De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

11 minuten leestijd

Een wereld vol onrust — Uit de vergadering van Waarheid en Eenheid — De jaarvergadering van de Chr. Geref. Studentenbond — Mutatierapport en Een eigenaardig bericht — Rust in de onrust der tijden.

Het jaar 1960 is onrustig geweest. Op velerlei gebied en over schier heel de wereld. En met de overgang van 1960 naar 1961 is de onrust niet verdwenen. Ze bleef. In het verre Westen nam het conflict V.S.—Cuba eer toe dan af. Midden-Afrika, met name de Kongo en omgeving, baart grote zorgen aan de „Verenigde Naties, " mede door inmenging van Sowjetzijde, en de chaos blijft heersen in en door stamveten, welke veelszins aan burgeroorlogen doen denken. In het Zuiden en Noorden van dat werelddeel is het ook verre van rustig. De spanningen betreffende het „rassenprobleem" — dit geldt het Zuiden, en midden, voorzover onder Engelse invloedssfeer — en de beslechting van de Algerijnse kwestie, blijven vele. In het midden- en het verre Oosten wisselen in en door revolutionaire woelingen de regeringen elkander af en ook daar schijnt de communistische infiltratie niet gering te zijn.

Dit alles is betrekkelijk ver weg, al zijn wij er bij betrokken door Indonesië's activiteiten inzake Nieuw-Guinea. Veel dichterbij, en daarom misschien ons meer rakend, zijn de Belgische troebelen, welke opkwamen als gevolg van de versoberingsmaatregelen beschaamd in de dusgenaamde „eenheidswet".

Politieke staking, niet zonder inmenging van de socialistische leiding, is beproefd om die wet te verhinderen. Vooral in Wallonië, het zuidelijke deel, is het verzet hevig en de eis: scheiding van Zuid en Noord, zij het met een federatief verband, is gehoord. Wil men in Wallonië de dynastie kwijt? Wreekt zich in dit alles, dat België de versobering niet ontvangt door een nationaal kabinet? Men zegt dat koning Boudewijn een dergelijk ministerie heeft gewenst, doch Eyskens in dezen tegenover zich vond. Hoe het zij, het zijn zorgelijke dagen voor het pas gehuwde koningspaar, dat zijn huwelijksreis voortijdig moest afbreken. Een wrede ontgoocheling, na het enthousiaste meeleven in de dagen der huwelijkssluiting.

Voor ons land kwam er bijzondere onrust in de laatste week van 1960, doordat het kabinet-De Quay zijn ontslag aanbood, tengevolge van de motie van Eibergen, welke zich richtte tegen het woningbeleid van minister Van Aartsen. Men heeft deze crisis „een rare crisis" genoemd, omdat ze een gevolg was van meningsverschil tussen enerzijds a.r. en c.h.u. fractie, en anderzijds de a.r.-bewindslieden. Men sprak van „aanleiding" — de eis der motie: 2500 woningwetwoningen meer — en oorzaak — ontevredenheid van de a.r. fractie over de a.r. bewindslieden — der crisis. Het centraal comité der A.R.P. heeft er zich mee bemoeid, en dank zij bemiddeling van de „informateur" prof. mr. De Gaay Fortman, is het tot overeenstemming en continuatie van het ministerie gekomen.

Daar kunnen we ons over verblijden. Want het is onraadzaam „tijdens het oversteken van een stroom van paarden te verwisselen".

Is de harmonie tenvolle hersteld? Als ik me bezin op een artikel van G. Puchinger („Trouw" d.d. 6-1-'61), die aandringt op nader gesprek om moeilijkheden uit de weg te ruimen naar eis van het Evangelie, en een hoofdartikel in „Trouw" d.d. 7-5-'61, in dezelfde geest, zet ik een vraagteken. In het land heeft met name het geestverwante deel, — waaruit de protestants-christelijke kamerleden voortkwamen, — de crisis niet begrepen. Er is geschreven — men zie het artikel van T. M. Gilhuis („Trouw" d.d. 31-12- '60) — zulks in terugslag op de zeer bewogen rede van dr. A. Kuyper sr. op het Ie Christelijk Congres 1891: „Vanuit het Evangelie gedacht is slechts maatgevend of inderdaad de christelijke barmhartigheid voor de ogen van ons volk tastbaar en zichtbaar geconcretiseerd wordt . En dan wordt verder gezegd, dat „het o.i. onze vertegenwoordigers om het realiseren van deze gedachte ging". Voorts wordt nog vermeld, dat ook „Hervormd Nederland" d.d. 31-12-'60 (? ) zich in die geest uitliet.

Wat hiervan zij, men ziet er uit, dat het laatste woord in dezen nog wel niet zal gesproken zijn.

Is het op kerkelijk erf rustiger? Of deed en doet de onrust, waarvan ik in het bovenstaande repte, zich ook in de kerkelijke sectoren gelden?

Het antwoord moet bevestigend luiden. Ik kan er niet aan denken hier op alle symptomen, die daarvoor als bewijs kunnen dienen, de aandacht te vestigen. Slechts enkele daarom.

De herenigingspogingen tussen de geref. kerken (Synodaal) en de „vrijgemaakten" (art. 31) vorderen maar traag. In de jl. gehouden jaarvergadering van de Vereniging „Waarheid en Eenheid" werd dit uitgesproken en betreurd. Dat is te verstaan, als men bedenkt, dat genoemde Vereniging — zij bestaat uit leden van de gereformeerde kerken (Synodaal) — zich zeer beijverde voor de heling van de breuk. Er werd ter vergadering nogal kritiek geoefend op de jl. gehouden Generale Synode der geref. kerken, die wel de „vervangingsformule" opgeheven, doch er „een staart had aangelaten, die nog veel erger is" („Trouw" d.d. 9-l-'61).

Men is dus in de kringen van „Waarheid en Eenheid" niet al te best te spreken over.z'n Synode. Het doet me denken aan een stukje, waarin met een citaat ontleend aan een der corypheën uit de oude kerk — ik meen dat het Gregorius van Nazianze was, doch ik kan me vergissen, ik heb het stuk niet bij de hand — ook een niet al te beste gezindheid ten opzichte van synodes bleek. Wellicht zullen meerdere meelevende leden uit onze kerk bovenvermeld oordeel wel bijvallen, wijl ook niet tevreden over hun synode.

Ook in Chr. Geref. Kerken is het niet in alle opzichten rustig. Ik las een verslag van een vergadering van de „Chr. Geref. Studentenbond", de eerste week in dit jaar te Utrecht gehouden. Die bond is opgericht, zo werd gememoreerd, om de afvloeiing van jonge intellectuelen, studerenden, uit de Chr. Geref. Kerken tegen te gaan. Uit de rede, die prof. Oosterhof f ter vergadering hield, viel te beluisteren, dat dit doel bij meerdere studenten wel was bereikt. Maar men is er nog niet. In dit verband werd geklaagd over de starheid, welke in sommige gemeenten heerst, waardoor studenten vaak de gedachte krijgen, dat met hun behoeften niet of te weinig rekening wordt gehouden. Ook sommige predikanten moesten een veer laten, omdat ze zich al te gemakkelijk neerlegden bij meningen hunner kudde, welke van ouds als van „volkomen zekerheid" golden. In dit verband werd ook nog even gezinspeeld op de tegenstand in de Chr. Geref. Kerken tegen de „Nieuwe Vertaling". Of het „ritmisch" zingen ook in discussie of bespreking kwam, heb ik niet gelezen. Wel las ik daarover een uitlating van prof. Hovius, ook een hoogleraar van de Apeldoornse theologische school, die iets schreef over zijn verblijf temidden van bevriende kringen in Amerika en o.m. ook zeide, dat alle psalmen „ritmisch" gezongen werden, en dat in genoemde kerken de duivel geen kans kreeg om met die kwestie de vrede der kerken te verstoren, wat hier te lande helaas nog wel het geval was. Dat was een goed woord van prof. Hovius. Men blaast iets dergelijks al te gemakkelijk op, vergetend, dat we in onze kerken allemaal „ritmisch" zingen, ten dele op hele, ten dele op hele en halve noten. De laatste manier, zegt men, is de oudste wijze van zingen, in de opkomst der reformatie gebruikelijk. Ik geef dit voor wat het is. Er is m.i. geen reden om er een kwestie van te maken, en de duivel in dit opzicht zijn kans te geven.

Maar ik had het over de Chr. Geref. Studentenbond. Komt in zijn oprichting en bestaan niet naar voren, dat ook de gescheiden broeders van Chr. Geref. zijde om het probleem der cultuur, in zijn hedendaagse verschijning niet heen kunnen ? Dat stelt zich voor ieder onzer, van wat kerk, van welke leeftijd ook, hetzij wij behoren tot de „intellectuelen" of „niet-intellectuelen", maar gezegend zijn met een normaal intellect, of intelligent te noemen. En we komen er nooit klaar mee, naar ik meen. Maar wel moeten we een open oog hebben voor de vragen, die onze jongeren beroeren, om met hen te worstelen om een weg te vinden naar het Woord, naar het: „alles het Uwe" (1 Kor. 3 : 23) en tevens naar het Johanneïsche: „Bewaart uzelf van de afgoden" (1 Joh. 5 : 21). Indien we in die strijd het licht des Geestes tot ons deel mogen hebben, en de „innerlijke leermeester" ons het Woord doet kennen in zijn macht en gezag, is er hoop, dat we bewaard worden voor een cultuuroptimisme, dat ergens nog welig tiert, en de „Kulterfeindliche" instelling, welke Tertullianus deed zeggen: „Wat gemeenschap heeft Jeruzalem met Athene"? Vergat hij niet, dat hij zelf voor zijn werken zich ook bediende van het Griekse denken, leentjebuur speelde bij de cultuur?

Zou bij een dergelijke instelling de N.C.R.V. haar T.V.-uitzending van 31 dec. jl. hebben ingesteld, als geschiedde? Ik ben geen bezitter van een T.V.-toestel, zag het schouwspel alzo niet. Ik las er van in „Drijfhout", Herv. Weekblad, d.d. 5-1- '61. „Strandvonder" noemde de uitzending — „een musical show", „een cabaretprogram" — „stijlloos". Ik ben wel met hem eens, dat de technici en musici het moeilijk hebben. Maar wat de N.C.R.V.- T.V. gaf was misschien om de jongeren wat te geven, — ook om ze van Wim Kan's conference af te houden, waarvoor de Geref. Kerk te Heemstede de dienst vervroegde (? !) — maar geenszins naar christelijke stijl, en niet in overeenstemming met het „bewogen woorden", van mr. Roosjen, die treffend sprak over: „Dit weet ik" naar Ps. 56.

Ik dwaalde af. Het was naar aanleiding van het vraagstuk der cultuur, dat op de vergadering te Utrecht zich presenteerde, al werd het woord niet genoemd. Ik hoop, dat de Chr. Geref. Studentenbond gezegend worde in zijn streven.

Is het in onze kerk rustig? Is bereikt wat men bedoelde, toen besloten werd de laatste etappes van een eventuele tuchtprocedure tot '61 op te schorten, omdat, naar gezegd werd, de kerk voorshands rust moest hebben? Geenszins! Er is een gevoel van onbehagen en onrust in vele gelederen. De Synode — of moet ik zeggen de vele „Raden", die voor haar als zovele motoren schijnen ? — maakt door besluiten en rapporten het kerkvolk onrustig. Voor de e.k. classisvergaderingen, is het „mutatierapport" ter bespreking aan de orde gesteld. Men weet, dat daarin wegen worden aangegeven om — van hoger hand — predikanten, die een reeks van jaren in hun gemeente stonden en geen beroep kregen, maar gaarne van standplaats willen verwisselen, de vervulling van die wens te geven. Van verschillende zijde is dit in diverse kerkelijke bladen besproken. Ds. Tukker handelde er over, terloops, in de jongste aflevering van „Theologia Reformata". Ook op de contio van predikanten uit onze kring, 5 en 6 januari in Woudschoten gehouden, refereerde hij over dit onderwerp. Hij wees het af, evenals onlangs prof. Van Itterzon en ds. A. Groot in „Herv. Weekblad". Ik kan op een en ander nu niet ingaan. Er zal nog wel eens gelegenheid voor komen.

Evenmin als door het hiervóór vermelde is de rust in de kerk bevorderd door het bericht in de Pers, dat de besprekingen tussen het breed moderamen en prof. Smits „zijn afgesloten", en dat het resultaat zal gemeld worden aan de Generale Synode in haar zitting van 6 en 7 februari e.k. „En dan", zouden we willen vragen. Is de zaak met die mededeling af? Of volgt er daarna nog meer? Ds. Groenewoud schrijft in „Herv. Weekblad" d.d. 29-12-'60 onder het hoofd: „Een eigenaardig bericht", dat hij tevergeefs zocht naar een bericht in een officieel kerkelijk orgaan, en dat we alleen iets weten via een „telex-bericht". En voorts stelt hij de vraag of de Synode „dan ten langen leste een uitspraak moet doen; volgens de Kerkorde". Indien dit zo is, heeft de publicatie, — eigenlijk van geen inhoud — z.i. weinig zin. Ja, het is wel een heel „eigenaardig bericht", dat wel werkelijk onrust baart. Ik zal mij niet aan gissingen wagen, noch uitspreken wat ik vrees. Wij zullen tot februari e.k. moeten wachten.

Rust te midden van de onrust der tijden ... het is wat we steeds weer nodig hebben. Niet het minst in onze tijden. Wij maken immers jaren mee, waarin zich voltrekt, wat wel eens genoemd is: „Umwertung aller Werte", ombuiging van alle waarden en normen.

Het oude Psalmboek tekent meermalen Gods Kerk in dergelijke tijden. Ik denk aan Psalm 11: 3: „Zekerlijk de fundamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven? " Maar mij komt ook voor de geest Psalm 46, met dat machtige begin: „God is ons een toevlucht en sterkte; Hij is krachtiglijk bevonden een hulp in benauwdheden". Luther's lied: „Een vaste burcht is onze God" is er op afgestemd. Ook ons hart vinde er zijn uitkomst en sterkte in. Dan hebben wij God als ons „hoog vertrek", te midden van alles, wat woelt en wrikt, en in God de rust des harten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's