De belijdenissen van Augustinus
AUGUSTINUS' KINDERJAREN (Vervolg)
6
Keren wij nu terug naar de vraag met betrekking tot de oorsprong van de ziel, welke Augustinus opwierp. In paragraaf 9 komt hij er nader op terug. Het blijft echter bij vragen. Toch heeft hij het gevoel, dat hij reeds te ver is gegaan. Zo besluit hij dan ook: „Of belacht Gij me, wanneer ik dat vraag, en beveelt Gij me om aangaande datgene, wat ik weet, U te loven en U te belijden? "
Dat wil intussen niet zeggen, dat Augustinus op dit vraagstuk 1) niet nader in durft te gaan. Zo snijdt hij dit onderwerp bijvoorbeeld aan in De Staat Gods 2) en in zijn commentaar op Genesis 3). In dat laatste boekwerk nu lezen wij, dat Augustinus het mogelijk acht, dat God „onder de eerste werken, die Hij alle tegelijk geschapen heeft, ook de menselijke ziel heeft geschapen, om die dan te zijner tijd in de leden van het uit aarde gevormde lichaam te blazen". Toch bevredigt hem dit niet. Immers, „indien de ziel reeds gemaakt was en zich hier of daar bevond, waar kon ze dan beter zijn dan daar? Waarom moest dan de ziel, die onschuldig leefde, in het vleselijke leven van het lichaam worden gevoegd, om dan door de zonde haar Schepper te kwetsen? Ook traducianisme en creatianisme stuiten echter bij hem op bezwaren. Zo zegt hij even verder: „Als men echter wil menen, dat de ziel eerst geschapen is, toen zij in het reeds gevormde lichaam geblazen is, wat moet men dan antwoorden op de vraag, waarvan zij gemaakt is? Want dan moet men óf zeggen, dat God iets geschapen heeft of schept na de voltooiing van Zijn werken.... óf dat de ziel niet gevormd is uit het niets, maar uit iets, dat reeds bestond." Augustinus doet dus ook in andere geschriften geen positieve uitspraak. Hij laat de zaak veeleer in het midden, omdat de Schrift naar zijn mening op dit punt niet duidelijk is. Deze bescheidenheid doet ons reformatorische hart goed. Wij geloven, dat het inderdaad beter is om een zaak bij gebrek aan Schriftbewijs onbeslecht te laten, dan zich door al te veel te willen weten in het diensthuis der wijsbegeerte te laten voeren. We doen dan ook goed om deze stelregel in het oog te houden: De verborgene dingen zijn voor de Heere, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen 4). Ook de gereformeerden 5) faalden hierin trouwens niet, toen zij zich uitspraken voor het creatianisme. Zij waren namelijk tot het inzicht gekomen, dat juist bij deze opvatting het mysterie 6) geëerbiedigd bleef.
Augustinus laat het probleem dus verder rusten. Hij gaat verder met de beschrijving van zijn kinderjaren. „Reeds aan het einde van mijn kindsheid", zegt hij 7), „zocht ik tekens, waardoor ik mijn gevoelens aan anderen kon kenbaar maken." Terwijl hij dit zo zegt, komt ineens de gedachte bij hem op, dat zon vernuftig schepsel toch alleen van God kan komen. „Of", zo zegt hij het ongeveinsde verbazing 8), „zal iemand de kunst bezitten zichzelf te scheppen? Of ontspringt elders een bron, waaruit het zijn en het leven in ons vloeit, of zijt niet alleen Gij het, Heere, Die ons maakt, voor Wie zijn en leven niet onderscheiden zijn, omdat juist die éénheid het hoogste zijn en het hoogste leven betekent? " 9).
Deze woorden brengen hem ertoe om ons er iets van te doen gevoelen, wat het betekent, dat God „eeuwig" is. Hij beseft, dat hij hier over onbegrijpelijke dingen spreekt. „Wat wonder", zegt hij echter in één van zijn preken 10), „als gij het niet begrijpt. Want als ge het begrijpt, is het God niet." Zo eindigt hij ook hier: „Laat hem dan toch zich verheugen en laat hem liever door dit niet te vinden U vinden, dan door het te vinden U niet te vinden." 11).
Niet al te lang verwijlt Augustinus bij zijn prille jeugd. Wel is hij ervan overtuigd, dat hij ook toen reeds zondigde. Maar die tijds is — zo zegt hij — „gehuld in dezelfde duisternis mijner vergetelheid als de tijd, die ik doorleefde in de schoot mijner moeder." 12)
AUGUSTINUS' KNAPENLEEFTIJD
In deze periode vielen ook zijn schooljaren. Een moeilijke tijd is dat voor Augustinus geweest! Weliswaar bleek al vroeg zijn opvallende begaafdheid, maar daar stond tegenover, dat hij een speels karakter had. Zo valt er dan ook een trieste toon te bespeuren, als hij van die tijd verhaalt. Wij horen hem bijvoorbeeld klagen 13): „Die vóór ons dat leven hadden doorgemaakt, hadden kommervolle wegen aangelegd, langs welke wij gedwongen werden te gaan tot vermenigvuldiging van moeiten en smarten voor de kinderen Adams."
In diezelfde tijd begint ook God binnen zijn gezichtskring te komen. Dit eerste contact loopt echter uit op een grandioze teleurstelling. Augustinus vertelt er het volgende van 14): „Wij ontmoetten mensen, Heere, die U aanriepen en wij leerden van hen en begrepen, voorzover wij konden, dat Gij een groot Wezen waart, dat, hoewel niet waarneembaar voor onze zintuigen, ons kon horen en helpen. Want als knaap begon ik U aan te roepen, mijn Hulp en mijn Toevlucht, en ik maakte de banden mijner tong los om te roepen tot U en, zo klein als ik was, smeekte ik U met grote innigheid, dat ik op school geen slaag zou krijgen. En toen Gij mij niet verhoordet, — wat mij geenszins tot nadeel was — lachten de oudere mensen, ja zelfs mijn ouders, die toch niet wilden, dat mij iets kwaads overkwam, om de slagen, die toen een groot en zwaar leed voor mij waren." Later zou Augustinus verstaan, dat hij daarom geen verhoring kreeg, omdat hij niet het hoogste Goed, maar slechts een aards goed beoogde. Wij maken hem er echter geen verwijt van, dat hij zulks als knaap niet zag. Hoeveel volwassen mensen zullen er misschien ook in onze lezerskring zijn, die om allerlei goed bidden, maar intussen het hoogste Goed versmaden! En dan durven zij wellicht God nog het verwijt te maken, dat Hij hun gebeden niet heeft verhoord!
Zo hebben wij dus Augustinus horen klagen over de hardheid van het schoolleven. We moeten dat echter niet verkeerd opvatten. Zijn bedoeling is niet op deze wijze zijn eigen leitje schoon te vegen. Integendeel! Wij horen hem juist zeggen: „En toch zondigden wij door minder te schrijven of te lezen dan men van ons eiste". 16). Wellicht bent u een weinig verbaasd over deze opmerking. „Zonde? Zonde? ", zegt u misschien, „is niet goed je best doen op school dan zonde? " En ik geef toe, dat Augustinus hier wel uitermate nauw van conciëntie 17) blijkt. Het is echter de vraag, of dit tegen de kerkvader pleit. Zijn wij misschien niet vaak veel te ruim van consciëntie? Zijn wij wellicht al te gauw geneigd om ondeugd met een vergoelijkende glimlach af te doen?
Zijn schuldbesef verhindert Augustinus intussen niet om fel critiek te leveren op het schoolleven van zijn tijd. Het optreden der volwassenen was n.l. volgens hem vol van onwaarachtigheid. Zo horen wij hem dan ook met heftige verontwaardiging zeggen 18): „De beuzelarijen der volwassenen noemt men zaken, maar als knapen zulke dingen doen, worden ze door de ouderen gestraft en niemand heeft medelijden met de knapen.... Of keurt soms iemand, die de zaken juist beziet, het goed, dat ik klappen kreeg, omdat ik als knaap met de bal speelde en door dat spel verhinderd werd mij snel de kennis eigen te maken, waarmee ik, ouder geworden, op minder fraaie wijze zou spelen? " Treft deze vlijmscherpe critiek misschien ook vele ouders uit ons midden. Ik wil u geen verwijten maken, maar er wel terloops op wijzen, dat menige oudere juist daardoor zijn prestige bij de jongeren verspeelt, doordat hij in 't groot doet, wat hij aan hen in 't klein verbiedt.
Terwijl Augustinus over dit alles spreekt, maakt hij in het voorbijgaan een opmerking 19), die onze aandacht verdient. Hij spreekt God namelijk aan als „Bestuurder en Schepper van alle natuurlijke dingen, van de zonden echter slechts de Bestuurder." Dat God niet de Auteur van de zonde is en dat de zonden toch aan Zijn besturing zijn onderworpen, leert hij op vele plaatsen. Zo zegt hij bijvoorbeeld in zijn Uiteenzetting over psalm 7 20): „God heeft niet gezegd: er zij duisternis, en toch heeft Hij haar bestuurd.... met duisternis worden de zonden bedoeld." Waarom hij hier zo vaak de vinger bij legt? Wel, hij wil zijn lezers er voor behoeden, dat zij hetzij Gods rechtvaardigheid, hetzij Zijn almacht zouden verduisteren, door Hem tot de Auteur der zonde te maken of de zonde juist aan Zijn wereldbestuur te onttrekken.
1) Het gaat hier dus om de vraag, wanneer de menselijke ziel ontstaat. Hierover is eigenlijk nooit eenstemmigheid geweest. De griekse wijsgeren kenden aan de ziel een eeuwig voortbestaan toe. Hun standpunt heeft in de christelijke kerk weinig navolging gevonden.
Dat hing hiermee samen, dat men daar ontkende, dat de ziel een stukje van de godheid was. Alleen Origenes leerde, dat de ziel van eeuwigheid door de Logos (is het Woord vlg. Joh. 1) geschapen was en pas bij de geboorte aan het lichaam verbonden werd. Deze opvatting wordt aangeduid als het „prae-existentianisme". Daar naast heeft men het „traducianisme", dat leert, dat de ziel ontstaat door een soort geestelijke voortplanting, die met de lichamelijke voortplanting samengaat. Tenslotte is daar het „creatianisme". Volgens die opvatting schept God in ieder mens voor of bij de geboorte een ziel. Hierbij moet men dan echter het volgende bedenken: God „schept een ziel niet eerst buiten het lichaam, om ze dan van buiten af daarin te dragen, maar Hij heeft het bestaande psychische leven te zijner tijd en op een voor ons onbegrijpelijke wijze tot een hoger menselijk, geestelijk leven op" (Bavinck, Geref. Dogm. II, 546). Tussen traducianisme en creatianisme is de strijd onbeslist gebleven. Wel is het zo, dat het traducianisme vrijwel alleen door de Luthersen wordt aangehangen, terwijl het creatianisme wordt voorgestaan door de Gereformeerden, maar ook door Grieks-Katholieken en Rooms-Katholieken.
2) De Civ. Dei X, 30.
3) de Gen. ad litt. VII, 35, 36, 40.
4) Deut. 29 : 29.
5) „gereformeerden" hier te verstaan van alle geestelijke afstammelingen van Calvijn.
6) verborgenheid.
T) Conf. I, 10.
8) Conf. I, 10.
9) Er is volgens Augustinus in de mens een blijvend en een veranderlijk element. Het blijvende is het naakte feit, dat hij mens is; het veranderlijke is zijn leven, dat immers nu eens droefheid, dan weer blijdschap kent, nu eens voorspoed, dan weer tegenspoed. Bij God is „zijn" en „leven" echter niet onderscheiden. God blijft in de volheid van Zijn deugden Zichzelf steeds gelijk".
10) Serm. 117, 5.
11) n.l. iemand, die dit niet begrijpt.
12) Conf. I, 10.
13) Conf. I, 12.
") Conf. I, 14.
15) Conf. I, 14.
16) Conf. I, 15.
17) geweten.
18) Conf. I, 15.
19) Conf. I, 16.
20) Enarr. in Ps. VII, 19; zie ook: De Civ. Dei II, 17.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's