„ONZE VADEREN"
Het is een geliefkoosde term in het kerkelijke leven om zich te beroepen op „de vaderen".
Degenen, die zich de moeite getroosten om de kerkenordening van de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619) eens te bestuderen, mogen zich bij de lezing van verschillende artikelen de ogen wel uitwrijven en zich afvragen of men inderdaad in onze tijd wel zou willen leven naar zulk gereformeerd kerkrecht.
Mag ik uit het vele eens een enkel ding noemen.
Ik citeer artikel XV.
„Het sal niemandt geoorloft zyn, den dienst zynder Kercken onderlatende, ofte in gheenen sekeren dienst zynde, hier en daer te gaen predicken buyten consens ende authoriteyt des Synodi ofte classis: Ghelyk oock niemandt in een andere Kercke eenige Predikatie sal moghen doen ofte Sacramenten bedienen, sonder bewilligingen des Kercken Raedts".
Art. 38 van de kerkenorde van de Synode van 1574 luidt:
„De dienaren worden vermaand hun toehoorders met te lang preken niet te bezwaren en hun predikatiën boven het uur, zo veel mogelijk is, niet te verbreeken".
Zeker, in onze dagen zouden we vragen, of men het niet al te kort maakt. Maar preken van anderhalf a twee uur begeerden onze vaderen niet.
Over de aftreding van de ouderlingen. Art. 27 van de Kerkenorde van de Nationale Synode van Dordrecht (1618- 1619) luidt:
„De Ouderlingen en Diakenen zullen twee jaar dienen en elk jaar zal het halve deel veranderd worden, en andere in de plaats gesteld worden, ten ware dat de gelegenheid en het profijt van enige kerken anders vereiste".
Het was blijkbaar nog een gelukkige tijd voor de kerk. Men behoefde niet lang te zoeken om een ouderling te vinden. In de stadswijken is het nu al zo ver, dat men de vacature in een wijk zou willen voorzien met iemand uit een andere wijk, bij gebrek aan geschikte mensen in eigen wijk. Zelfs in de plattelandsgemeenten is het vaak moeilijk om een ouderling te vinden.
Artikel 12 van de Wezelse Artikelen van 1568 luidt:
„Zoo dikwijls echter met gemene toestemming hetzij een Dienaar des Woords of iemand anders, die een openbaar ambt bekleedt, ergens heen gezonden of met enig ander ambt ten bate der kerk belast zal geworden zijn, zoo behoort hij dit gewillig en zonder bezwaar te maken op zich te nemen en met de grootste bereidwilligheid uit te voeren, daarbij bedenkende, dat hij in de dienst van onzen Heere Jezus Christus zijnde, allerminst zijn eigen meester is. Anderszins indien hij geweigerd zal hebben zich te onderwerpen aan het oordeel der broederen, hetzij van de classis, hetzij van de kerkeraad, zoo zal men met hem handelen hebben naar het formulier van de kerkelijke tucht".
Wat zouden de gekozenen, op wie in onze tijd zulk een tucht zou worden toegepast, daarvan zeggen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's