De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op weg naar Damasecus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op weg naar Damasecus

9 minuten leestijd

En boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buitenlandse steden. (Hand. 26 vers 11b)

Wij hebben terdege in het oog te houden, dat Saulus van Tarsen aanvankelijk alleen tegenover de gemeente van Jeruzalem als groot-inquisiteur is opgetreden. Zijn activiteit richtte zich toenmaals met name tegen die discipelen des Heeren, die in de heilige stad gevonden werden. Buiten Jeruzalem heeft hij zich niet begeven. Dat is een feit, dat wij al te gemakkelijk over het hoofd zien. Ten onrechte evenwel.

In welke gemoedsgesteldheid Saulus verkeerde, toen hij al zijn krachten gaf aan de verwoesting van de gemeente Gods te Jeruzalem, is niet onzeker. Zoals wij reeds eerder konden opmerken, handelde hij destijds vanuit een overtuiging, die hem heilig was op grond van zijn farizeese beginselen. Het geloof van de gemeente van Christus achtte hij volkomen in strijd met de Schriftgeleerdheid, waarin hij was opgevoed.

Daar komt nu ook nog bij, dat de Schrift ons vermeldt, dat hij een man was, die dreiging en moord blies tegen degenen, die het geloof in Christus Jezus waren toegedaan. 1)

Deze schijnbaar zo eenvoudige uitspraak der Schrift gunt ons een diepe blik in zijn gevoelsleven. Wij kunnen er uit opmaken, dat Saulus gedreven werd door hevige toorn. Hij moet een fana­ ticus geweest zijn, die er zelfs niet voor terugdeinsde om de christenen te bedreigen en naar het leven te staan. De atmosfeer, waarin hij leefde, was er een van dreiging en moord. Daardoor werden al zijn gevoelens beheerst. Naar wij menen is dit wel de bedoeling van de beeldspraak, die de Schrift in dit verband gebruikt. 2) Dreiging en moord vormden het element, waarin hij ademde. Dat wordt nog verduidelijkt door het woord, dat in Hand. 26 vers 11b gebezigd wordt. Wanneer de apostel daar melding maakt van zijn woeden tegen de heiligen, stelt hij het voor alsof hij door razernij gedreven werd. Het onbeheerste van zijn vervolgingsdrift wordt daar goed mee aangegeven. Volgens zijn eigen oordeel uit later tijd, ging hij te keer als een, die buiten zichzelf van toorn was. In de taal der psychologie zouden wij kunnen zeggen, dat hij een christen-complex had. 3) De naam van Jezus Christus irriteerde hem. En het geloof der gemeente ergerde hem. Zijn ganse gevoelsleven werd er door in beroering gebracht.

Op een gegeven ogenblik was de jonge ijveraar Gods echter niet meer tevreden met het vervolgen van de gemeente te Jeruzalem alléén. Zijn ijver voor de voorvaderlijke inzettingen prikkelde hem tot uitbreiding van het gebied, waarin hij de kerk des Heeren bestrijden kon. Jeruzalem werd hem te eng. Ook buiten de stad Davids wilde hij zijn plicht tegenover de Godsdienst der vaderen nako­men. Uit Handelingen 9 vers 1 en 2 kunnen wij concluderen, dat de begeerte om ook in het buitenland de christenen van hun dwaalweg weder te doen keren, uit Saulus' eigen hart is voortgekomen. Niemand heeft hem daartoe aangezet. Van hoger hand heeft men hem niet gevraagd Jeruzalem te verlaten. De hogepriester en de Joodse Raad hebben hem dat niet bevolen. Het initiatief ging van hem zelf uit. Uit eigen beweging is hij met een desbetreffend verzoek naar de hogepriester gegaan.

Wie bij machte is achter enkele woorden de levende mens waar te nemen, kan zich ongetwijfeld een voorstelling maken van Saulus van Tarsen in deze dagen. Alle gegevens der Schrift combinerend, ontdekt hij een figuur, die zowel door opleiding als door karakter bij uitstek geschikt was om de gemeente van Jezus Christus uit te roeien.

Dat hierbij de volle aandacht besteed dient te worden aan de opmerking, dat hij uit eigen beweging naar de hogepriester ging, behoeft niet betoogd te worden. Deze ene daad verraadt ons al veel. Zij is typerend voor Saulus in dit stadium van zijn leven. Gods Woord geeft er ons een belangrijke aanwijzing mee voor zijn psychische toestand.

Op de een of andere wijze is Saulus te weten gekomen, dat in Damascus zich aanhangers van Christus Jezus bevinden. Wij mogen wel aannemen, dat dit mede een gevolg was van de vervolgingen te Jeruzalem. Vluchtelingen zullen zich naar Damascus begeven hebben om hun leven te kunnen redden. Met volslagen zekerheid valt hier evenwel niets te zeggen, aangezien over de komst van het Evangelie te Damascus ons niets is overgeleverd. Eén ding staat echter vast. En dat is, dat de christenen te Damascus zich nog niet losgemaakt hadden van de Joodse synagogen. Anders zou het immers onbegrijpelijk zijn, waarom Saulus de hogepriester om brieven voor de synagogen aldaar gevraagd heeft. Hij moet daar zo zijn redenen voor gehad hebben, gezien de toestand te Damascus, die hem ter ore gekomen was.

Wat Damascus zelf betreft, het is een van de oudste steden ter wereld. Ook in de Schrift wordt het herhaaldelijk genoemd. Reeds in Genesis 14, ten tijde van Abraham, komt de naam Damascus voor. Profeten als Jesaja en Amos hebben tegen deze stad geprofeteerd. 4) Het was de hoofdstad van Syrië (Aram), en een voornaam centrum van handel en verkeer. Men heette het wel „de parel van het Oosten". De bekende Romeinse generaal Pompeus (106-48 voor Chr.) heeft het in de zestiger jaren van de eerste eeuw voor Christus bij zijn reorganisatie van de politieke verhoudingen in het Oosten onder het gezag van Rome gebracht. Het werd toen de hoofdplaats van de Romeinse provincie Syria.

Sedert de regering der Seleuciden (een dynastie, die na de dood van Alexander de Grote in 323 voor Christus in het Oosten aan het bewind kwam werden er veel Joden te Damascus gevonden. Hun getal moet van die aard geweest zijn, dat zij over meer dan één synagoge beschikten. Daarom begeerde Saulus ook brieven aan de synagogen. Het meervoud is hier veelbetekenend. 5) Dat komt ook overeen met wat Flavius Josephus vertelt in zijn boek over de Joodse Oorlog van 66 na Christus. Hij deelt daarin mede, dat in het begin van de strijd tijdens een rel te Damascus 10.000 ongewapende Joden in een enge ruimte werden samengedrongen, en in één uur werden afgeslacht. 6) Dat bewijst al, dat er te Damascus een behoorlijk grote groep Joden gewoond moet hebben.

Het verzoek, dat Saulus de hogepriester met betrekking tot de synagogen te Damascus kenbaar maakte, laat reeds vermoeden, dat deze over de Joden in het buitenland een bepaalde zeggenschap had. Andere bronnen bevestigen dat. Er waren banden, die de buitenlandse synagogen aan Jeruzalem verbonden hielden. Heel nauwe banden zelfs. Op een der grote feesten ging men graag naar de heilige stad. Voor. de tempeldienst werden gaven bijeengebracht. Bepalingen van de Joodse Raad werden door zogenaamde „apostelen" vanuit Jeruzalem toegezonden. „Voor de kerk in haar geheel was het sanhedrin te Jeruzalem het orgaan voor de kerkelijke orde. Uit het N.T. weten wij, dat het over vergrijpen tegen de religie te oordelen had, en dat zijn kerkrechtelijke macht niet tot de politieke provincie Judea beperkt was. De Galileeër Jezus, onderdaan van Herodus Antipas, stond onder zijn bevoegdheid, even goed als Stephanus, die geen Judeeër van geboorte was, en Paulus, de Jood uit de verstrooiing. Naar Damascus en andere plaatsen is Paulus in opdracht van het sanhedrin gegaan om de nieuwe sekte te onderdrukken en de ketters naar Jeruzalem te brengen om daar veroordeeld te worden. Echter ook voor de verdere diaspora op Grieks-Romeinse bodem is deze gezaghebbende positie van de centrale autoriteiten te Jeruzalem bewezen.  7)

Van die centrale autoriteiten verlangde Saulus de volmacht, die hij nodig had, om in Damascus voort te zetten, wat hij in Jeruzalem begonnen was. Aan schriftelijke verklaringen had hij behoefte om zijn voornemen ten uitvoer te kunnen brengen. En zijn stellige verwachting was, dat hij te Damascus discipelen des Heeren vinden zou, die in de synagogen geduld werden. Zijn doel was evenwel niet hen te Damascus te laten berechten. Integendeel, hij was van plan hen te Jeruzalem voor de Raad te laten komen. Daar zouden zij z.i. berecht moeten worden. Dit beschouwde hij als een taak, die voor het sanhedrin weggelegd was, en waartoe hij zelf niet competent (bevoegd) was.

De hogepriester en de Joodse Raad hebben hem de gevraagde brieven gegeven. 8) Hun oordeel over Saulus' plannen was gunstig. Gezien vanuit de steeds breder wordende kloof tussen Jodendom en Christendom, gelijk die in de eerste acht hoofdstukken van het boek Handelingen der Apostelen getekend wordt, is dat alleszins verklaarbaar. Het hoogste Joodse college heeft zich volgaarne achter het streven van Saulus van Tarsen gesteld, en van ganser harte met zijn autoriteit het optreden van deze drijver gedekt. Wat er letterlijk in die brieven gestaan heeft, wordt ons niet gezegd. De inhoud laat zich echter wel raden. Hij zal betrekking gehad hebben op de door het sanhedrin verleende bevoegdheden om de tot het Christendom bekeerde Joden gevangen te nemen en desnoods met geweld naar Jeruzalem te voeren. Ananias, de christen, blijkt dat te weten. Want wanneer hij door de Heere geroepen wordt naar „de straat, genaamd de Rechte" te gaan, dan werpt hij o.a. tegen: En (hij) heeft hier macht van de overpriesters om te binden allen, die Uw Naam aanroepen. 9)

Over de vraag, tot welke hogepriester Saulus zich gewend heeft met zijn verzoek, tasten wij in het duister. De Schrift noemt hem niet bij name. Het kan zijn, dat het Kajaphas nog geweest is, wiens hogepriesterschap in 't jaar 36 na Christus door Vitellius beëindigd werd. Met evenveel recht kan men echter beweren, dat het Jonathan of Theophilos geweest moeten zijn. Beiden waren zonen van Annas, Kajaphas' schoonvader. De eerste was hogepriester van 36 tot 37 na Christus; de tweede van 37 tot 41. De onzekerheid over deze vraag hangt samen met het feit, dat het jaar van Saulus' bekering niet precies bekend is.

Hoe dit ook wezen moge, Saulus gaat op weg naar Damascus. De realisering van zijn plannen heeft een mens echter niet in eigen handen. Daar is er maar Een, aan wie gegeven is alle macht in hemel en op aarde: Jezus Christus, die Zijn Kerk beloofd heeft dat Hij met haar wezen wil al de dagen — tot aan de voleinding der wereld.


1) Hand. 9 vers 1.

2) Blasz-Debrunner: „Grammatik des neutestamentlichen Griechisch", Göttingen, 1954, § 174; J. A. Bengel: „Gnomon", t.p.

3) E. A. Strecker-K. E. Appel: „Psychologie van het dagelijkse leven", Utrecht, 1960, pag. 53 v.v.

4) Jesaja 17 : 1 vv.; Amos 1: 3 vv.

5) Zie ook: Hand. 9 : 20. Daar eveneens het meervoud.

6) Flavius Josephus: „Joodse Oorlog", II, 20, 2.

7) W. Staerk: „Neutestamentliche Zeitgeschichte", Leipzig, 1907, II, S. 43. f.

8) Hand. 22 : 5.

9) Hand. 9 : 14.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Op weg naar Damasecus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's