De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

13 minuten leestijd

De uitslag van de presidentsverkiezingen in de V.S. — Rome en de Reformatie — Internationalisatie van de Zending — Over twee „kerkelijke" vergaderingen.

Amerika heeft zijn eerste roomse president. John Kennedy was echter niet de eerste uit zijn kerk, die door de democratische groepering tot kandidaat werd gesteld. Uit een artikel van prof. Schippers in „Trouw" d.d. 12-11-'60, kwam ik aan de weet, dat die eer te beurt viel in 1928 aan een zekere Smith.

Er zijn, zoals te doen gebruikelijk is, reeds allerlei perspectinistische commentaren op deze uitslag gegeven. Een daverende meerderheid heeft Kennedy niet behaald. Het was „met de hakken" schreef de N.R.Crt., en een paar dagen later, dat het best mogelijk kon zijn — de officiële uitslag was nog niet bekend —, dat Nixon nog meer stemmen zou hebben. Hij heeft echter minder „kiesmannen" dan Kennedy.

Over het algemeen ziet men de toekomst met vertrouwen en hoopvol tegemoet. Meerdere bladen verblijdden zich er ook over, dat nu iemand uit de jongere generatie het stuur in handen krijgt. Kennedy is 44 jaar en men verwacht van hem een frisse aanpak en een krachtig bestuur, temeer, omdat het Congres in meerderheid democratisch is. Zo verwacht men „na het slappe beleid van een overmoeide president Eisenhower" (N.R.Crt.) een verbetering in de internationale politiek. We hopen, dat, wie het zo zien, gelijk krijgen.

Het schijnt, dat vooral de industriecentra, in meerderheid r.k., de doorslag voor Kennedy hebben gegeven, waardoor hij onder de „kiesmannen" een meerderheid heeft. Indien dit juist is, blijkt toch wel, dat de natuur zich bij Kennedy's geestverwanten niet verloochende, ondanks de bewering, dat het godsdienstige bij de Amerikaanse verkiezingen geen rol speelt.

Zal door deze verkiezing de machtspositie van de roomse kerk in Amerika en in de wereld versterkt worden? De N.R.Crt. d.d. 9-11-'60, zegt in een kort hoofdartikel dienaangaande:

„Maar Kennedy's rooms-katholicisme? Iemand heeft eens gezegd, dat de beste waarborg tegen een invloed van de rooms-katholieke kerk op het Witte Huis een rooms-katholieke president in dat Witte Huis is. Want nu zullen al zijn beleidsdaden en benoemingen door een met argusogen toeziend publiek getoetst worden aan de vraag, of hij hiermee het rooms-katholicisme al dan niet bevordert. Zo'n waakhond heeft geen protestantse president ooit gehad".

De paus heeft naar aanleiding van Kennedy's overwinning een uitspraak gedaan, die ongeveer hierop neerkomt, dat hij niet zozeer verheugd is, dat een „katholiek" was gekozen, als wel over het feit, dat een dergelijke verkiezingsuitslag in de V.S. mogelijk was. Ik beluisterde dit in „Katholiek nieuws" van de K.R.O., vandaar geen letterlijk citaat.

Paus Leo XIII heeft in 1899 een uitspraak gedaan — ik las dit ook in bovenvermeld artikel van prof Schippers — over een „vals en een waar" Americanisme. In het eerste gaat het „amerikaans-zijn" boven het roomskatholiek-zijn. Bij het tweede heeft het „katholieke" de primeur. Dit laatste kan nog, als ik het goed begrepen heb, samengaan met aanvaarding — voor Amerika dan — van de scheiding van Staat en Kerk. De r.k. bisschoppen hebben onder leiding van kardinaal Spellman nog niet heel lang geleden openlijk uitgesproken, dat zij het Americaanse beginsel van de scheiding van Kerk en Staat voor America volledig aanvaarden. Dat wijst weer uit hoe elastisch de r.k. kerk is in haar aanpassing. Want in Spanje zou zulk een uitspraak door het episcopaat ondenkbaar zijn.

Ik vermoed, dat Kennedy wel een aanhanger van het „ware" americanisme zal zijn. Hij hoopt althans vóór zijn ambtsaanvaarding nog een bezoek aan Paus Johannes XXIII te brengen.

Dit alles is zijn goed recht. Maar het blijke in zijn presidiaat, dat hij vóór alles amerikaan is en zijn positie niet inzet — zij het indirect dan — voor de machtspositie van Rome.

Prof. W. H. V. d. Pol, hoogleraar aan de r.k. universiteit te Nijmegen heeft dit jaar een boek gepubliceerd: „Het getuigenis der reformatie". Deze jongste uitgave van de Nijmeegse hoogleraar heeft nog al de aandacht getrokken. Prof. Bronkhorst citeerde er uit in een artikel in „Woord en Dienst" d.d. 29-10- '60, ter gelegenheid van de herdenking der Kerkhervorming. Prof. Bakhuizen van den Brink wijdde er het eerste zijner vier colleges in de „Aetherleergang", waarin hij handelt over: „Traditie en de rechtvaardigingsleer op het concilie van Trente", aan.

Evenals prof. Bronkhorst en prof. Lekkerkerker — deze gaf een recensie van het boek in „Kerk en Theologie" van okt. jl. — roemde prof. Bakhuizen van den Brink de wijze, waarop dr. v. d. Pol in zijn werk het belijden der reformatie heeft weergegeven. Hij (v. d. P.) citeert veel uit de drie formulieren van enigheid en de catechismus van Calvijn, wat voor r.k. lezers zeer kan dienen tot beter begrip van het reformatorisch getuigenis. Nu, zulk een weergave is prof. v. d. Pol toevertrouwd. Hij was voorheen leraar aan het christelijk lyceum te Zeist en promoveerde aan de universiteit van Utrecht, tot doctor in de theologie. Hij kent alzo niet slechts als theoloog, doch ook als insider van voorheen, de schat van de kerk der reformatie in ons land. Hij kent die zo grondig, dat hij o.m. zegt in zijn boek — ik citeer uit het artikel van prof. Bronkhorst in „Woord en Dienst" — : „Het is ondenkbaar, dat de Reformatie ooit op deze beslissing zou kunnen terugkomen. Het zou volgens reformatorisch besef niets meer of minder betekenen dan „ontrouw en verraad aan het Woord van God". Dit citaat is ontleend aan blz. 52, doch prof. Bronkhorst schrijft, dat in dezer voege de schrijver zich meermalen uitlaat.

En wat is nu de conclusie van prof. v. d. Pol? Die is te vinden in het slothoofdstuk van zijn boek, en luidt, dat „de r.k. kerk nooit op een van haar leeruitspraken zal kunnen terugkomen" (blz. 280). Wat betreft een eventuele hereniging, wil men „oecumenisch uitzicht", gaapt hier tussen Rome en de Reformatie een „kloof zonder brug".

Prof. V. d. Pol ziet het anders. Hij meent, dat de r.k. kerk het echt „katholieke" dat in het getuigenis der reformatie onmiskenbaar is, moet integreren, in zich opnemen. Maar de Reformatie, die dan haar „providentiële" roeping heeft vervuld, zal dan uit haar „ballingschap" naar de moederkerk moeten terugkeren. Zo alleen is er oecumenisch samenleven mogelijk.

Prof. Bronkhorst val ik bij als hij concludeert, dat het weerzien alias verenigen niet zal kunnen zijn in Rome. Ik ga nu niet in op het eschatologisch perspectief, waarmede hij besluit, als hij in verband met het „mustèrion" uit Rom. 9-11, wijst op hereniging in Jeruzalem.

Wat de Paus in zijn toespraak tot de plenaire commissie, welke het komend oecumenisch concilie moet voorbereiden, gezegd heeft van een apart secretariaat voor degenen, die nog buiten de kerk leven, — er zijn, zo werd in „Katholiek nieuws" een dag later gemeld, al diverse brieven uit protestantse kringen ingekomen — zal wel iets dergelijks bedoelen als prof. V. d. Pol als herenigingsweg aangaf.

Iets dergelijks zal ook dr. Fisher, de aartsbisschop van Cantenbury wel vernemen als hij zijn voorgenomen bezoek aan de paus brengt. Ik las van dit bezoek in „Trouw" d.d. 7-11-'60. Er stond ook nog, dat hij (dr. F.) de paus zal danken voor verbetering in de denkwijze van Rome ten opzichte van het protestantisme en met name inzake de Anglicaanse kerk. En verder zouden enige „onbelangrijke dingen" wel ter sprake komen.

Over die „onbelangrijke dingen" zijn we, en worden we waarschijnlijk niet ingelicht. Maar het zou kunnen zijn, dat die „onbelangrijke dingen" over en weer als het belangrijkste zullen gelden. Een zekere verdere toenadering? Dan zou ook hier kunnen gezegd worden: „in cauda venenum", in de staart schuilt het vergif.

Hoe dit alles ook zij, voorshands is het „oecumenisch uitzicht" betreffende hereniging van Rome en Reformatie triest, ondanks meerdere oecumenische aspiraties en vriendelijkheden.

Een staal van de laatste categorie is het afstaan van de hervormde, de Martinikerk in Franeker aan de r.k. gemeente, tijdens haar dakloosheid, wegens de bouw van een nieuwe kerk. Ik kan de gedachte niet onderdrukken, dat de Herv. kerkeraad en de kerkvoogdij in Franeker niet de trouw aan het reformatorisch erfgoed kennen gelijk prof. v. d. Pol die tekent. Verraadt deze geste invloed van de vrijzinnige prediking in de officiële kerk? Mildheid is best. Doch zulke „bescheidenheid" alias mildheid gaat naar mijn besef te ver. De waarschuwing: „de Heere is nabij" heeft ook haar betekenis aan het slot van Fil. 4 vs. 5.

Ik kan niet anders zien dan het blijven van de onoverbrugbare kloof tussen Rome en de Reformatie, tenzij God ook hier wonderen werkt.

In „Hervormd Nederland" van 5 nov. jl. kwam ik de uitdrukking tegen: „internationalisatie van de zending". Ds. P. J. Mackaay gebruikte haar in een artikel, getiteld: „Over alle grenzen heen".

De aanleiding tot zijn stuk is te lezen in het begin:

„Heeft het Moderamen ook overwogen aan de Gereformeerde Zendingsdeputaten voor te stellen om gezamenlijk in West-Afrika nieuwe missionaire verantwoordelijkheden te aanvaarden? "

Op die vraag kon het Moderamen geen direct antwoord geven. Het besloot haar voor te leggen aan het Moderamen van de Generale Synode. Maar voordat hij met die mededeling zijn artikel sloot, deelde hij nog mede dat „wij in Oegstgeest menen, dat dit zeer wel kan, zulks mede, doordat er gaande is: internationalisatie van de zending".

Wat daaronder te verstaan zij, legt hij alsvolgt uit:

„Internationalisatie der zending, dat betekent dat het, doordat zendingsarbeiders van allerlei landen en allerlei kerken gaan samenwerken, duidelijk moet worden dat de zending niet maar een zaak is van een bepaalde kerk, die op haar eentje aan de arbeid gaat, maar dat zij de zaak is van de kerk van Christus, die, wanneer zij met het evangelie uitgaat naar de „niet-christelijke" wereld, wil laten zien, dat zij zich over alle grenzen en scheidsmuren heen, één weet in haar gehoorzaamheid aan de éne Heer".

Ds. Mackaay geeft daarna verschillende voorbeelden van zulk een met andere, buitenlandse kerken, samenwerken op verschillende terreinen. Dr. W. Bijleveld, die verleden jaar naar Nigeria vertrok, werkt daar in het kader van een Deense zending. Ds. Bot en dr. Van Soest werken in Ghana samen met Zwitserse zendingsarbeiders. Waarom, zo meent hij, zouden wij ook niet met de Gereformeerde zending kunnen samenwerken? Hij zegt ook, dat deze samenwerking niet zonder moeilijkheden gaat en dat het niet zo eenvoudig is als „sommige jongeren in hun enthousiasme menen". „Maar het kan", zo zegt hij. Wat hij nu verder over, indien deze samenwerking tot stand kwam, schrijft over een toenadering daardoor tussen de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, spreek ik nu niet. Het was mij te doen om het vraagstuk van de „inter-nationalisatie . De ontwikkeling van het leven, in onze tijden, het denken in continenten, stelt voor nieuwe problemen, die gevolg zijn van feiten, waarmede gerekend moet worden.

Het laatste nr. van „Alle den Volcke" bericht, dat het met de uitbreiding van ons zendingswerk in Zuid-Afrika nog niet helemaal in kannen en kruiken is. Het Hoofdbestuur kan er nu niet meer van zeggen, doch zal te zijner tijd mededelingen doen. Wat er precies gaande is, weten we niet, en behoeven we ook niet te weten. Maar de vraag kwam bij mij op, of een en ander, meer of minder direct dan, misschien ook verband houdt met bovenvermelde internationalisatie? Het zou mogelijk kunnen zijn, want ook onze zending woont niet op een eiland, maar staat midden in het wereldwoelen.

We wachten meelevend en meebiddend op wat straks het Hoofdbestutur kan mededelen en hopen, dat alles zo geleid worde, dat de plannen kunnen uitgevoerd worden.

Tot slot een stukje van een „Kerkelijke folklorist", met welke benaming Henk de Jong wel wordt betiteld, omdat hij vaak „kerkelijke" samenkomsten „verslaat". Henk de Jong nu was uit hoofde van zijn beroep op de jaarvergadering van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden, sept. jl. te Dordrecht gehouden, en ongeveer een maand later te Utrecht op de toogdag van onze „Mannenbond". Hij schrijft o.m.:

„Als verslaggever voor kerkelijke zaken kom je in allerlei kerken en kringen. Zo zat ik in september twee dagen te Dordrecht op de jaarvergadering van de vrijzinnige hervormden. De vergadering bestond voor een groot deel uit predikanten. Er werd een zeer lang referaat gehouden, dat het eerste halfuur voor aantekeningen weinig concreets opleverde. Zodat ik de vergadering eens rustig kon observeren.

Er waren toen twee dingen die mij opvielen. Allereerst dat er matig werd gerookt en dan verreweg in de meeste gevallen een pijp. Ik telde maar enkele sigaren, meestal kleine sigaartjes. Wel rookten sommigen een sigaret maar de pijp won het glansrijk.

Vanaf mijn plaats kon ik heel wat mensen ten voeten uit zien zitten. Toen viel me nog iets op: dat er zoveel mannen met slecht gepoetste schoenen zaten. Ook wel met ietwat onverzorgde kleding; niet direct slordig, maar los, nonchalant. En dat bij een voorzitter, die het summum van correctheid in kleding en manieren te zien gaf. Hij was echter geen dominee maar notaris!

Ik oktober bezocht ik de toogdag van de herv.-gereformeerde mannenbond.

De aanblik was hier radicaal anders. Ik heb er speciaal op gelet voor de aardigheid, maar het viel mij op dat aan het schoeisel veel zorg was besteed. Je zag wel in hoofdzaak zwart — en niet, zoals bij sommige vrijzinnigen, schoenen van een exotische kleur of vorm — maar alles was zorgvuldig gepoetst.

Van de kleding gold hetzelfde. Wederom domineerde het zwart. Variëteit van jasjes en pantalons, bij de vrijzinnigen rijkelijk aanwezig, ontwaarde je hier niet. Tijdens de vergadering was het roken verboden, maar in de pauze rookte bijkans iedereen. Pijpen heb ik nauwelijks ontdekt, sigaretten weinig, kleine sigaren ook niet veel, maar dikke sigaren bij honderden! Omdat ik een zoontje heb dat sigarenbandjes verzamelt, behoeft men aan de juistheid van deze statistiek niet te twijfelen: ik bracht een paar handen vol mooie bandjes uit de vergadering der hervormd-gereformeerde broeders voor hem mee".

(„Persbureau van de Ned. Herv. Kerk", d.d. 5-11-'60.)

Met dit stukje, licht speels en niet zonder humor, kan de „Mannenbond" het doen. Deze journalist zal misschien die vergadering iets stijfjes of van een zekere plechtige allure gevonden hebben; dat is minder. Het wil mij voorkomen, dat het te prijzen is, wanneer men zich voor bijzondere gelegenheden tot in het kleed verzorgd inzet. Dat is beter dan wat een gereformeerd predikant onlangs in zijn kerkblad meedeelde, dit nl., dat men zich in zijn kring voor een receptie in optima forma kleedt, doch zich niet geneerde om „met opgestroopte mouwen" aan de Avondmaalstafel aan te zitten. Ja, de huidige cultuur van de losse stijl, dreigt steeds meer excessief te worden. Onze God is de God der tijden en gelegenheden. En het is goed daarmede te rekenen, ook in onze uiterlijke verschijning.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's