De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Engelenzang

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Engelenzang

8 minuten leestijd

Het moet ons in de Kersttijd wel opvallen, dat de nieuwe vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap een andere lezing van de Engelenzang geeft dan de bekende der Statenvertaling. De geleerde overzetters van het N.B.G. menen daarvoor grondige reden te hebben. Doch het geeft in de christelijke gemeente aan velen (vooral de ouderen) een gevoel van teleurstelling en onbevredigdheid, dat de oude vertaling van Lukas 2 : 14 voor deze nieuwe heeft moeten wijken.

De gewone man kan de reden hiervoor niet inzien; evenmin die voor andere bewoordingen, resp. wijzigingen. Woorden en namen van vertrouwde en schier onbestreden zin zien wij ineens veranderd, zoals „zalig worden" overal in „behouden worden", en „Zaligmaker" in „Redder" of „Heiland". Om hier maar bij te blijven.

De zaken liggen nu eenmaal anders dan in 1637, toen de Statenvertaling verscheen. Toen was daar de vrucht van de arbeid van mannen van eenzelfde belijdenis en gerugsteund door de kerk der reformatie. „Het behoeft niemand enige moeite te kosten, om in de kanttekeningen de gehele Gereformeerde dogmatiek te vinden". 1). De leden der commissie van het N.B.G. waren echter uit diverse kerken gekozen, en zeker niet allen van gelijke geloofsovertuiging. Dit feit legt gewicht in de schaal bij het vertalen der H. Schrift. Bij alle objectiviteit, die betracht wordt, kan geen vertaler zich van zichzelf ontdoen. Dit behoeft ook niet, maar daardoor zal meerdere malen een bepaalde vertaling vrucht zijn van compromis, vooral als niet alleen tekstkritiek (ook in 1637 beoefend), doch ook Schriftkritiek (in 1637 onbekend) in het geding kwamen.

In de vert. N.B.G. is m.i. bewezen. hoever de samenwerking van mannen uit verschillende kerken in deze kon gaan, vooral uit oogpunt van taalgeleerdheid. Verschillende kerken hebben gemeend haar zonder meer aanstonds in gebruik te kunnen nemen. Anderen namen haar min of meer voor kennisgeving aan. Ik las echter nergens, dat nu onze Statenvertaling voor afgeschaft werd gehouden. Wij voor ons ontkomen niet aan haar gezag, gedragen als ze is door het reformatorisch geloof. Want, zei eens iemand: „vertalen is tegelijk uitleggen". Toch nemen we wel eens de vrijheid, van haar, als gebrekkig mensenwerk, op een of ander punt te verschillen. Wij willen die vrijheid ten volle behouden ook t.o.v. de vert. N.B.G. 1951, zijnde eveneens gebrekkig mensenwerk, en waarin de betrokken commissie nog steeds bezig is verbetering aan te brengen, naar ik vernam.

Zo kunnen wij niet meegaan met haar weergave van Lukas 2 : 14: „bij mensen des welbehagens" (1951). Ik merkte, dat de commissie hier zichzelf al heeft gecorrigeerd, omdat de uitgave van haar N.T. in 1937 (en ook in die van 1940) doet lezen: „voor mensen des welbehagens". Weinig verschil, zult u zeggen. In onze taal zeker. In 't Grieks echter niet. Het komt mij voor, dat de commissie zich nog eens nader heeft beraden op bepaalde handschriften. Er zijn er, waarin 't woordje „in" vóór „mensen" ontbreekt. Omdat 't laatste woord al in derde naamvalsvorm stond, kon op die grond „voor mensen" gelezen worden. Het zij zo, maar hiernaast mag en moet nu vermeld worden, dat 15 majuskelhandschriften (met hoofdletters geschreven, daarom van oudere datum als die van het cursiefschrift) de lezing geven, die de Statenvertaling heeft gevolgd: „in mensen (een) welbehagen". En niet over het hoofd mag gezien worden, dat bij „welbehagen" geen lidwoord staat, dus zo maar niet van „des welbehagens" mag gesproken worden. In de Engelenzang zelf staan geen werkwoordsvormen en ook geen lidwoorden. Naar de woordschikking in de grondtekst luidt zij: „Ere in hoogste (plaatsen of hemelen) zij God en op aarde vrede, in mensen welbehagen".

Naar de oude opvatting zijn er dus 3 strofen in het lied, naar de nieuwe 2; dan is „des welbehagens" beperking geworden van „de mensen", daar 't slechts hun geldt, die onder dat welbehagen (Gods) vallen. Op zichzelf ligt hier wel waarheid in, maar dan in de zin van Lukas 12 : 32: „want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven".

De grondreden van oude en nieuwe lezing ligt, naar de grondtaal slechts in één letter, het sigma, of ónze letters achter het woord „eudokia" (= welbehagen). Wordt hieraan een s toegevoegd (eudokias), dan hebben we 2e naamval: „van 't (of) des welbehagens". Deze lezing heeft het N.B.G. gevolgd, en zo ook de Leidse vert. (vrijzinnig), evenals vele anderen.

In de uitnemende geestelijke commentaar van prof. Godet wordt ons duidelijk gemaakt, dat. Wanneer in het N.T. het woord mens of man met een genitief (2e naamval) van het volgende woord verbonden wordt, dit altijd een eigenschap of kwaliteit van de persoon zelf te kennen geeft  2), zoals 2 Thess. 2:3, „mens der zonde"; Ef. 5: 8, „kinderen des lichts"; Ef. 2 : 2 en 5 : 6 en Col. 3 : 6, „kinderen der ongehoorzaamheid". Daarop berust dan ook de Roomse lezing: „mensen van goede wil". Want 't woord „welbehagen" ontmoeten wij ook in menselijke zin, b.v. 2 Cor. 12: 10, „een welbehagen in zwakheden" en Hand. 8:1 en 22: 20, „een welbehagen aan zijn (Stefanus') dood"; terwijl in Rom. 10: 1 't woord eudokia is weergegeven door „toegenegenheid" (Statenvertaling) en door „begeerte" (vert. N.B.G.).

Het is m.i. daarom een wat gedwongen verklaring, wanneer de voorstanders van de 2 strofen, van „mensen des welbehagens", dit welbehagen als Goddelijk welbehagen (of welwillendheid) willen doen functioneren. Taalkundig zou men echter ook de Roomse uitleg kunnen volgen. Doch dit strijdt met de uitspraken der H. Schrift omtrent de mens en is Pelagiaans. Daarom treedt hier in het licht de verkeerdheid, om vast te houden aan de lezing van „welbehagen" in de 2e naamval, dus „des welbehagens". 't Gaat in de grondtaal om de al of niet toevoeging van die éne letter s achter eudokia. De meeste Griekse handschriften zouden dit zo hebben, zoals zelfs de gewichtige Sinaïticus (uit de 4e eeuw). Doch de N.T. geleerden zeggen zelf, dat men de „getuigen" niet moet tellen (meerderheid), maar wegen (bewijskracht door oudere afkomst). Hieronder behoren ook de reeds bovengenoemde 15 handschriften. Doch daar is verder nog een ouder getuigenis van het z.g. Diatessaron van Tatianus, ± 180 n.Chr., een in het Syrisch uitgegeven Evangeliën-harmonie, dan nog een Latijnse overzetting van Origenes en anderen (2e en 3e eeuw). Deze allen hebben de lezing eudokia (dus zonder s), en hebben dit dus ook zo gevonden in de door hen gebezigde zeer oude handschriften (van vóór 180). Reden genoeg, dunkt mij, om dit van doorslaande betekenis te doen zijn, en ten gunste van de lezing onzer Statenvertaling. Er zijn ook handschriften, die 't woordje „en" hebben vóór „in mensen een welbehagen".

Maar wat zeker niet vergeten mag worden is, dat de engelen gezongen zullen hebben in de voor de herders verstaanbare volkstaal. Dat was in die dagen het Aramees, een vertakking van 't Hebreeuws. Nu is Lukas de enige evangelist, die de Engelenzang weergeeft. Zo zal hij, „hebbende alles van voren aan  naarstiglijk onderzocht" (1 : 3), de eigenlijke bewoording, hetzij schriftelijk (1 : 1) of mondeling, wel uit getrouwe overlevering gekregen hebben, en wel in de volkstaal.

Het Brits en Buitenlands Bijbelgenootschap gaf in 1817 uit een Hebreeuwse vertaling van het N.T. Lukas 2 : 14 luidt daar: „Ere zij God in de hoogste" (plaatsen of hemelen) en vrede op aarde en welbehagen voor mensen". We letten hier op de drie-deling van de zang, vanwege tweemaal 't woordje „en", ook, dat „welbehagen" vóór „mensen" staat. Vermoedelijk is hier samenstemming met de Arameese-traditie, die m.i. beslissend is. Laat ik ten besluite nog het volgende mogen weergeven uit de commentaar van prof. Godet  3): „In de eerste zin eisen de op aarde nedergedaalde engelen, dat boven hen, tot aan de troon van God, de zalige geesten, waarvan zij slechts een deel zijn, een lofzang aanheffen ter ere van de volmaaktheden Gods, die uitschitteren in de wondere Gave, Die aan de mensheid geschonken werd. De tweede is de tegenhanger van de eerste. Zij eisen, dat op deze door zonde en strijd verontruste aarde de vrede der verzoening nederdale. De derde zin: „in mensen welbehagen!" is de rechtvaardiging van de beide andere". Ook deze innerlijke gronden pleiten voor de handschriften met eudokia, en daarom voor de lezing der Statenvertaling. Voorts het gezaghebbend Wörterbuch van Cremer acht de oude lezing de enig juiste, mede om de symmetrie van het lied.

De apostel Paulus verhaalt ons.(Hand. 26 :14), dat hij op de weg naar Damascus door de verhoogde Heiland is toegesproken in 't Hebreeuws, dat, naar algemeen gevoelen, moet opgevat worden als 't Aramees, evenals Paulus' rede tot de Joden in Hand. 21:40, waarvan 't zelfde geldt. Dit blijkt ook, tijdens Zijn omwandeling, de moedertaal des Heeren te zijn geweest. 4). Dan is het niet te gewaagd, te onderstellen, dat, op Gods bevel, ook de engelen zich tegenover de herders van die taal zullen bediend hebben. Zo konden „zij ook alom bekend  maken het woord (ook der engelen zang), dat hun van dit Kindeke gezegd was" (2 : 17). Daardoor heeft Lukas zelf mensen kunnen ontmoeten, „die van den beginne zelf aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn ( 1 : 2). Mogen in deze studie enkele dingen voor de eenvoudige lezer minder  bevattelijk
zijn, ze waren te vermelden niettemin noodzakelijk, om tot een gerechtvaardigde conclusie te geraken. Het is déze: dat wij ons wensen te houden aan de drieslag: Gods ere, Gods vrede, Gods welbehagen, als troost, sterkte en blijdschap van Gods gemeente, en die ook haar engelenzang van „Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen", niet behoeft te wijzigen. Het kan ook niet.

('s-Gravenhage)

1) Aldus prof. dr. F. W. Grosheide In „De Statenvertaling 1637-1937", blz. 143.

2) Commentaar op het Evangelie van Lukas, 1888, I, blz. 99 en 100.

3) a.w., blz. 101.

4) „De moedertaal van onzen Heere Jezus Christus en van Zijne apostelen", door prof. F. W. J. Dilloo, A'dam, 1885.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Engelenzang

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's