De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

12 minuten leestijd

Vervolg: Handelingen 16 : 30-31.

20

Nóg wacht de vraag op antwoord: waar is in deze geschiedenis van de gevangenbewaarder de functie van de Wet? Achter deze vraag ligt natuurlijk de gedachte dat er toch in het hart en leven van een mens geen plaats is voor de verlossing en voor Christus, noch voor het rechte verstaan van wat die verlossing eigenlijk inhoudt, dan alleen, wanneer die mens zich eerst bewust is geworden in welke ellende hij verkeert, en wat het betekent een schuldig en verloren mens te zijn, die zichzelf onmogelijk verlossen kan. Zei Jezus Zelf niet: die gezond zijn hebben de medicijnmeester niet van node, doch die ziek zijn en zich dit laatste bewust zijn? De vragensteller bedoelt natuurlijk te zeggen: die kennis der zonde is toch door de Wet? En hij denkt daarbij aan het woord van Paulus in Romeinen 3: „Door de Wet is de kennis der zonde" en aan zondag 2 uit de Catechismus.

Deze gedachte is juist. Maar, wij moeten er voor oppassen het werk Gods te veel te willen schematiseren en in één vast keurslijf te wringen. Bovendien mogen wij niet vergeten hoe het eigenlijk staat met die Wet Gods. Zeker die is als het ware gekristalliseerd en geconcretiseerd in de Tien geboden, maar ze is wijder, grootser. Wij zouden het zó willen zeggen: overal waar God tot de mens komt, is er Zijn Wet, immers, daar komt Hij als Gód tot die mens. En dat betekent, dat Hij Zijn goddelijke eis kan laten gelden, dat die mens Hem zou liefhebben boven en in alles en dat diens hart en leven steeds op Hem gericht zouden zijn.

Reeds in het paradijs was er die verhouding tussen God en de mens, gebaseerd op de schepping. De mens wist, dat hij zó met God te doen had, als schepsel tegenover zijn Schepper. De Wet Gods was hem ingeschapen en daarin lag zijn leven. Door te leven naar die Wet was hij in zijn element, als een vis in het water, als een vogel in de lucht. Door de zondeval is het bewustzijn van die verhouding, zo niet geheel uitgewist, toch ten zeerste verduisterd. Het geweten is gebleven, en daarin spreekt bet bewustzijn van die verhouding nog. Maar dit is dé zonde van de mens, dat hij God niet meer als God erkennen wil en in plaats van bij alles op God gericht te zijn, op zichzelf is gericht geworden en zijn eigen ik in het centrum van zijn leven geplaatst heeft.

God de Heere heeft echter de mens niet losgelaten, noch aan zichzelf overgegeven. Daar is Zijn komen, daar zijn Zijn werken, om die gestoorde verhouding te herstellen. En met het oog daarop, komt Hij niet alleen met het Evangelie, in Christus, tot de mens, doch ook opnieuw met de Wet. En deze krijgt opnieuw gestalte in de Tien geboden. Maar, dit neemt niet weg, dat wij hier de dingen veel breder moeten zien.

Wat krijgt in de Tien geboden bijzonder gestalte? Dat God, ook na de val van de mens. God is gebleven en ons hart en leven opeist, liefde vraagt. Ten diepste eisen de Tien geboden niets anders, dan wat de Heere reeds vanaf de schepping in het paradijs van de mens gevraagd heeft. Zei ook Mozes niet tot Israël, dat de Heere eigenlijk van hen vroeg liefde? En heeft ook Jezus niet in deze zin de Tien geboden samengevat in een hoofdsom, daarmee niet iets nieuws lerende, doch iets zeer ouds, wat echter de Schriftgeleerden in Zijn dagen uit het oog verloren hadden?

En daarom, de Heere komt met Zijn Wet niet alleen tot ons in de Tien geboden. Als wij het goed zien, kunnen wij zeggen: altijd, als God tot de mens komt en met hem bezig is, komt Hij met de Wet. Dan wil Hij God zijn en als zodanig erkend. Dan eist Hij overgave, gehoorzaamheid, liefde. Dat is zo, als wij de Tien geboden horen. Dat is óók zo, als wij Zijn Evangelie horen. Zeker, het Evangelie mogen wij niet maken tot een soort nieuwe Wet. Het Evangelie is vooral belofte van rijke genade, gave, uiteindelijk gave van Christus. Maar dat houdt toch ook in, dat het feit, dat de Heere zoveel belooft, tevens in zich besluit, dat Hij eist, dat wij luisteren zouden met oor en hart! 't Is opmerkelijk, dat in de Heilige Schrift het woord voor geloven, dat vooral op het Evangelie betrokken is, ook gehoorzamen kan betekenen.

En zó ligt het nu toch ook, als God de Heere allerlei bemoeienissen met de mens houdt. Wij doen natuurlijk niets af van de geheel enige betekenis van de bijzondere openbaring Gods in Zijn Woord, doch, spreekt de Heere ook niet in allerlei leidingen, welke Hij met een mens houdt, in de zegeningen én in de beproevingen van het leven? En ligt dan in dat alles ook niet Zijn eis besloten, dat Hij als God erkend zou worden en het leven van de mens niet om zijn eigen ik en zijn door de zonde bedorven begeerten zou cirkelen, maar om Hem? En nu, geen mens wordt zalig, of de inhoud van het Evangelie, Christus, moet in zijn hart en leven een plaats vinden. Doch dat zal zó niet zijn, wanneer hij zich eerst niet bewust is, hoe ellendig en schuldig , hij is, hoe hij met Gód en Diens hoge eisen te maken heeft en nu in plaats van die gehoorzaamheid en liefde, welke de Heere vraagt, ongehoorzaamheid en zelfliefde bij zichzelf ontdekt. Waarbij alle mogelijkheid om zichzelf uit die toestand te verlossen en zichzelf te veranderen, afgesneden is en hij moet erkennen, om dit alles voor God niet te kunnen bestaan. Zijn rechtvaardig oordeel te verdienen. Tot dit bewustzijn kan hij zichzelf nooit brengen; dit is Gods werk. Die door Zijn Heilige Geest een mens aangrijpt en leidt tot, leidt in deze kennis. Maar dit kan dan toch niet geschieden, zonder dat Hij ook met de goddelijke eis tot de mens komt, de mens die bewust maakt, opdat deze zich daaronder schuldig en veroordeeld zou weten.

Echter, dit doen Gods mogen wij nooit teveel systematiseren. De Heere is groot, ook in dit werk. 

't Kan zijn, dat daar iemand is, van jongsaf in de gemeente Gods en in een christelijk milieu, bij het Woord, opgevoed. In dat Woord kwam op een concrete wijze de Wet Gods én het Evangelie tot hem. En op een wijze, voor het oog zonder felle beroeringen, wordt hij zich bewust van de eis Gods op zijn leven. Maar al meer gaat hij inzien, wie hij zelf is, hij gaat zich schuldig voor God weten en hij gaat die wondere droefheid dragen om zijn bedorvenheid en onmacht, vooral om zichzelf van zijn zelfliefde te verlossen. Zo ontstaat en groeit echter ook die wondere behoefte in zijn ziel naar het Evangelie en wordt er plaats gemaakt in zijn leven naar Gods onuitsprekelijke gave in Christus.

Maar, het kan ook zijn, dat daar een ander is. Eén, van jongsaf in de gemeente Gods groot gebracht, doch met een moeilijker leidbaar karakter en hij kiest openlijker voor de wereld. Of daar is nog een ander, die niet zó bij het Woord is opgevoed. Is het niet zo, dat, als de Heere zulken wil toebrengen, het vaak op een veel meer schokkende wijze toegaat? Bepaalde slagen in het leven, de verbreking van bepaalde idealen, kunnen dan een middel in Gods hand zijn. Zij ontmoeten God daarin, Die Zijn recht op hen gelden laat. Niet, dat zij zich dat direct zo bewust zijn, maar het laat hen niet meer los. Daar zijn de hamerslagen van de Almachtige, daar is de wekstem des Heeren. En het is alles, opdat zij zich ook eerst hun ellende bewust zouden worden. En o zeker, dan zijn deze leidingen Gods op zichzelf nooit genoegzaam. Daaruit alleen gaat geen helder licht op. Maar, als de Heere Zijn werk begonnen is, zal Hij verder leiden en helderder licht doen opgaan. En dat helderder licht zullen ook zij uit het Wóórd ontvangen. Daaruit zullen ook zij verder leren verstaan, met welke eis de Heere tot hen komt, met die eis van gehoorzaamheid en liefde en dat zij schuldig, onmachtig, onwillig daartegenover staan. Door het Wóórd zullen ook zij zich verder geoordeeld weten. Maar zo zal ook in hun leven de bedding gegraven worden voor. het Evangelie en vóór wat God in Christus geven wil, de verzoening met Hem en de verlossing van hun eigen liefde, opdat zij Hem zouden vrezen en liefhebben.

Het is nooit anders: er kan geen waarachtige behoefte aan en kennis van de verlossing zijn, zonder de kennis van zonde en ellende. De Heilige Geest, Die dit alles werkt, is de grote Trooster en Advokaat. Doch Hij treedt als zodanig op, waar dan ook het bewustzijn van diepe nood en schuld is en van de onmogelijkheid van verlossing. Daar treedt Hij op als Trooster en Advokaat, in het Evangelie van Christus, en beweegt Hij tot geloof in die Christus, brengt Hij tot hartelijke overgave aan die Christus. Doch juist, omdat de Heilige Geest zó werkt, is Hij éérst de grote Beschuldiger. Hij is als de Arts, Die de rechte genezing brengen mag, doch eerst constateert en eerlijk zegt, hoe het er mee staat.

't Is nu wel duidelijk, hoe dit alles in de geschiedenis van de stokbewaarder functioneert. De Schrift zegt het ons immers, hoe daar eerst dat wonder van de aardbeving is. Daarin ontmoet deze man God reeds; hij moet er iets van beseft hebben, dat de almachtige, levende God tot hem kwam en Zijn eis op hem deed gelden. En dat zou hij zó niet hebben verstaan, dachten wij, wanneer hij tevoren niets gehoord had van de prediking van Paulus en Silas en van dat geroep van die vrouw in Filippi, Ook daarin moet God tot hem gesproken hebben als dé levende God, Die Zijn eis op zijn leven gelden deed. En dan is daar verder de prediking van Paulus en Silas, het Evangelie en de eis tot geloof en gehoorzaamheid. Door dat alles is deze man die diep ongelukkige man geworden, met heel zijn heidendom en met het dienen van zichzelf hopeloos vastlopend. Functioneert ook hier de Wet niet, in de brede zin van het woord, dat God God is en gehoorzaamheid, liefde vraagt, en dat de mens nu zo verdoemelijk is voor God, omdat hij zo gebonden ligt in zijn valse eigen liefde?

Bovendien mogen wij er hier niet aan voorbijgaan, dat de Schrift zegt, dat Paulus en Silas, nadat zij deze man in zijn ellende zeer summier de enige weg des behouds gepredikt hebben, het daarbij niet gelaten hebben. Er staat, dat zij tot hem spraken het Woord des Heeren. Ook hierop moeten wij letten. De omstandigheden waren er niet naar, de predikers waren uitgeput, de hoorders gejaagd door schrik, er was wel ander werk te doen om orde te scheppen in de chaos. Toch hebben Paulus en Silas blijkbaar dit moment aangegrepen. Als een verstandig veldheer, die, zich bewust van de wankeling van de vijand, doortast en alle kracht inzet op één punt, of als een zorgvuldig geneesheer, die bij een ernstig geval niet vraagt naar tijd en zich niet beperkt tot het geven van enige nuttige adviezen, doch terstond en grondig al zijn kunnen inzet ten bate van de patiënt, zó handelen nu Paulus en Silas. Wat zij thans doen, getuigt van grote wijsheid.

Die gevangenbewaarder staat daar nog, bevende, vlak tevoren nog zou hij zichzelf van het leven beroofd hebben, en zo juist klonk daar zijn vraag: „Wat moet ik doen om zalig te worden? " Is het nu voldoende, deze man alleen die summiere boodschap te brengen: „Geloof in de Heere Jezus en gij zult zalig worden"? Bovendien moet Paulus zich bewust geweest zijn, dat het hier een moment was, belangrijk voor heel de voortgang van het Evangelie in Europa en in de wereld van zijn dagen. Die stokbewaarder staat daar als vertegenwoordiger van het Romeinse imperium. De vraag rijst: zal er een bres in deze muur kunnen worden aangebracht, een doorbraak, in de goede zin van het woord?

Zo zouden Paulus en Silas geen wijze dienaren van het Evangelie geweest zijn, indien zij het op dit ogenblik die man niet nader verklaard hadden en hem dieper ingeleid in de waarheid tot zaligheid. Ziet, Paulus en. Silas zijn geen mannen geweest, die een zo groot mogelijk aantal zielen wilden buit maken en daarom maar oppervlakkig predikten, evenmin waren zij, propagandisten, die de massa wilden winnen door vlammende spreuken, maar zij waren bedienaren van het Woord Gods, verkondigers van de volle Raad Gods. En daarom hebben zij die man in die situatie verder het Woord Gods verkondigd. Stellig hebben zij hem nog veel meer gepredikt aangaande de levende God en Zijn eisen, welke Hij gelden laat, en aangaande de mens in zijn schuld en verlorenheid én aangaande Christus en Diens werk. Zal door middel van dit verder onderricht die gevangenbewaarder zich nog niet klaarder zijn ellende bewust zijn geworden en is er zo niet temeer bij hem plaats gemaakt voor het Evangelie? 't Is wel duidelijk, dat deze stokbewaarder in het Evangelie, in Christus zijn volle zaligheid heeft gevonden. Waar zou hij het anders hebben moeten vinden? Maar dit alles gebeurde ook bij hem niet, zonder dat daarbij de Wet functioneerde, hij moet zich ook de eis van de levende God op zijn leven en zijn eigen verlorenheid bewust zijn geworden.

Een volgend maal nog iets over deze functie van de Wet in verband met ons kerkelijk en geestelijk leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's