Verschil tussen vrijzinnigheid en orthodoxie
Aan een artikel onder bovenstaande titel in het Utrechts Nieuwsblad, d.d. 21-12-’60, ontlenen we het volgende:
Volgens prof. dr. P. Smits, die over de theologische positie van de vrijzinnigen schrijft in Kerk en Wereld, het orgaan van de vereniging van vrijzinnig hervormden in Nederland, wint in vrijzinnige kring de gedachte veld dat het verschil slechts een kwestie van verschil in godsdienstige mentaliteit zou zijn.
Maar dat verschil wordt steeds kleiner, zo voegt men er volgens schrijver aan toe. Want de „conservatieve” mentaliteit van de 19de eeuwse orthodoxie en de „liberale” mentaliteit van het 19de eeuwse modernisme worden door de hele ontwikkeling van onze cultuur steeds meer doorbroken en naar elkaar toegebogen. Wij zijn op weg naar een „vrije” theologie die geen rechtzinnige en geen vrijzinnige trekken meer draagt.
Prof. Smits bestrijdt deze gedachte. Hij stelt dat het niet gaat om verschil van mentaliteiten, maar dat het rechtzinnige en het vrijzinnige type van christendom twee principieel onverzoenlijke godsdienstige waarheidssystemen zijn, waarbij gééstelijke waarheid staat tegenover féitelijke waarheid. Met andere woorden: achter de vrijzinnige theologie staat een heel andere opvatting van openbaring en waarheid dan achter de rechtzinnige. In dit principiële verschil zit de duurzame spanning tussen beide richtingen.
Van alle rechtzinnige theologie geldt dat hier theologie wordt verstaan als slechts een uitwerking van wat in de bijbel reeds ten volle gegeven is. Vrijzinnige theologie gelooft op een of andere manier in een voortgaande openbaring en dus ook in de mogelijkheid van een verrijking van de bijbelse godsdienst.
Elk streven naar een theologie van de grootst gemene deler is volgens prof. Smits derhalve gedoemd te stranden omdat het in feite een verkapte poging is het ene type theologie te herleiden tot het andere, terwijl beide principieel onverzoenlijk, dat wil zeggen: zakelijk onverenigbaar zijn.
Niettemin moet men geloofsgeméénschap zoeken met mensen van een andere richting, in de overtuiging dat zelfs innige geloofsgemeenschap mogelijk is bij dogmatische verschillen.
In de eerste twee alinea’s handelt prof. Smits over de gedachte, die onder de vrijzinnigen volgens zijn mening veld wint, dat het verschil tussen orthodoxen en vrijzinnigen slechts een kwestie van godsdienstige mentaliteit is, een verschil, dat bovendien steeds kleiner wordt. De ontwikkeling van de moderne Cultuur doet orthodoxie en vrijzinnigheid haar elkander toegroeien: We zijn op weg naar een vrije theologie.
Prof. Smits is het met deze gedachte niet eens en bestrijdt ze. En toch zijn er in de kerkelijke samenleving na ’45 tekenen, die wel eens symptomen konden zijn van een streven, dat door die gedachte wordt geleid. We noemen de inmiddels gebruikelijk geworden uitdrukking modaliteiten in de plaats van richtingen. Het is waarlijk niet zonder reden, dat we ons daartegen van meet af verzet hebben. Het kan toch niet anders, of zij die zo spreken en de verschillen der richtingen slechts als nuances van ondergeschikt belang zien, bewegen zich reeds in de weg van de wederzijdse toebuiging. Voor hen zijn er geen principiële of fundamentele verschillen tussen „orthodox” en vrijzinnig. Voorts lette men er op, hoe men welbewust werkt aan de vervlakking van het begrip orthodox. Alleen reeds het gebruik van de aanduiding midden-orthodox geeft klaar en duidelijk te kennen, dat men veranderde waarden of maatstaven heeft ingevoerd. Het begrip orthodox heeft zijn oorspronkelijke inhoud, „recht in de leer”, ten enenmale ingeboet. Praktisch betekent het in de kerkelijke praktijk: dat men zich aan de belijdenis der kerk slechts zover gebonden acht, als met zijn individueel geloofsinzicht overeenkomt.
Dit individualisme is door de z.g. nieuwe theologie sterk bevorderd. Brunner b.v. verdedigt een christelijk geloof, dat verenigbaar is met het moderne kritische Schriftonderzoek. Op dit standpunt wordt de Heilige Schrift als inappellabele instantie van gezag aan de kant gezet. Men heeft in de geestelijke dingen geen laatste beroep op de Heilige Schrift. Gevolg is, dat het geloof niet meer een vaste grond is (Hebr. 11 vers 1), maar een sprong in het onzekere, een waagstuk. De laatste beslissing in geloofszaken, ook aangaande het meest fundamentele artikel des geloofs: het goddelijk gezag der Schrift, ligt bij de mens, in zijn gevoel, zijn verstand, zijn geweten, of hoe men dat stelt.
Indien men dit standpunt nog „orthodox" wil noemen en dat doet men, — ook dit schuilt onder het begrip middenorthodoxie, — dan is de scheidsmuur tussen echt orthodox en vrijzinnig door dit soort moderne-orthodoxie reeds weggenomen en is zij werkelijk op weg naar een „vrije" theologie, een theologie, die „vrij" is van het traditioneel christelijk Schriftgeloof.
Prof. Smits bestrijdt de gedachte van de vergroeiing van de rechtzinnigen en de vrijzinnigen, zoals in de eerste alinea's werd uitgesproken.
Hij ziet „het rechtzinnige en het vrijzinnige type van Christendom als twee principieel onverzoenlijke godsdienstige waarheidssystemen, waarbij geestelijke waarheid staat tegenover feitelijke waarheid. Met andere woorden: achter de vrijzinnige theologie staat een heel andere opvatting van openbaring en waarheid dan achter de rechtzinnigen".
Deze uitspraak van de onverdacht vrijzinnige hoogleraar Smits onderstelt een. beter begrip van orthodox (rechtzinnig) dan de van twee walletjes etende midden-orthodoxie. Hij ziet de onverzoenlijke tegenstelling tussen rechtzinnig en vrijzinnig, en hij heeft er ook oog voor, dat het om geheel verschillende dingen gaat: welke hij onderscheidt als geestelijke en feitelijke waarheid.
Wat hij daaronder precies verstaat is in dit artikel niet duidelijk, maar, wat hij daar zegt, raakt aan de kern der zaak: de geopenbaarde Waarheid Gods of de — laat ik zeggen — wijsgerige waarheid. „Zakelijk onverenigbaar" zegt hij.
Het klinkt radicaal en principieel, maar het gaat weer van zijn kracht verliezen, als hij deze tegenstelling terugbrengt tot een verschil van „opvatting van openbaring en waarheid". Dan valt weer veel van de onverzoenlijke zakelijkheid weg.
De eindconclusie spreekt zelfs van een innige geloofsgemeenschap bij dogmatische verschillen d.w.z. in dit verband tussen rechtzinnigen en vrijzinnigen. Dan zijn we weer in de mist omtrent de onverzoenlijkheid van de tegenstelling.
Ondanks de radicale klanken van prof. Smits' betoog, blijkt hij toch dichter bij de door hem bestreden gedachte in. vrijzinnige kring te staan dan hij misschien zelf vermoedt.
Dat verklaart wellicht ook zijn kerkelijk standpunt. „Zakelijk onverenigbaar", zou doen verwachten, dat hij zijn vrijzinnigheid ook onverenigbaar achtte met het lidmaatschap van een kerk, die op een met zijn godsdienstige inzichten onverenigbare belijdenis staat.
Die onbegrijpelijke innigheid van een geloofsgemeenschap tussen zakelijk onverzoenlijke controversen, is mogelijk aanleiding voor het breed moderamen der synode geweest om de roeping der kerkregering te verzaken ten aanzien van een man die het hart van het Evangelie, het plaatsvervangend lijden en sterven van de Heere Jezus Christus, openlijk loochent. De dagbladen berichten althans, dat de besprekingen met professor Smits zijn afgesloten en dat het resultaat hiervan ter kennis zal worden gebracht van de generale synode in hun vergadering van 6 en 7 februari 1961.
Genoemde loochening is voor het breed moderamen klaarblijkelijk geen genoegzame grond geweest om prof. Smits „de bevoegdheden als van een emeritus te ontnemen, " omdat „het voortduren daarvan niet strookt met de waardigheid of de belangen der kerk". (Ord. 13.29.5.)
Deze gedragslijn van het breed moderamen getuigt eer van een deelhebben aan de vrijzinnigheid dan van trouw aan de fundamentele grondslagen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof. Zij komt ons voor geenszins in overeenstemming te zijn met de waardigheid en de roeping der kerk-regering.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's