende sterven? " In het voorbijgaan gebruikt Augustinus hier een treffende woordspeling, zoals wij er trouwens ettelijke bij hem vinden: „dit sterfelijke leven of dit levende sterven". Dat dit leven een gestaag sterven is, zet hij elders 17) breder uiteen. Daar zegt hij namelijk min of meer in navolging van Seneca 18): „Van het ogenblik, waarop iemand in dit sterfelijk lichaam komt, begint aldoor de dood te naderen ... ledere tijdslengte, die men leeft, wordt van de levenstijd afgenomen; dagelijks wordt het resterende al minder en minder, zodat de tijd van dit leven niets anders is dan een weg naar de dood, waarop niemand een ogenblik mag stilstaan of een weinig langzamer gaan. Allen worden in een gelijke beweging voortgedreven.... Is de mens dan niet tegelijk in het leven en in de dood; in het leven, waarin hij leeft, totdat het hem geheel ontnomen zal zijn, en in de dood, die hij reeds sterft, daar het leven hem ontnomen wordt? " Diep wordt hier de nood gepeild van het leven, „dat niet anders is dan een gestadige dood" 19).
Die lezers, die al te „lebensfreudig" zijn 22), hebben hier stof tot nadenken!
1) Jeremia 23 : 24.
2) Psalm 139 : 8.
3) Genesis 27:22; Augustinus duidt de wijsgerige manier van spreken soms aan als de , schatten van Egypte" (zie: Exodus 12: 36).
4) Conf. I, 4.
5) Conf. I, 5.
6) Men treft bij Augustinus menigmaal de uitdrukking „oren des harten" aan. We zouden kunnen spreken van denkvermogen. De gedachte is namelijk deze, dat m.en met zijn lichamelijke ogen en oren alleen het zichtbare en stoffelijke kan waarnemen; dat de onzichtbare realiteit, de geestelijke wereld echter alleen voor de „oren des harten" toegankelijk is.
7) Psalm 143 : 7.
8) Zie: Exodus 33 : 20.
9) Conf. I, 6.
10) Psalm 130 : 3.
11) In de tijd van Augustinus placht men het leven van de mens in zes tijdperken in te delen: prille jeugd, knapenleeftijd, jongelingsleeftijd, tijd der mannelijke kracht, rijpe leeftijd, ouderdom. In De Staat Gods past Augustinus deze indeling op de geschiedenis der mensheid toe. Het eerste tijdperk wordt in het latijn aangeduid als infantia, d.i. het nog niet kunnen spreken. Het is dan ook de periode, waarin het kind nog niet kan spreken en nog zonder verzet aan het vleselijke is onderworpen. Zie hiervoor: De Civitate Dei XXI, 16. Tot in Conf. I, 12 handelt Augustinus hier over deze tijd uit zijn leven.
12) Ook Gods Woord schrijft op deze wijze geschiedenis; Omri en Achab bijvoorbeeld waren, politiek gezien, koningen, die veel voor Israël betekend hebben. Gods Woord meet ze echter niet met politieke maatstaven, maar met de maatstaf van het Koninkrijk Gods. De geschiedenissen in de Bijbel zijn dus meer brokken prediking dan historie-beschrijvingen.
13) Conf. I, 7.
14) Een psycholoog is een geleerde, die de menselijke geest bestudeert alsmede de ziekten van de menselijke geest.
15) Theologie is Godgeleerdheid. Het is de wetenschappelijke bestudering en doordenking van de inhoud van het Evangelie.
16) Conf. I, 8.
17) Hij behandelde dus zijn ouders, die vrije mensen waren, alsof hij met slaven te doen had, die hem op zijn wenken hadden te be- • dienen.
18) Conf. I, 7.
19) De Civ. Dei XIII, 10.
20) L. Annaeus Seneca leefde van ± 4 voor Christus tot 65 na Christus. Hij stamde uit een aanzienlijk Spaans geslacht. Later ontpopte hij zich als een wijsgeer van formaat. Hij was een eclecticus, d.w.z. hij trachtte de zijns inziens goede elementen uit verschillende wijsgerige systemen met elkander te verenigen. In het jaar 49 kreeg hij tot taak de jonge Nero op te voeden. Toen deze pas keizer was had hij nog grote invloed op hem. Al gauw begon zijn gezag echter te tanen. In het jaar 65 moest hij op bevel van Nero zelfmoord plegen.
21) Zie ons Doopsformulier.
22) „Lebensfreudig" is iemand die met een bijzonder pleizier dit leven leeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's