KRONIEK
Oecumene thuis — De conferentie te Johannesburg — Het besluit der Kamfer studenten ~ Oecumenische bezinning geëist — Wachter, wat is er van de nacht? — De ster der hope.
In de avond van 7 november jl. heeft onze Synode een verslag van de oecumenische jongerenconferentie, deze zomer te Lausanne gehouden, aangehoord. Ds. v. d. Heuvel, een van de secretarissen van de oecumenische jeugdraad, bracht het uit. Het was „boeiend" en „flitsend" schrijft de verslaggever van „Herv. Weekblad" (19-11-'60) en „het had het oor der Synode". Het vervolg geeft voor die attentie van de Synode wel enige verklaring. Het ging voornamelijk over „de verhouding tot de plaatselijke germeenten". Men wilde „ingeschakeld voor wezenlijke zaken, niet alleen voor collecteren en hulpdiensten. De klacht was, dat men de Bijbel niet kende en niet geleerd had die te gebruiken". Voorts was er de vraag: „Hoe denken de kerken ons op te voeden. Leer ons reizen. Geef ons een oecumenische impuls". Dat is in kort bestek een hele, wel wat heterogene lijst: „ingeschakeld in wezenlijke zaken; de Bijbel leren lezen, opvoeding door de kerk en leren reizen." Wat de Synode er op geantwoord heeft, las ik niet. Wel, dat „vele vragen op ds. v. d. Heuvel werden afgevuurd". Misschien dat de „conferentie-bezoekers en anderen uit de oecumenische jeugdraad zich allereerst tot geregeld catechetisch onderwijs bij hun (wijk)predikant dienden te vervoegen? Want dat lijkt me wel de weg „de Bijbel te leren lezen en gebruiken en geschoold te worden ter inschakeling in wezenlijke zaken".
Maar ik las nog een ander verslag over Lausanne. Of neen, een echt verslag was het niet. Een „hardop denken" resulterend in enkele vragen. H. A. V. (ds. Visser) stelde die aan ds. Hoekstra, de leider van de Nederlandse groep te Lausanne. Boven zijn stuk staat de titel: „Oecumene thuis". En het wijst er op, dat het veel gemakkelijker is in het buitenland oecumenisch te zijn, dan zich in eigen gemeente alzo in te zetten. Ds. V. vreest, dat het enthousiasme in Lausanne wel iets vertoonde van een „strovuur". Ook van het „oecumenisch avondmaal" daar gevierd, is hij niet weg, hoewel hij er zelf aan deelnam. Het geeft hem zorg, dat velen daar aanzaten, die na hun belijdenis in eigen gemeente misschien niet weer ten Avondmaal waren geweest. Hij vraagt of men „achteraf" niet meer respect moet hebben voor hen, die „niet konden" deelnemen, dan voor de anderen, die „meegesleept door het enthousiasme van een stelletje vlotte dominees, opgeheud door prof. Hoekendijks woorden, stormachtig Avondmaal gingen vieren". Verderop typeert hij die communie als „religious sightseeing", een soort godsdienstig kijkspel. Dan heeft hij het verder over wat ik maar zal noemen: de nazorg, een weg om thuis oecumenisch te werken. Hij wil iets als in Schotland, waar men „jeugdsynodes" houdt, na in eigen kring zich voorbereid te hebben. Ook lanceert hij de gedachte van „oecumenische gesprekskringen". Van de „huisgemeente, die tegenwoordig gepropageerd wordt", verwacht hij niet veel. Hij wil iets anders, „nu we met de Jonge Kerk, dat vroeger zo fantastisch ging, in zekere zin in de mist zijn geraakt".
Ik heb waardering voor dit eerlijk woord. Hoopvol is het perspectief niet. Het doet me denken aan een week-end conferentie van de „Gemeenschapsbond", vele tientallen jaren geleden. Ik passeerde op een korte wandeling met mijn vrouw de conferentiezaal. We hoorden het enthousiaste zingen en waren even onder de indruk. Een paar dagen later kwam een conferentieganger mij opzoeken — hij was een oud-catechisant van mij — en deed me opgetogen verhalen van eenheid en saamhorigheid door de hef de van Christus. „En hoe zul je het nu in de gemeente thuis maken", vroeg ik. Hij keek me wat verbouwereerd aan. „Ja", zei ik, „daar moet je die liefde nu uitdragen naar je medeleden, ook je concurrent". Weer keek hij me ontnuchterd aan, — hij dreef nl. een zaak — en zei toen, dat hij daaraan niet gedacht had.
Ach ja, het is betrekkelijk gemakkelijk de eenheid — de oecumene zeggen we nu — buiten het dagelijks verband, in mooie oorden, onder gelijkgezinden, te beleven, maar daarna, dan komt het er op aan, of waarlijk „de liefde Gods in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest" (Rom. 5:5) en „de liefde van Christus ons dringt" (2 Kor. 5: 14). Zouden wij niet wijs handelen met de gewone weg te bewandelen met onze jongeren — natuurlijk methodisch aangepast aan de eisen van de tijd — en als ouderen hun hierin trouw voor te gaan?
In Johannesburg is de vorige week de conferentie beëindigd, die op initiatief van het centraal-comité van de Wereldraad van Kerken was belegd om met vertegenwoordigers der Zuid-Afrikaanse Kerken besprekingen te voeren over de „apartheidspolitiek". Dreef het centraalcomité bovenvermeld hiertoe oecumenische nood of werd de oecumenische gedachte gebruikt om zich „met eens anders doen te bemoeien"?
De Anglicanen hadden geëist, dat de bisschop van Johannesburg, indertijd door de regering uit het land gewezen, mede zou deelnemen. De officiële instanties in Zuid-Afrika hebben die eis niet ingewilligd. Niettemin is de conferentie onder leiding van de president van de Wereldraad doorgegaan. De uitslag is, dat in overgrote meerderheid de „apartheidspolitiek" is veroordeeld. De afgevaardigden van drie Afrikaanse kerken waren tegen. Was dit resultaat eigenlijk van tevoren al niet te verwachten? Moest daarvoor dit oecumenisch bedrijf in werking gezet? Maar dit nu daargelaten, klemt de vraag, of dit voor ons, met name voor onze G.Z.B. gevolgen zal hebben. Ik stel die vraag, omdat, in het Synodeverslag hiervóór vermeld, te lezen staat, dat de G.Z.B, een verzoek aan de synode had gericht, „kand. J. J. Tichelaar" — hij is meen ik al predikant te St. Anthoniepolder — te beroepen als zendingspredikant om in Natal (Z.-A.) zendingswerk te verrichten. „Deze kerk" (die van Natal), zo lees ik, „heeft opvattingen over de rassenkwestie, die tot moeilijkheden aanleiding kunnen geven". In samenwerking met de G.Z.B. heeft het moderamen van de Synode een brief met vragen aan de N. H. Kerk van Zuid-Afrika gezonden. Van het antwoord zal de beslissing over het verzoek afhangen".
In „Trouw", d.d. 8-12-'60, stond te lezen, dat „het studentencorps aan de theologische Hogeschool te Kampen besloten heeft zich bij de oecumenische jeugdraad aan te sluiten". Werkte hier oecumenische nood; of behoefte om mee te doen? Ds. Engelkes, geref. pred. te Amersfoort, heeft over dit besluit zijn „verontrusting" uitgesproken in zijn kerkbode. Verontrusting, omdat de geref. kerken nog altijd leven onder het besluit der jongste Synode, zich niet aan te sluiten bij de Wereldraad der Kerken, noch bij de daartoe behorende Oecumenische Raad van Kerken in Nederland en verdere van hem uitgaande instanties. Ds. E. heeft het nu niet direct over de sympathie der studenten. „Er zijn er meer in de geref. kerken wier sympathie naar de Wereldraad van Kerken uitgaat", zo zegt hij. Hij vindt het besluit der Kamper studenten geen „goede stijl". Dat is zacht uitgedrukt. Te zacht, m.i. Het gaat hier over a.s. predikanten. Hoe zullen die straks in de gemeente kunnen aandringen op conformiteit met synodebesluiten? Wie had zich vóór enkele tientallen van jaren een dergelijke kerkelijke vrijbuiterij kunnen denken? Want het betreft hier „de school der kerken"! Begrijpelijk dat ds. E. vraagt of de hoogleraren en het curatorium „onzer Hogeschool" hierin geen taak hebben. Hij wil geen onrust in de kerken zaaien, maar meent, wijl het corpsbesluit is gepubliceerd, daarover ook openlijk te mogen schrijven.
Ik ga nu verder op deze zaak niet in. Zij lijkt mij wel te ressorteren onder de funeste „kleinigheden", onlangs door prof. Dijk ter sprake gebracht.
Ik vermeldde haar alleen om aan te tonen, hoezeer de oecumene in de gestalte van Wereldraad en verdere instanties doorwerkt.
Er is alle reden tot bezinning op vragen van de oecumene. Prof. Berkouwer poogt via de microfoon der N.C.R.V. aan deze bezinning richting te geven. Hij heeft op boeiende wijze reeds verschillende aspecten der oecumene belicht. De laatste keer ging het over de intercommunie, het avondmaal in oecumenisch verband. Vooral was hij gegrepen door het Augistiniaanse „vinculum unitatis, vinculum caritatis, " het Avondmaal de band der eenheid, de band der liefde — ook Calvijn citeert het in de Institutie. — Het was treffend. Hij is er niet mee klaar gekomen. Komen we er wel ooit mee klaar? Toch is 'n dergelijke bezinning op de oecumene nodig. Wij zijn ten opzichte van de gespletenheid der kerken eigenlijk „arrive", d.w.z. wij berusten er in. En we hebben er goede gronden voor ook, menen wij. Misschien komen we met het argument van de tucht, die bij intercommunie naar oecumenisch recept, zoals dat heden geldt, helemaal niet kan uitgeoefend worden. Ja, dat is mede een der grote bezwaren tegen oecumenische avondmaalsvieringen. Ook tegen die, welke bij het 3e lustrum van „Kerk en Wereld" plaats had, alsmede die, waarmede een cursus van het seminarium pleegt besloten te worden.
Het moge waar zijn, en 't wijst uit, hoever we af zijn van het „vinculum unitatis, vinculum curetatis", en hoe groot onze onaandoenlijkheid is ten opzichte van de verscheurdheid der kerk. Die werken we niet weg met avondmaalsvieringen in oecumenisch of stichtingsverband. Maar ook deze verschijnselen met alles wat ermede samenhangt, kunnen dienen tot de bezinning op en het zoeken in Schrift en historie, naar de oecumene, waarover het gaat in Joh. 17, dat ondanks, dat het veel wordt aangehaald, nog in menig opzicht in de beleving een te weinig werkend Schriftgedeelte is.
Wij zijn 1960 ingegaan onder hoopvolle verwachtingen van ontspanning in de wijde wereld. De „topconferentie" zou in de spanningsvolle verhoudingen zoal niet het verlossende woord, dan toch een stap zijn op de weg van oplossing. De groten der aarde vlogen van Oost naar West, van West naar Oost en Zuid. Alles ter voorbereiding van de grote ontmoeting. Helaas, groter dan de verwachtingen werd de mislukking met alles wat daarvan het gevolg was.
Nu zijn we bijna aan de eindstreep. De Sylvesteravond tekent zich af aan de einder. Hoe is het gelaat van de wereld van nu? Barsten en scheuren hebben diepe groeven daarin getrokken. De gespletenheid in de wereld is ontstellend. Rusland is in zijn macht geenszins verzwakt, ook niet tegenover China. Het Westen onder leiding van de V.S. poogt door bewapening de balans in evenwicht te houden, doch het is innerlijk niet onverdeeld. Frankrijk lijdt aan het drama- Algerije. In Midden-Afrika, de Kongo en andere jonge onafhankelijke staten, gaat de strijd om de macht en uitkomst uit de chaos verbeten door. In Azië een zelfde strijd met veel revolutionair sentiment. Het oude, profetische woord geldt ook nu: „Wachter, wat is er van de nacht? " (Jes. 21 : 11).
Is het op kerkelijk erf, internationaal en nationaal, anders? Ook hier en ginds een zwoegen om uit de gespletenheid uit te komen, onder velerlei leuzen uitgedragen op eigen terrein en naar de machtigen der aarde. Het gonst van „boodschappen", met de beste bedoelingen, bewogen en met liefde tot de mensen. Daagt de morgen? Moet het niet zijn: „De morgenstond is gekomen en het is nog nacht (letterlijk: ook nacht)"? (Jes. 21 : 12).
Ja, de morgenstond is gekomen. Zacharias zingt van „de innerlijke bewegingen der barmhartigheid Gods in de opgang uit de hoogte" (Lukas 1:79). De bewogenheid Gods! Titus 3 spreekt van die bewogenheid Gods als de goddelijke philantropie — „wanneer Zijn liefde tot de mensen verschenen is ... door Jezus Christus" (Titus 3 : 4).
Dat is het Wonder van de Kerstnacht.
In dit Wonder der wonderen straalt de ster der hope! Voor de wereld, want alle groten regeren krachtens de autoriteit van het Lam! Voor de kerk, want zij is ondanks alles „het Zijne" (Joh. 1:11). Zal het ons zijn als de Wijzen uit het Oosten? Geleid door de ster? En: „als zij nu de ster zagen verheugden zij zich met zeer grote vreugde" (Matth. 2 : 10). Dan zal het goed zijn. Met allen, die de verschijning van onze Heere Jezus liefhebben, zullen wij ons dan verlustigen in God onze Zaligmaker. Oecumenische zaligheid!
En in de genieting van dat echte oecumenische beleven, kunnen wij verder. De jaarwisseling tegemoet en als God het geeft, 1961 intrekken, geleid door het Lam, en in^ verwachting van het: „Zie, Ik maak alle dingen nieuw" (Openbaringen 21: 4). Die zegen zij ons aller deel in de „vele nachten die deze wereld heeft".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's