De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Het teken aan de wand

10 minuten leestijd

Te zelver ure kwamen er vingers van eens mensehand voort, die schreven tegenover de kandelaar, op de kalk van de wand van het koninklijk paleis, en de koning zag het deel der hand, die daar schreef. Daniël 5 : 5.

Ontzet kijkt Belsasar, de koning van Babel naar die schrijvende hand die op de witkalken wand tegenover hem letters zet, woorden schrijft. Belsasar kan ze niet lezen, begrijpt niet wat er staat. Maar dat dit niet van een mens is, dat dit te maken heeft met het goddelijke, dat vermoedt hij wel.

Hij is ineens nuchter. Hij schreeuwt om tovenaars, om uitleggers. Maar dit is Gods hand. Dan staan de tovenaars machteloos. Heel het grote gezelschap van feestgangers is dan nuchter. Al die mannen en vrouwen, heel de grootheid van Babel met hun publieke vrouwen staren ontzet naar de koning en naar het schrift.

God geeft antwoord aan de koning. De koning heeft de Heere, de levende God, de God van Israël en van heel de aarde uitgedaagd. Immers hij heeft de gouden bekers laten komen, die eenmaal Nebukadnezar uit de tempel van Jeruzalem heeft meegenomen. Daar hebben ze uit gedronken en daaruit hebben ze plengoffers gebracht aan de goden van goud en zilver en hout en steen. En dat, terwijl de macht van Babel op zijn laatste benen loopt. Babel is al ingenomen door het leger van Cyrus, de Pers. Belsasars vader, Nabonedus, die eigenlijk nog koning is, is reeds gevangene. Belsasar, zijn zoon, die jaren lang in feite de regering heeft uitgeoefend, zit met de zijnen op de koningsburcht ingesloten. Ze weten niet beter te doen dan feest te vieren, een drinkgelach aan te richten.

Als in Noachs dagen is het. De mens danst op de rand van zijn graf, viert feest, op het punt staande om in de eeuwige verdoemenis neer te storten.

Het volk in ballingschap maakt een zware tijd mee. Vlak bij de bevrijding en terugkeer naar het beloofde land, naar het woord des Heeren, bij monde van Jeremia, de profeet. Hoe wordt het ook hier weer ingeleefd, dat de vervulling van Gods beloften gaat door de onmogelijkheid van de mens heen. Dat is de beleving van de Kerk altijd. En als het menselijk gezien niet meer kan, dan gebeurt het. Zo krijgt God alleen de eer en de zondaar de zaligheid. Het volk is al jarenlang ingeschakeld in de herediensten voor verschillende heiligdommen van de afgoden. Daniël leeft als een vergeten man aan het hof van de koning. Van zijn optreden in de dagen van Nebucadnezar schijnt niets meer over. En hij zelf heeft er ook geen erg in dat nu de tijd dichtbij is, dat het volk wordt bevrijd. Straks krijgt hij er erg in, dan gaat hij het woord Gods verstaan. Wat heeft Gods kind toch altijd licht van boven nodig om Gods Woord op te merken en te verstaan. Dan wordt het een worstelen om de vervulling van Gods beloften (Daniël 9).

De koning en zijn groten zijn ontzet en weten geen raad. De koningin-moeder, want die is hier wel bedoeld, waar Belsasars eigen vrouw aanzat aan het drinkgelach, wijst op Daniël. Zij schijnt het nog te hebben meegemaakt hoe Daniël aan het hof van Nebucadnezar, de voorvader, in ere was. Daniël wordt dan geroepen en hij mag dit schrift verklaren. Daniël staat daar in alle vrijmoedigheid. Godsvreze doet mensenvrees wijken. Alle eerbewijzen wijst hij van de hand. Deze koning tart openlijk God, houdt zich dan nog groot met alle vrees en beven, wil Daniël de derde heerser maken van zijn rijk, waar hij zelf is de tweede en zijn gevangen vader de eerste.

O, koning, de Heere heeft gesproken. Hij geeft dit teken aan de wand. Dit is niet het eerste teken. Uw vader Nebucadnezar (bedoeld is dus de voorvader, want er zijn nog 3 koningen tussen) was groot. Toen hij zich boven God verhief, werd hij de beesten gelijk gemaakt en at gras als een os. Totdat hij bekende dat God de allerhoogste God is. Gij hebt dat goed geweten, maar ge hebt er u niets aan gelegen laten liggen. Nu heeft God dit schrift aan de wand geschreven. Er staat: geteld, geteld, gewogen, verdeeld.

Geteld, want uw regeringsdagen zijn geteld. God is uitgeteld, het einde is er.

Gewogen, God heeft u in Zijn weeg­schalen gewogen en te licht bevonden. Ge haalt het gewicht niet.

Verdeeld, want uw rijk is gegeven aan de Meden en Perzen.

Ontzachelijke boodschap. De Heere tekent een teken aan de wand. De Heere maakt zich vrij van Belsasar. Ook deze koning gaat niet ongewaarschuwd in zijn verderf. Niemand gaat ongewaarschuwd heen. De Heere maakt zich vrij van elk kind en van elke volwassene. Let er toch op. Zolang de Heere nog waarschuwt is er nog tijd tot bekering. Maar er is haast bij.

Voor Belsasar was het in diezelfde nacht afgelopen. In die nacht werd hij gedood. Dat zal een ontwaken geweest zijn voor die man. Toen wist hij het, dat Daniël, dat Gods Woord gelijk had. Toen was het te laat. En dat voor eeuwig.

Dwaze mens. Nog houdt hij zich groot, ook na die boodschap. Daniël wordt de derde in het rijk gemaakt, met ere onderscheiden. En de koning weigert om te bukken voor de hoge God, weigert om zich te bekeren.

Hoevele van die tekenen verschijnen er niet aan de wand van ons leven. Er is wel niemand of hij of zij kan op dergelijke tekenen zien. Hoeveel tekenen zijn er ook in het achter ons liggende jaar weer verschenen. Groten zijn geduikeld, regeringen omver gestoten, machtige tekenen in de natuur, ramp op ramp, dan hier, dan daar. Hoeveel ledige plaatsen zijn er weer bijgekomen in onze familiekring, in ons gezin misschien. Hoeveel slagen zijn toegebracht.

Dit is alles nog roepstem. De Heere heeft geen lust in onze dood, maar daarin dat we ons bekeren en leven. Wat is de mens. Ziet in Belsasar ons beeld. Hij leeft het uit tot en met, wat in ons aller bestaan leeft van nature. Gelukkig als we nog bewaard zijn gebleven voor die uitleving. Maar het feit zelf is er even erg om. We weigeren van nature om ons te onderwerpen aan de Heere, om Hem te dienen. We gedragen ons met of zonder godsdienst als die Belsasar. We letten niet op de tekenen aan de wand van ons leven.

Hoe geldt het van ieder mens van nature: geteld. Wie kan één dag aan zijn levenslengte toedoen. Ons aller leven is uitgemeten. Het kan zo spoedig beslist zijn. Gij dwaas, zegt de Heere, in deze nacht zal uw ziel van u worden afgeëist. Als dat nu eens ging gebeuren? Zou het kunnen?

Dat maakt voor Gods kind zo vaak de worsteling uit. Het moet er maar eens op aan komen. O, dan wordt het ervaren, dat er stervensgenade nodig is. Met alle beleving kan een ziel niet voor God verschijnen. Het blijft genade tot het einde toe. Maar maakt dit inderdaad een worsteling uit bij ons? Kennen we die eenzame plekjes van worsteling? Kennen we een binnenkamer? Gods volk krijgt een binnenkamer. Dat gaat roepen en schreeuwen tot de Heere. Dat moet vergeving, dat kan niet zonder God leven, zonder Zijn gemeenschap. Die hebben er iets van leren verstaan door genade, van dat „geteld". En die hebben het ook verstaan bij aanvang en voortgang, dat als het op wegen aankomt, dat ze dan te licht worden bevonden.

Immers, we geven van nature God niet het juiste gewicht, we eren Hem niet. En dat betekent heel letterlijk in het Hebreeuws: het juiste gewicht geven. En zo schuldig dat de Heere ons wegdoet. Want we halen het gewicht niet in de weegschaal van Gods recht.

Waar Gods Woord door de Heilige Geest in het hart wordt toegepast daar gaan we aan het werk om tot het juiste gewicht te komen. Want daar zijn we aangelegd op ons behoud. En hoe meer we werken hoe meer er aan het gewicht gaat ontbreken. Dat wordt geleerd juist in de weg van doen, van proberen. De Heere, met eerbied gesproken, zet een zondaar aan het werk. En als die zondaar aan het werk slaat om zich te bekeren en anders te leven, een ander mens te worden, met God verzoend te worden, heilig te leven, dan doet de Heere niet anders dan die mens maar aan het eind van zijn eigen werken te brengen. Wie nooit begonnen is, zal ook nooit aan het eind komen. Houdt dat ook vast. Roepers van genade zijn nog geen belevers van genade. Er wordt in onze dagen zoveel geroepen dat het alles genade is en dat het alles door de Heere gedaan is en dat er niets door ons behoeft gedaan te worden. Maar waar blijft de beleving hiervan? Waar die wordt gevonden, daar komen de worstelingen, daar wordt een zondaar geboren. Ja, God maakt zondaren. Want voor zondaren heeft Hij Zijn Zoon gezonden.

Dat is het wonder van Gods welbehagen. Niemand kan meer God het juiste gewicht geven. Hem de ere geven. Nu komt Jezus Christus en laat zich wegstoten als één die te licht bevonden wordt, als, één die het gewicht voor God niet haalt en Hij gaat onder het oordeel Gods door. Zo heeft de Heere door Hem, weer gezorgd voor het juiste gewicht.

En daar zijn nu zondaren voor nodig om daar in te kunnen delen. Geen vrome mensen, geen mensen die nog wat hebben voor God, maar doemwaardigen, die het niet meer kunnen halen, die het niet meer weten en kunnen.

En dat is nu de weg Gods met een zondaar, die Hij gaat bearbeiden tot zaligheid. Dan zakt een mens met al zijn werk en proberen. En daar kan die mens nu net zakken op Christus.

Kostelijke zaak, waar een mens als een doemwaardige mag heenvluchten tot Christus. In Hem weer het juiste gewicht voor God.

Enkel in Christus. Dat is de oefening voor de Kerk op aarde. Nooit daarin uitgeleerd. Zo spoedig geneigd immers, om het toch weer van vlees te verwachten, bij zich zelf en bij een ander. Enkel in Christus haalt de Kerk het juiste gewicht.

Dat is dus een oefening in „zondaar-zijn-voor-God".

Zo alleen kan Gods kind het jaar eindigen. Zo alleen kan Gods kind het jaar beginnen. Want juist Gods Kerk zal met schuld eindigen en met schuld beginnen. En dan mag alle verwachting gesteld worden op de Heere zijn God. We weten niet wat het jaar brengen zal. We weten niet of we het volgende jaar nog beleven. Er mocht persoonlijk en in het gezinsleven en in het kerkelijk- en staatkundig leven iets van beoefend worden, van dat enkel-zondaar-zijn-voor-God. Dan gaat het er niet om dat we mensen behagen of massa's trekken, maar dan gaat het er enkel om: Wat wil de Heere.

Als we dat nog missen, dat eigendom zijn van Christus, het is nog te krijgen. Het mocht in alle gemis doen aanhouden bij de Heere. Legt u maar aan Zijn voeten opdat Hij het doe. En van die Koning geldt:

Nooddruftigen zal Hij verschonen; Aan armen, uit gena. Zijn hulpe ter verlossing tonen. Psalm 72 : 7.

Zo bekommerd te zijn bij aanvang tot op Christus, zo bij voortgang tot de eeuwige gemeenschap met de Heere.

(Groenekan)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's