EEN IJVERAAR GODS
Naar de ijver een vervolger der gemeente. (Phil. 3 : 6a)
Terstond na de steniging van Stephanus brak er een moeilijke tijd aan voor de gemeente van Christus te Jeruzalem. Er ontstond een zware vervolging tegen haar. De haat, die Stephanus van de zijde der Joden ondervonden had, keerde zich thans ook tegen degenen, die hetzelfde geloof aanhingen als waarvoor hij zijn leven had moeten geven.
Velen werden gedwongen Jeruzalem te verlaten en om huns levenswil de wijk te nemen naar veiliger oorden.. De gemeente werd „verstrooid" ~ een merkwaardig woord, als wij in aanmerking nemen, dat het de technische term was om de toestand der Joden in de ballingschap aan te duiden. 1) Dat wijst er dus op, dat de gemeente van Jeruzalem deze verstrooiing als een ballingschap heeft aangevoeld.
De streken, waarheen een toevlucht gezocht werd, worden ons in het Nieuwe Testament nauwkeurig aangegeven: Judea, Samaria, Phoenicië, Cyprus en Antiochië. 2) Verder wordt ons niet verzwegen, dat de verstrooiden, al omzwervende, zich er niet voor geschaamd hebben van hun geloof te getuigen. Wij zouden kunnen zeggen, dat er zodoende zelfs van die ernstige vervolging nog een grote zegen is uitgegaan. De prediking van Christus heeft er voortgang door gevonden en er gebieden door bereikt, waar zij anders stellig niet zo snel gekomen zou zijn.
Zo zien wij dan maar weer, dat de Heere ten goede keren kan, wat door de mensen, in het bijzonder door de vijanden van het kruis, ten kwade gedacht is.
Het is een zeer opmerkelijk feit, dat de twaalf apostelen van deze vervolging niet veel te lijden gehad hebben. Het wordt ons immers met zoveel woorden gezegd, dat zij niet verstrooid werden, maar rustig in Jeruzalem konden blijven. 3) Blijkbaar zonder enig gevaar voor hun leven.
Naar de reden hiervan is veel gegist. Men heeft zich afgevraagd, waarom juist de twaalven van deze vervolging niets te duchten gehad hebben. Tot nu toe is daar echter nog geen bevredigende verklaring voor gevonden. De Schrift laat ons wat dit aangaat in het duister. Wij zouden verwacht hebben, dat de vijandschap der Joden zich toch wel in de eerste plaats tegen de leidslieden der gemeente gericht had. Het tegendeel schijnt evenwel het geval te zijn geweest. De apostelen heeft men ongemoeid gelaten.
Sommige geleerden zijn van oordeel, dat de reden van dit feit gelegen moet zijn in een zekere tweespalt, die er binnen de oudste gemeente bestaan moet hebben. De twaalven, die tot de „Hebreeën" behoorden, zouden volgens hen niet zo radicaal afwijzend tegenover de Joodse religie gestaan hebben als de „Grieken", wier woordvoerder Stephanus geweest is. Daarom zouden de aanhangers van Stephanus vervolgd zijn, terwijl de „Hebreeën" niet de minste overlast werd aangedaan. 4)
Om wat voor reden het de apostelen ook mogelijk geweest mag zijn ongehinderd te Jeruzalem te blijven, in ieder geval is Saulus van Tarsen ten nauwste bij deze vervolging betrokken geweest. Hij was het, die de gemeente van Jeruzalem poogde te verwoesten. 5) Zijn naam is daaraan verbonden. Zijn persoon is daardoor berucht geworden onder de discipelen des Heeren. Aan de steniging van Stephanus heeft hij niet actief deelgenomen. Maar bij deze gelegenheid trad hij daadwerkelijk op tegen hen, die „van die weg waren". 6) En „weg" is dan in dit verband een typisch Joodse uitdrukkingswijze voor mensen, die een bepaalde, afwijkende houding aannamen inzake geloof en leven. Wij zouden haar met alle vrijmoedigheid kunnen overzetten met; richting, sekte. In Saulus' ogen waren de gelovigen slechts leden van een richting of sekte, die voor de Joodse Godsdienst bijzonder gevaarlijk was, en die daarom met geweld uitgeroeid moest worden.
Wie de her en der door het Nieuwe Testament verspreide gegevens over Saulus in deze periode van zijn leven bijeenleest, krijgt een tamelijk volledig beeld van de wijze, waarop hij destijds de gemeente Gods vervolgd heeft, van de middelen, die hij ter vernietiging van de kerk des Heeren aangewend heeft, en van de drijfveren, die hem tot dergelijke daden bewogen hebben.
Zo horen wij, dat Saulus te Jeruzalem de huizen is binnengegaan, waar mensen woonden, die in het geloof Jezus als de Christus Gods hadden leren aannemen. Mannen en vrouwen heeft hij meegesleurd en in de gevangenis overgeleverd. Op die manier meende hij de gemeente van Christus Jezus te gronde te kunnen richten. 7)
Elders vernemen wij, dat hij „deze weg" ten dode toe vervolgd heeft door mannen en vrouwen in boeien te laten slaan en gevangen te zetten. Hij dacht, dat dit onlosmakelijk verbonden was aan de nauwgezette inachtneming van de wet der vaderen, waartoe hij was opgevoed, en hij beschouwde zichzelf als een ijveraar Gods, die al zijn krachten geven moest aan de zaak des Heeren. 8)
Van belang is vooral de rede, die hij later als apostel voor koning Agrippa gehouden heeft om zichzelf voor deze te verantwoorden. 9) Daar worden heel onopvallend uitdrukkingen in gebezigd, die ons een diepe blik gunnen in de gesteldheid van Saulus' innerlijk gedurende de tijd, dat hij zich fel tegen het Christelijk geloof keerde. Duidelijk komt daar bijvoorbeeld in naar voren, dat Saulus er zich terdege rekenschap van gegeven heeft, wat zijn oordeel over Christus Jezus wezen moest. „Ik meende waarlijk — zo zegt hij dan — dat ik tegen de naam van Jezus, de Nazoreeër, vele wederpartijdige dingen moest doen; hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem; en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe; en door al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft, en gedwongen te lasteren ....'. Het zij mij vergund bij deze woorden enkele opmerkingen te maken. Het komt mij voor, dat de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap meer recht doet aan de werkwoordsvorm, die in de grondtekst gevonden wordt, wanneer zij vertaalt: „Ik voor mij was tot de slotsom gekomen, dat ik tegen de naam van Jezus, de Nazoreeër, fel moest optreden". Saulus is met overleg te werk gegaan. Hij heeft er goed over nagedacht. Hij heeft er zich diepgaand op bezonnen. Daarbij kwam het voor hem vast te staan, wat hij niet nalaten mocht: het werd hem persoonlijk een dogma, dat hij een vijand van Jezus Christus wezen moest. Dat werd zijn onwrikbare, heilige overtuiging. Ook mag niet over het hoofd gezien worden, dat de apostel in deze rede voor Agrippa van „moeten" spreekt. Dat wil zeggen, dat hij het voor zichzelf als zijn plicht leerde achten. Zijns inziens kon en mocht hij niet anders handelen. Hij meende geroepen te zijn tot vervolger der gemeente. Voorts bewijst de constructie, volgens welke hij zijn uitspraak formuleert, dat hij zijn optreden tegen de naam van Jezus gezien heeft als een eerste gevolg van zijn vroegere, streng-joodse vroomheid. Vervolgens deelt hij ons zelf mede, dat hij in de verschillende synagogen van Jeruzalem de leden der gemeente van Christus lijfstraffen heeft toegediend en hen onder dwang tot verloochening van hun Heere heeft willen brengen. Bovendien belijdt hij, dat het zijn volledige goedkeuring had, als de eerste christenen om hun geloof van het leven beroofd werden. En tenslotte verklaart hij ook nog, van wie hij volmacht hiertoe, gekregen heeft: de overpriesters hebben hem die verleend. Al met al verschaft deze passage uit de rede voor koning Agrippa ons een uitstekend inzicht in de gedachtenwereld van die Saulus, die „uit onwetendheid" een vervolger van de kerk des Heeren werd. 10) Waarbij dan aangetekend mag worden, dat deze onwetendheid opgevat moet worden als gebrek aan geestelijk inzicht, zonder dat de schuld in dezen ontkend wordt.
Wat de apostel tot koning Agrippa gesproken heeft, wordt bevestigd door hetgeen hij in zijn brief aan de Galaten schrijft. Met het oog op de toestand der gemeenten in Galatië, was het nodig, dat Paulus uitvoerig beschreef, hoe hij apostel geworden was. Hij veronderstelt dan, dat de Christenen onder de Galaten weet hebben van zijn vroegere wandel in wat hij noemt: het Jodendom. Die wandel was van dien aard, dat hij uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgd en verwoest heeft, en dat hij het in het Jodendom verder gebracht heeft dan velen van zijn tijdgenoten, daar hij een hartstochtelijke ijveraar voor de vaderlijke inzettingen was. 11).
Van diezelfde ijver is ook sprake in de brief aan de Philippenzen. Paulus legt daar eveneens een eng verband tussen ijver en vervolging. Zijn hartstocht voor de religie der vaderen uitte zich in het vervolgen der gemeente van Christus. Al het zijne wilde hij daaraan geven. 12)
Niet alleen heeft hij gevangen laten zetten, die in Jezus geloofden, maar ook heeft hij hen in de synagogen gegeseld. 13) Als hij aan het einde van zijn leven zijn kind Timotheüs verhaalt, hoe God Zijn genade aan hem verheerlijkt heeft, bekent hij, dat hij tevoren een Godslasteraar was, en een vervolger der gemeente en een verdrukker. Wanneer hij zich een verdrukker (geweldenaar) noemt, dan denkt hij ongetwijfeld terug aan de geseling der Christenen, waaraan hij vóór zijn bekering heeft deelgenomen. 14)
Als zodanig is hij bekend geweest bij de kerk van het Nieuwe Verbond. Zo heeft ook Ananias, „een zeker discipel te Damascus", hem gekend. Deze had van velen gehoord, hoeveel kwaads Saulus van Tarsen Christus' heiligen te Jeruzalem aangedaan had. 15)
Al deze gegevens uit het Nieuwe Testament overziende, kunnen wij het met Luther eens zijn, die eenmaal gezegd moet hebben: „Paulus meende niets anders dan dat hij er Code een welgevallige dienst mee bewees, dat hij de Wet hielp verdedigen; want hij hield de Wet Gods voor het hoogste, edelste en grootste kleinood op aarde, zoals wij thans ook het Evangelie daarvoor houden. En hij wilde goed en bloed er voor geven en er voor over hebben en kortom de Wet verdedigen, en het ontbrak hem helemaal niet aan verstand, wijsheid en macht, zo hij die daartoe van node had. 16)
1) Hand. 8 : 1 en 4; Hand. 11 : 19; J. C. Biel, Novus Thesaurus Philologicus in LXX etc, Hagae Comitum, 1779, s.v. Zie ook: Tobit 13 : 3: „Dankt Hem, gij kinderen Israels, voor de heidenen, dewijl hij ons onder dezen heeft verstrooid."
2) Hand. 8 : 1 en 5; Hand. 11 : 19.
3) Hand. 8 : 1. Zie ook de lezing van Codex D.
4) J. de Zwaan, De Handelingen der Apostelen, Groningen-Den Haag, 1920, p.88 v.v.; A. Powell Davies, The First Christian, New York, 1959, p. 25.
5) Hand. 8 : 3.
6) Hand. 9 : 2; 22 : 4 en 24 : 14. Volgens W. Bauer, Wörterbuch zum Neuen Testament, Berlin, 1952, s.v., wordt het woord gebruikt voor de totale religieuse en zedelijke levenshouding.
7) Hand. 8 : 3.
8) Hand. 22 : 4.
9) Hand. 26 : 9—11.
10) 1 Tim. 1 : 13.
11) Gal. 1 : 13 V.
12) Philipp. 3:6.
13) Hand. 22 : 19.
14) 1 Tim. 1 : 13.
15) Hand. 9 : 13.
16) Martin Luther, Tischreden, W. A., H, 1585.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's