Uit het nieuwe Testament
21
De vorige maal zagen wij, hoe in „de bekeringsgeschiedenis" van de gevangenbewaarder de Wet functioneerde. Wij raakten hier aan een belangrijke kwestie.
Nooit mag in de prediking en in de zielszorg het Evangelie zonder de Wet zijn. Het is zinvol, dat wij in onze godsdienstoefeningen de Wet des Heeren lezen. Persoonlijk dacht ik, dat het het beste was ze te lezen in de vorm van de Tien Geboden én van de Hoofdsom der Wet. Telkens weer wordt zodoende de gemeente er aan herinnerd: zó komt God tot u met Zijn volstrekte eis, welke Hij gelden laat op uw leven. En daarbij past de bede, dat zij door de werking van de Heilige Geest dit zou mogen verstaan. Opdat die Wet als een spiegel zou wezen, waarin zij klaar aanschouwt wat de Heere van haar eist, doch daartegenover ook met schrik eigen aangezicht, eigen hart en leven!
Zeker, centraal mag in de prediking en in de zielszorg staan de verkondiging van het Evangelie, van Christus, dat God in Hem de wereld met Zichzelf verzoenende was en dat Hij geen lust heeft in de dood van de zondaar, doch in diens bekering en behoud, ja, om die zondaar zelf, maar bovenal om Zijn eigen eer. Immers de bekeerde, verloste zondaar zal ook vernieuwd en herschapen worden tot een mens, die Hem weer vreest en liefheeft. Echter, hoe zal deze verkondiging aanslaan, als ook de Wet niet functioneert? Niet alleen in die enge zin van de Tien Geboden, maar ook wijder, dat de mens steeds weer geplaatst wordt voor het feit, dat God Zijn rechten laat gelden en dat hij zelf daartegenover zo onmachtig en onwillig en schuldig staat! Alleen zó toch is er bij die mens echt plaats voor het Evangelie en zal ook dat kunnen functioneren.
Het is goed, dacht ik, dat wij op deze dingen de nadruk leggen. Er is immers ook veel prediking, waarbij alléén het Evangelie in eenzijdige zin gebracht wordt. Daar zijn de beloften Gods, daar is de proclamatie, dat Christus alles volbracht heeft en daar is de oproep dit te geloven. Maar weinig of niet, en zeker niet indringend wordt de eis Gods gepredikt en evenmin de bedorvenheid van de mens, hoe dat concreet ligt in zijn leven, tot in de wereld van zijn gedachten en overleggingen! Dit is een prediking, waarbij het Evangelie boven de realiteit van het leven blijft zweven en niet recht functioneert in die werkelijkheid van het leven. Bovendien dreigt dan het gevaar dat het geloof niet veel meer is dan een werkzaamheid van het verstand alleen en niet echt een werkzaamheid van het hart, dat verbrijzeld werd onder de kennis van de werkelijkheid der zonde. En daarbij is dit dan het gevaarlijke: een mens wordt voor een gelovige gehouden, terwijl deze niet eens weet. wat het betekent voor eigen bewustzijn een zondaar te zijn. En er wordt een christendom gekweekt, dat wél de vreugde wil, doch zonder de ware droefheid, maar dan dreigt het een valse vreugde te zullen zijn, en dat wel op hoogten verkeren wil, doch zonder de diepgang te kennen, maar dan dreigen het valse hoogten te zullen zijn.
Neen, de prediking van de Wet mag niet gemist. Echter, dan zal dit nooit moeten geschieden als iets, dat apart staat, naast en los van de prediking van het Evangelie. Het gaat er immers om, dat God de Heere door middel van de prediking de mens nog zoekt, nog met hem bezig wil zijn tot zaligheid ter ere van Zijn Naam. Zeker, als een mens zich verhardt, is de prediking hem tot oordeel, doch dat is toch niet het hoofddoel van de prediking. Daarom moet ook de prediking van de Wet en van de eis Gods in dit bedoelen als het ware zijn ingebet. Zo was het ook onder Israël. God gaf aan Zijn volk de Wet binnen het raam van Zijn genadeverbond en van Zijn verdere bemoeienissen met Zijn volk. En zo wilde Hij juist door de Wet het besef wekken van hun eigen bedorvenheid en schuldigheid, opdat Christus, hen beloofd in de profetie en in de schaduwendienst, hun enige Hope zou zijn!
Daarom, wanneer wij opkomen, ook voor een prediking van de Wet, dan doen wij dat niet in déze zin, dat wij die prediking op een wijze gebracht willen zien, dat zij als het ware een aparte plaats krijgt. En het de mens wordt voorgehouden, dat hij eerst als het ware geheel verbrijzeld moet zijn onder de kennis van zijn zonden, als een soort voorwaarde om tot genade te komen. Het luistert hier nauw. Het Evangelie kent géén voorwaarden. Toch is de prediking van de Wet noodzakelijk. Niet, om de verbrijzeling des harten onder de kennis der zonde als een voorwaarde te stellen, maar, het Evangelie kan niet echt Evangelie voor een mens zijn, zonder deze verbrijzeling. Overtuiging en kennis van zonde zijn geen voorwaarde, wel de wég, waarlangs God de kennis der verlossing werkt.
En weer geldt ook hier, dat wij Gods werk niet mogen schematiseren en in één vast keurslijf passen.
Is het niet zo, dat wij soms de indruk krijgen, dat men onder ons inderdaad die kennis van zonde als een soort voorwaarde wil stellen? Dan moet die altijd eerst heel diep zijn en men pluist uit aan welke kenmerken die kennis eerst wel moet voldoen, zal er ook nog zo iets als een Evangelie voor de mens zijn.
Wij doen beter, de Heere ook in deze vrij te laten in Zijn werk. Wij zullen het Evangelie verkondigen en wee ons, wanneer wij dat niet doen. Maar de rechte verkondiging van het Evangelie kan niet zonder de prediking van de Wet, ze zal ook ontdekkend moeten zijn. Doch verder zullen wij dat Evangelie rijk en ruim brengen! En dan mogen wij bidden en vertrouwen dat de Heere Zijn werk doet. En dat is immers onderscheiden. Er zijn er toch, die, natuurlijk niet zonder kennis van hun zonden, al spoedig tot overgave aan het Evangelie en tot oprechte liefde jegens Christus komen. Reeds op jonge leeftijd worden zij getrokken, en welk een voorrecht, — doch de kennis van hun zonde is eerst nog een kennis in beginsel, later moet deze kennis nog heel wat verdiept worden!
En er zijn immers anderen, die eerst veel dieper worden ingeleid in de kermis der zonde, voordat zij gebracht worden tot de overgave aan het Evangelie. Is de Heere niet vrij, ook in dit Zijn doen en gaat Hij niet op verschillende wijzen te werk? Laten wij niet vergeten, dat wij in één hoofdstuk in de Schrift de bekering van Lydia én van de stokbewaarder vinden. En ook deze zijn wel heel verschillend, hoewel in wezen dezelfde!
Laten wij hierbij ook niet vergeten, dat wanneer men de prediking van de Wet en van de kennis der zonde teveel als iets aparts gaat nemen, het gevaar dreigt, dat de zielen te zeer worden vast gezet en opgehouden in dat éne: is de kennis van de zonde bij mij wel diep en echt genoeg, is het Evangelie wel voor mij? En het komt niet tot de overgave des harten aan dat Evangelie, en tot de werkzaamheid des geloofs met Christus. En zo helaas ook niet tot de zekerheid en de blijdschap des geloofs. Ligt hier niet een manco in onze kringen? Bovendien: wanneer de kennis der zonde een voorwaarde voor de verlossing dreigt te worden, wordt een mens zo gauw iets met die kennis en intussen is dan de genade geen genade meer!
Nog éénmaal: het gaat dus om Wet en Evangelie. De prediking mag zijn een aanbieding van de rijke genade Gods, in Christus. Doch zij moet ook indringend zijn en ontdekkend, scherp en zonder te sparen, open leggen de eis Gods en de verdorvenheid van de mens.
Uiteindelijk gaat het hierom: waar begint de openbaring Gods? Toch met Genesis en met de schepping. Niet met Bethlehem. Dan blijft het Evangelie zwevend. Neen, Gods openbaring begint met de schepping. En daarop is gebaseerd die bijzondere verhouding van de mens tot God, — die bijzondere verhouding van gehoorzaamheid, liefde. Waar die verhouding zuiver ligt, vindt de mens het leven en wordt God verheerlijkt. Die verhouding is door de zonde verstoord. Wat dat betekent, zal de mens zich bewust moeten worden. Echter, door het Evangelie, door Christus, Die' niet alleen verzoening teweeg bracht, doch ook de gave der vernieuwing verwierf, wordt die verstoorde verhouding hersteld. En de Heilige Geest werkt dat uit in het hart en leven van die mens, die Hij overtuigt van zijn zonde, maar die Hij ook het Evangelie, Christus, van harte doet aannemen. Daarom heeft uiteindelijk in het geestelijk leven de Wet niet alleen de functie van kenbron der ellende, om zo het Evangelie echt tot Evangelie te maken, maar immers ook van richtsnoer voor het leven der verlossing en der dankbaarheid. Adam had éénmaal de Wet als in zijn binnenste ingeschapen. Christus droeg de Wet in het binnenste van Zijn ingewand. De Heilige Geest schrijft de Wet als het ware weer in 't hart van alle oprecht gelovigen. En als zij de gemeenschap des geloofs met Christus mogen oefenen, is de eis der Wet geen eis meer, welke hen veroordeelt en verschrikt, omdat in hen geen mogelijkheid is om ze te volbrengen. Maar die eis is een liefelijke, welke zij in Christus' kracht begeren te volbrengen. En hoe zal het in de toekomende heerlijkheid zijn? Daar zal het Evangelie zijn volle vervulling gevonden hebben en daar zullen alle gezaligden wandelen naar de Wet Gods, in volmaakte gehoorzaamheid en liefde!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's