De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

12 minuten leestijd

Hand. 16 : 30-31.

19

De vorige maal zagen wij de gevangenbewaarder als een man, die door God Zelf op een wondere wijze uit de slaap werd gewekt, en niet alleen in letterlijke, maar ook in veel diepere zin in grote nood kwam te verkeren. Wij zagen hem als het ware weer staan met het zwaard op zijn borst gericht. Dit bepaalde ons ook weer bij het feit, dat hier niet alleen de Heere begon te werken, doch dat anderzijds de Boze er weer direct tussen kwam om dit werk te verstoren. Hij zou deze man graag het ergste hebben laten doen, wat een mens doen kan!

Maar dan bepaalt Handelingen 16 ons erbij, dat het komt tot die dringende vraag uit de nood. Eerst, zo zegt de Schrift ons, is daar de stem van de apostel: „Doe uzelf geen kwaad", 't Gaat er ons nu niet om, hoe Paulus alles bemerkt en gezien heeft; in elk geval is hij zich bewust, wat er dreigt te gebeuren en zo zijn daar zijn woorden, waarin de gevangenbewaarder tegen zichzelf in bescherming genomen wordt. En die stem houdt de man inderdaad terug van zijn voornemen. Hoe kon het ook anders, daar de Heere aan die man bezig was, om hem tot kennis der zaligheid te brengen?

En dan volgen de gebeurtenissen elkaar snel op, volgens de Schrift. De gevangenbewaarder, enigszins tot bezinning gekomen, vraagt om licht. En even later kan hij met de toorts in de hand alles in ogenschouw nemen.

Wij kunnen ons voorstellen, dat het dan weer een indrukwekkend moment voor deze man is geweest. Hier was voor hem het éne wonder na het andere. De aardbeving, geopende deuren en gevangenen, die wel van hun ketenen waren bevrijd, maar toch nog aanwezig waren. Dat laatste was niet te verklaren uit natuurlijke schrik; dezelfde Hand, welke eerst hen losmaakte, hield hen daarna vast. En het meest wonderlijke was wel, dat die twee gevangenen Paulus en Silas, tevoren zo zwaar mishandeld, hun beul voor onheil wilden bewaren en dat er iets van een bovenaards licht glansde in hun ogen om het wondere antwoord, dat hun Heere hen op hun gebeden gegeven had. Weer moet deze gevangenbewaarder er iets van beseft hebben, dat een ongekende, huiveringwekkende wereld zich voor hem ontsloot, dat hij van aangezicht tot aangezicht stond tegenover

Daarna volgen weer enkele dingen elkaar snel op. Wij gaan ze zonder meer voorbij. Opnieuw de siddering bij de gevangenbewaarder. Dan brengt hij Paulus en Silas naar buiten. Onze aandacht vestigen wij nu op zijn vraag: „Lieve heren, wat moet ik doen, om zalig te worden? "

Even willen wij er niet aan voorbij gaan, dat deze man dus hier in déze situatie die vraag stelt aan de apostel en diens medewerker. Daar staat hij, toonbeeld van wat een mens nu eigenlijk is, ondanks de schatten en zekerheden der wereld, geconfronteerd met de majesteit Gods. Daar staat hij, terwijl hij daar zelf iets van beseft en doorleeft. En tegenover hem staan Paulus en Silas, dragers van het Evangelie; als aarden.vaten zijn ook zij, doch uit alles valt te bemerken, dat zij een bijzondere «chat mogen dragen. Het straalt uit» hen! En nu gevoelt hij, dat hij bij deze mensen terecht kan, dat zij een antwoord hebben op zijn vraag, waarin hij zijn nood blootlegt. Welk een eer geeft God hier Zijn dienstknechten weer, dat die man dat aangaande hen aanvoelt!

Niet voor niets spreekt hij hen ook aan met „lieve heren'. De Statenvertaling heeft hier dat „lieve" ingevoegd. En geeft er daarmee blijk van, dat de vertalers de stemming en verhouding goed hebben aangevoeld. In dit woordje „lieve" klinkt de sympathie door, die leeft, in het hart van de gevangenbewaarder voor deze mannen, die de hun aangedane smaad beantwoorden met bijzondere belangstelling in zijn lot. En verder; inderdaad zijn deze mannen héren. Zij mogen groot zijn, door wat God hen gaf. Nooit heeft de gevangenbewaarder zulke „heren" in het trotse Romeinse wereldrijk ontmoet!

Intussen luisteren wij verder naar de vraag, welke de gevangenbewaarder gesteld heeft: „Wat moet ik doen, om zalig te worden? " Er zijn uitleggers van de Schrift, die ons inziens deze vraag vervlakken, omdat zij er alleen in horen een verlangen om te ontkomen aan de gevolgen van het feit, dat de kerkerdeuren geopend werden. Alleen angst voor de aardse overheid zou achter deze vraag liggen! Doch dan is het wel vreemd, dat de gevangenbewaarder deze vraag stelt, nadat hij reeds aan de weet is gekomen, dat de gevangenen niét ontvlucht zijn! Bovendien is het stellig niet zonder betekenis, dat Paulus en Silas hem als antwoord het Evangelie prediken en daarin een verlossing op het oog hebben, veel dieper, dan alleen uit een bepaalde, tijdelijke moeilijkheid.

't Is stellig niet onjuist, hier de vraag uit het antwoord, dat daarop gegeven wordt, te verklaren. Dit kan ook niet anders, wanneer de tekening van deze gevangenbewaarder en van Gods werk aan en in hem, welke wij tot nu toe gaven, juist is!

Maar dan durven wij te zeggen, dat wij hier te maken hebben met een noodkreet, welke losbrak uit een hart, dat door Gods Geest is wakker geschud uit de geestelijke slaap, en dat zich bewust is geworden tegenover Gods majesteit niet te kunnen bestaan, — dat zich tegenover die majesteit schuldig en veroordeeld weet. En dat het nu in die toestand niet kan uithouden, maar schreit om wegname van die schuld, om iets, waardoor het toch weer voor die majesteit Gods bestaan kan.

Hoe diep en hoe helder dat alles lag in het hart van deze man? Dat blijft voor ons een verborgen zaak. Maar dat iets van dit besef bij deze man gevonden werd, zullen wij als zeker mogen aannemen. Doch zo moeten wij die vraag nog eens zien in het licht van de gebeurtenissen, die vooraf zijn gegaan. Wij spraken een vorige maal reeds over die aardbeving. Doch nu vragen wij: zal dit het enige middel geweest zijn, waardoor de Heere deze man in geestelijk opzicht gewekt heeft en die vraag in zijn ziel geboren heeft doen worden?

Ik dacht, dat wij hier nog op andere dingen moeten letten. Tevoren hadden Paulus en Silas dus al enige tijd in Filippi gepredikt. En hun prediking vond reactie. Daar was die vrouw met haar waarzeggende geest en haar roep: „Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons de weg der zaligheid verkondigen." Heel de stad was vervuld van dit opzienbarend gebeuren. Zal de gevangenbewaarder daar onwetend van geweest zijn? Toen is hij in de weg van Gods voorzienig bestel in contact gekomen met deze dienstknechten Gods. En zal misschien Paulus, zodra hij enigszins van de geseling bekomen was, gedaan hebben naar zijn eigen vermaan: „Predik het Woord, tijdig, ontijdig? " Daarbij heeft de gevangenbewaarder niet alleen gehoord, maar ook gezien 't Woord der zaligheid in de houding van deze mannen. En toen geschiedde daar te middernacht die aardbeving en vonden er die andere wondere dingen plaats. Toen vond er tevens een aardbeving binnen in zijn ziel plaats, waarbij hij tot op de fundamenten van zijn bestaan bewogen én gebroken werd.

Doch dan mogen wij zeggen, dat er ook hier bij deze man niet alleen het spreken Gods was in „de natuur", maar ook door het Woord. Echter, als wij ook hier dan de Heere door die verschillende middelen aan die man zien werken, dan mogen wij toch zeker aannemen, dat de vraag, welke hij uiteindelijk aan Paulus en Silas stelt, uit het bewustzijn van een diepere, geestelijke nood geboren is. Is zijn vraag in beginsel niet dezelfde als van de hoorders op de Pinksterdag na de prediking van Petrus: „Mannen broeders, wat zullen wij doen? " en van Saulus op de weg naar Damascus: „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? "

„Wat moet ik doen? ", zo horen wij de gevangenbewaarder vragen. Wij moeten dit natuurlijk niet in Farizeeïstische zin nemen, als zou hij zijn behoud door eigen prestaties willen veroveren. Zijn vraag ligt principieel veel dichter bij de bede van de tollenaar; met alle eigen prestaties moest deze man juist ondersteboven; de weg, waarop nog sprake zou kunnen zijn van enige verdienste, is voor hem een opgebroken weg geworden. Zal er redding zijn, dan zal dat genade en gave van een Ander moeten zijn. Toch sluit dit alles blijkbaar voor zijn besef niet uit, dat hij toch ook iets doen moet. Hij moet het middel weten en dat aangrijpen, hij moet de weg kennen en die bewandelen. Hij is in deze onkundig; hij belijdt dat en begeert te weten!

Wij zien hem als het ware weer staan: niet meer met het zwaard op zijn borst gericht, doch die vraag stellend.

Lydia was een vrouw, die reeds sympathiseerde met de Joodse religie, deze man is een volslagen heiden. Hij is de eerste heiden in Europa, die tegenover de dragers van het Evangelie staat met deze vraag. Voor Paulus en Silas moet dit betekend hebben, dat het gezicht van de Macedonische man realiteit werd: „Kom over en help ons".

En zo geven zij het antwoord: „Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden". Stellig hebben zij als door heilige ingeving en in zielskundige wijsheid begrepen, dat zij hier te doen hadden met een gekende en gegrepene des Heeren, met één, die in diepe nood hunkerde naar hét antwoord op zijn vraag, geboren uit die nood. Hier vonden zij weer een toebereide akker. Zo zullen zij eveneens aangevoeld hebben, dat hier hun werk weer voortgang mocht hebben. En dat zij hier maar één ding hadden te doen: het Evangelie brengen. Omdat zij wisten dat daarin alleen hét antwoord en de redding voor die man gelegen waren. Zo zijn zij in actie gekomen, als herders, die het verloren schaap zochten thuis te brengen.

Wat kan anders het antwoord zijn op de vraag van die gevangenbewaarder, in deze situatie, dan het Evangelie? Paulus en Silas brengen hem dat, in zeer summiere vorm. Doch daar lag alles in. Zij brengen hem de prediking van de Heere Jezus Christus. Volgens het oorspronkelijke werd hier de naam Christus niet genoemd. Dus zij prediken hem de Heere Jezus. En wij verstaan toch, dat zij dat niet zonder reden gedaan hebben. Jezus, — dat is toch de Redder in de diepe, volle zin van het woord, van God Zelf gegeven. Hij heeft Zich onder het oordeel gebogen en alles volbracht, om anderen van onder dat oordeel te verlossen; om te bevrijden uit het grootste kwaad, de zonde en de dood, en te brengen tot het hoogste goed, de verzoening en het leven met God. En niet voor niets noemen Paulus en Silas Jezus ook hier de Heere. Tevoren had de gevangenbewaarder hen heren genoemd, en in het Romeinse wereldrijk gold de keizer als „heer". Paulus en Silas richten zijn aandacht op een andere Heere. Op Jezus, Die waarlijk Heere is. Die Zijn leven gaf, om zondaren tot Zijn eigendom te maken, zodat zij niet meer voor hun eigen rekening, maar voor Zijn rekening zouden liggen en in de dienst van Hem de ware vreugde weer zouden vinden.

Natuurljk bedoelen Paulus en Silas die gevangenbewaarder te zeggen, dat Jezus de Redder en de Heere, ook van hém, wilde zijn. Doch dat kon slechts op die ene manier en langs die ene weg verwerkelijkt worden, welke het Evangelie altijd weer wijst: de weg van het geloof. „Geloof in de Heere Jezus", zo luidt ook hun prediking. In het oorspronkelijke gebruikten Paulus en Silas hier niet het meest gewone woord voor geloven in"; toch is dit hier stellig wel bedoeld.

Dat bleef nu dus ook voor deze man, in deze situatie, over: de oproep tot geloof. Hij vroeg: „wat moet ik doen? " Het antwoord zegt hem eigenlijk, dat hij niets zelf moet doen, dat hij dat niet kan en behoeft, als het gaat om die redding. Eén heeft alles volbracht, ook voor hem. Echter anderzijds zegt het antwoord hem, dat hij het meest noodzakelijke en hoge doen moet, wat een mens ooit doen kan, nl. afzien van zichzelf en zich geheel en onvoorwaardelijk overgeven aan die Ene, vertrouwen op, leven uit die Ene. In deze weg zal hij zalig zijn, wat in de mond van Paulus en Silas stellig haar diepe en rijke zin heeft.

Natuurlijk kunnen wij hier weer vragen: wisten Paulus en Silas niet, dat geen mens het uit zichzelf tot dit geloof brengen kan en dat juist een mens, in zulk een diepe nood, als die gevangenbewaarder, geen vrijmoedigheid heeft tot dit geloof? Toch roepen zij hem op tot dit geloof. En zij zijn ook in deze tot een voorbeeld, van wat de rechte prediking tot inhoud moet hebben. Hét antwoord op de vragen, welke opkomen uit een hart, dat echt vastgelopen is, is de prediking van de enige Naam. En Christus heeft er recht op, dat Hij als zodanig wordt voorgesteld. Hij, Die zo van de Vader gegeven is en Zichzelf overgegeven heeft, heeft er récht op, dat men zich aan Hem toevertrouwt. En waar Hij zo gepredikt wordt, daar zal degene, die Hem predikt, weten, dat niemand uit zichzelf tot dat geloof komen zal, doch tevens mogen vertrouwen, dat God Zelf het onder en door die prediking werkt in het hart. Elke prediker, die zelf iets kent van de rijkdom, welke in Christus is, kan niet anders dan in zijn prediking uiteindelijk die Christus aanprijzen; hij worstelt als het ware om de zielen met die Christus te mogen verenigen.

Zal de prediking van Paulus en Silas niet een worstelen geweest zijn om de eer van hun Heere en om het behoud van die gevangenbewaarder, temeer daar het er hier om ging om een bres te slaan in de muur van het heidendom van Europa? God heeft hun prediking niet ongezegend gelaten. Wij weten, hoe die gevangenbewaarder tot geloof is gekomen.

Met opzet overzagen wij deze geschiedenis op déze manier. De volgende keren gaan wij in op de gestelde vragen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's