HET MUTATIERAPPORT
In de kringen van het seminarium en de commissie voor het theologisch hoger onderwijs komen gedurig vragen en bezwaren naar voren over de positie en de bevoegdheden van de vicaris. Deze is niet gerechtigd tot de bediening van de sacramenten, en hij komt na het aflopen van zijn benoemingstermijn weer zonder inkomsten.
In dit rapport kunt u onder de voorstellen ter sanering op pag. 18 lezen, dat proponenten, vicarissen, veld-predikers, emigratiepredikanten, zendingspredikanten enz. zelf bepaalde risico moeten dragen. Wel heeft de kerk hier een morele plicht. Hier ligt een taak voor de commissie voor het beroepingswerk en voor de collegialiteit van de predikanten. Een formele en financiële aansprakelijkheid zal de kerk — zolang zij niet over plaatsingsbevoegdheid beschikt — niet op zich kunnen nemen.
Het mag zijn, dat de mutatievoorstellen een mogelijkheid in zich dragen voor de benoeming en plaatsing van de vicarissen, maar voorshands moet men dan constateren, dat de commissie voor het haar opgedragene geen oplossing heeft gevonden. Wel is door de commissie ad hoc het hele mutatievraagstuk, waarop zij telkens stuitte, aan de orde gesteld. Aan de orde gesteld dus door de commissie, niet door de Synode! De Synode heeft die delen van het rapport, die op de mutatie betrekking hebben, aan de classicale vergaderingen en de brede ministeries toegezonden, te hunner informatie. De Synode verwacht dan ook geen consideraties. Wel verwacht de Synode bezinning en de resultaten daarvan t.a.v. een zestal door de Synode gestelde vragen. De commissie harerzijds geeft op deze zes vragen een antwoord in het mutatierapport.
Het rapport begint met vast te stellen, dat de stremming van de mutatie niet maar een tijdelijk verschijnsel is, ontstaan door verschillende oorzaken, maar een structurele hoedanigheid van de situatie en de opbouw van de kerk. Op blz. 7 verklaart de commissie dat de situatie van de ongelijke indeling van het aantal predikanten een lijnrecht overblijfsel is van de parochie-indeling in de middeleeuwen.
Op blz. 4 en 5 worden de eventuele gevolgen van een te lang op dezelfde plaats blijven opgesomd in lange rij. Dit zijn gevaren, die dreigen en zich ook zeer concreet voordoen. Had de commissie het bij dreigen gelaten, dan had dit haar de aanval van prof. Van Itterzon bespaard. Nu wordt een beeld gegeven van concreet zich voordoende toestanden, die op bepaalde punten eerder moeten doen zoeken naar wegen, om die predikanten buiten het ambt te plaatsen, dan hen in een andere gemeente te plaatsen. Als er b.v. staat, dat die predikanten te weinig werk hebben om hun dag te vullen, geen studiosi zijn, hun tijd verdoen in tuin of huishouding en het regelmatig werken verleren, dan moeten zulke predikanten niet naar een andere gemeente, maar tuinman of huisknecht worden. Als gering kerkbezoek huiselijke spanningen veroorzaakt in het predikantengezin, zodat zelfs het gevaar dreigt van ongeoorloofde verhoudingen, dan lijkt mij dat wel wat overdreven. Beslist afwijzen moeten wij ook punten als een gemis aan relaties met niet kerkelijke sectoren in het dorpsleven. Men moet het eerder als een gemis gevoelen, als men. geen, relatie heeft: met; de kerkelijke sectoren van de gemeente. Een verkeerd milieu voor de kinderen en voor de predikantsvrouw (congruent sociaal milieu). Het moet voor het predikantsgezin genoeg zijn om in de geloofsgemeenschap van de gemeente te leven en verder weet elk, dat het predikantsgezin altijd min of meer aangelegd is op een geïsoleerd leven. De studie op middelbare scholen in naburige steden en de studie aan de veraf gelegen universiteiten brengen dat mee.
Rest ons nog de inderdaad serieus te nemen bezwaren, dat een predikant uitgekeken kan raken op zijn gemeente, uitgepreekt kan raken, in herhalingen kan vallen, zodat zijn preken clichéwerk worden en zijn huisbezoeken routinewerk, zo hij al nog huisbezoek doet. Deze bezwaren doen zich echter ook voor bij elk langer verblijf in de gemeenten, ook in die van klasse II en I. Zelfs al studeert de predikant trouw, dan nog wordt hij tenslotte gekend aan zijn stokpaardjes, aan zijn cliché-uitdrukkingen in de preek en in het gebed. En zelfs bij kort verblijf in een gemeente, zeker bij langduriger verblijf, is er ook genade nodig, om trouw te zijn in het pastoraat. Daar is inderdaad het stille verdriet over vereenzaming en de stille zorg over het tot routine worden van het werk. Maar wij moeten de dingen vooral niet tragisch maken! Mijn bezwaar tegen dit rapport is, dat het de ziektegevallen als norm stelt en de gewone gevallen, die veruit de meerderheid vormen, over het hoofd ziet. Voorzover ik dat kan beoordelen, is er in onze classis maar een doodenkel geval te noemen, waar deze zorg leeft.
Een ander aspect van de zaak is, dat het getal theologische studenten hard achteruit gaat. Ten dele ligt dit aan de aantrekkingskracht van de B-faculteiten. De kerk kan daar met het traktement, dat zij aanbiedt en met het arbeidsveld, dat zij in uitzicht stelt, niet tegen op. Ook weinig predikantszonen begeren het ambt. Wat dit laatste betreft: hoe rechtzinniger de predikantsgezinnen zijn, hoe minder dit klopt. Hoe linkser de predikantsgezinnen zijn, hoe minder inderdaad èn de predikantszonen èn de predikanten zelf het ambt begeren.
Het is, dacht ik, niet zo'n bezwaar, dat de traktementen wat minder hoog zijn. De kerk heeft altijd offerbereid haar werk moeten doen. 'k Geloof niet, dat het waar is, dat het predikambt alleen aantrekkelijk is voor de lagere sociale lagen. En al was dat waar, dan is het vreemd, dit bezwaar uit deze hoek van de kerk te moeten horen.
Voordat ik nu de mutatie van nu en de voorgestelde mutatie bespreek; eerst nog iets over-wat op voorhand van deze voorstellen in de kerk al vast loopt. Deze voorstellen komen niet uit de lucht vallen. Daar zijn in onze kerk al artikelen, die de mogelijkheid tot ruiling openstellen. Daar wordt door de visitatie reeds moeite gedaan tot transplantatie van plaatselijk ongeschikte predikanten. Daar is al de adviescommissie van het beroepingswerk. Bij de instelling van deze laatste commissie had de kerk al op haar „qui-vive" moeten zijn. Hoeveel ernst men maakt, om deze zaak door te zetten, blijkt wel uit het feit, dat reeds nu de zaak na twee jaar verder aan de orde gesteld wordt. Ongetwijfeld zal dit na verloop van tijd ook nog voor de groepen II. I. aan de orde komen, al zal dit altijd wat minder resultaat opleveren, omdat de kerkelijke wat 'beter gesitueerden altijd veel meer onaantastbaar zijn. Reeds nu zijn in de Synode stemmen opgegaan om de zaak uit te breiden over de groepen II. I. Men kan er dus van verzekerd zijn, dat als dit komt, er zeker meer komt. Komt dit, dan is het bisschoppelijk stelsel voor de helft over de brug.
Nu dan enkele opmerkingen over de mutatie van nu.
De groepen V. IV. en III. hebben met 1400 predikantsplaatsen 1800.000 zielen en de groepen II. I. hebben met 442 predikantsplaatsen 1700.000 zielen. Dit geeft inderdaad een niet verantwoorde werkverdeling, die evenwel moeilijk is op te lossen. Tegen de reeds gebruikelijke samenvoeging van gemeenten zijn èn in het Noorden èn in het Zuiden van het land grote bezwaren. Dit levert vele miniatuurgemeenten uit enerzijds aan het nihilisme, anderszijds aan Rome. De stichting van vele nodige predikantsplaatsen in de steden van het Westen, stuit op financiële bezwaren, hoewel het daarin toch gevonden moet worden. Mij lijkt de stichting van predikantsplaatsen in de grote bevolkingscentra meer nodig, dan die van predikanten in algemene dienst en zelfs dan de bouw van kerken. Al ben ik me wel bewust, dat van de predikantenkorpsen in de steden nog wel eens geldt: „hoe groter hoop, hoe kwader koop". De kerk is er met een tekort aan mankracht altijd toch wel gekomen. Komen er echter in de groepen II. I. belangrijk meer plaatsen, dan komt er vanzelf belangrijk meer doorstroming. Zolang de verhoudingen van de aantallen predikantsplaatsen in de verschillende groepen zo blijven, zal elk mutatievoorstel en zeker dit mutatievoorstel de predikanten meestal moeten verplaatsen in plaatsen van dezelfde klasse, waardoor dezelfde moeilijkheden alleen maar verplaatst worden.
Bij de tabel van de vervulbare en onvervulbare predikantsplaatsen moet ik opmerken, dat de confessionelen als groep niet genoemd worden en voorts dat de onvervulbare vacatures van links naar rechts aflopen en de vervulbare vacatures van links naar rechts oplopen. De conclusie, die de commissie trekt, is, dat het gebrek aan mutatie te wijten is aan de structuur van het pastoraat en de gemeentelijke indeling, en beïnvloed wordt door factoren van financiële, modalitaire en selectieve aard. Met dit laatste is bedoeld, dat bij beroepingen leeftijdsselectie wordt toegepast, waar de commissie zich sterk tegen keert, en tevens selectie in bekwaamheden. Uit deze conclusie kan duidelijk zijn, — en ik acht dat van belang —, dat het mutatiegebrek èn confessioneel èn financieel in aflopende schaal zich doet gevoelen, naar de rechterzijde van de kerk.
Wat de tabellen betreft het volgende. Ze zijn nauwkeurig en ik ben overtuigd getrouw. Ieder, die een potlood neemt en een papier met rubrieken, en die de tijd neemt om het kerkelijk handboek door te nemen, kan ze maken. Voor de predikanten, die tien jaar en langer op hun standplaats staan, kom ik aan ± 25 % van het totaal uit de groepen V. IV. en III. Dat is toch niet te somber, niet zo somber als het rapport het voorstelt. Terecht keert de commissie zich tegen een usance in de kerk, om bij voorkeur jongere predikanten te beroepen. Wat de leeftijden betreft, leveren de tabellen op dit resultaat, dat 18 %, slechts 18% van de predikanten boven de 40 jaar nooit, of één maal van standplaats wisselden. Voor de predikanten boven de 50 jaar is dit slechts 6,5 %. Neemt men alle groepen samen dan staan 257 van de 1642 in hun tweede gemeente. De commissie mag dat zorgwekkend vinden, ik vind dat heel zo somber niet. 1/6 a 1/7 deel van de predikanten heeft niet meer dan 2 gemeenten, 5/6 a 6/7 meer dan twee gemeenten.
Voorstellen:
Tot zover de situatieverkenning van de commissie. Nu de voorstellen. Zoals gezegd, worden de groepen, waar voor de zaak inderdaad dringt, vicarissen enz., met de boodschap „non possumus" naar de collegialiteit van de predikanten verwezen. Voor de predikanten, die te lang op een zelfde standplaats staan, is er het volgende:
Naast de commissie voor het beroepingswerk worde ingesteld een mutatieraad met leden en adviseurs, voor de tijd van 5 jaar. Elk lustrum treden alle leden en adviseurs af. Door onder-verdeling.in sub-commissies en door benoeming van representanten kan de verscheidenheid in de kerk tot uitdrukking komen.
Hier komen terstond enkele vragen bij ons op. Uit eerlijkheidsoverwegingen moet ik dit vragen: Als in de tabellen de twee schakeringen in de vrijzinnige groep samengevoegd zijn, en als in de kerkelijke benoemingen alleen de rechter-groep aan het bod komt, als in de tabellen de weinige Kohlbrugge-vrienden en ook de confessionelen, die prijs stellen op hun naam en richting, ondergebracht zijn onder de middenorthodoxie, welke garantie hebben zij dan, dat hun belangen in zo'n Raad behartigd zullen worden? Stel, dat dit voorstel wet werd, welke man uit onze Geref. Bond zou de belangen van de hele Bond kunnen behartigen. Als voorheen de kerkeraden advies vroegen bij dr. Woelderink, dan viel het advies altijd naar links uit, als zij dit deden bij prof. Visscher, dan viel het advies altijd naar rechts uit. De adviezen van u en van mij zullen in de Bond doorgaans modalitair bepaald zijn.
Het tweede voorstel is dit: de raad houdt uit de groepen V. IV. een register bij van de predikanten, die 9 jaar of langer op hun standplaats staan.
Voorstel Hl is dit: „Om de vijf jaar worden (te beginnen 1965, eventueel 1963) de in het register opgenomen predikanten verzet, gehoord de brede ministeria der kerkprovinciën en der visitatorenprovinciaal, tenzij de betrokken gemeente verklaart voor het eerstvolgende vijf-jarig tijdvak niet in aanmerking te willen komen. De vergadering van de kerkeraad, waarin deze het besluit behandelt, wordt gehouden buiten tegenwoordigheid van de predikant, onder leiding van een gedelegeerde van de P.K.V.
Predikanten uit III. II. I. kunnen zich ook in het register doen opnemen".
Het staat er! In niet minder dan het volledige breed moderamen van de P.K. èn de Visitatoren-Provinciaal wordt de zaak van de dominees, die geen beroep krijgen, behandeld, niet in de kerkeraden. En de raad, hen gehoord hebbende, „verzet". Als ik het goed begrijp, krijgt men dus per lustrum een algemene verhuizing. De kerkeraden mogen, zonder aanwezigheid van de dominee, vragen om hem voor vijf jaren te houden. Niet de dominee, maar de gedelegeerde zit de kerkeraadsvergadering voor.
Hoewel het artikel bedoeld is voor V. en IV., kunnen de predikanten van III. II. I. ook meedoen. De hele winst is, dat de predikant, die nu één of twee standplaatsen heeft, er drie kan krijgen.
Voorstel IV is het volgende:
„Er komt een bijzonder register voor de mindervalide predikantsplaatsen, d.w.z. die welker geografische of pastorale situatie om snellere aflossing vraagt. Hierheen kunnen ook de predikanten van het gewone register gedirigeerd worden". De verschuiving is dus niet naar een hogere klasse, ze is een horizontale, maar ze kan een predikant ook voor vijf jaar naar een minder aanlokkelijke plaats zenden, met als troost erbij, dat hij dan na vijf jaren weer naar een gewone gemeente kan verplaatst worden. Het hele geval wordt niet in ord. 3 (verkiezing van ambtsdragers) geplaatst, maar in ord. 13 (voor het pastoraat) geplaatst. De betreffende gemieenten houden dus op predikanten te verkiezen, kunnen alleen nog ouderlingen en diakenen verkiezen.
De commissie zegt: „De gemeenten en de predikanten geven daarmede een stukje van hun vrijheid prijs. Maar zij bereiken daarmede voor zichzelf en voor de kerk andere en grotere voordelen, dan die men ogenschijnlijk prijs geeft". Ik zou dit om willen keren en zeggen: „De gemeenten en de predikanten geven een belangrijk stuk van hun vrijheid prijs en zij bereiken daarmede ogenschijnlijk kleinere voordelen, dan die men zekerlijk prijs geeft". De gemeenten verliezen bij dit episcopale systeem rechten en de predikanten verliezen ze ook. De predikant kan bij toewijzing niet bedanken. Hij kan ook niet solliciteren. Zijn belangen liggen niet meer bij een kleine en vertrouwde kring van kerkeraadsleden, maar bij een grote en heterogeen samengestelde raad. Ook al zal zijn modaliteitsman in de raad adviseren, de heterogene raad beslist. En hij heeft te gaan. De raad beslist, gehoord het breed moderamen van de P.K.V. en de prov. visitatie. En de gemeente kan niet, als bij een beroep, wensen te kennen geven aan haar dominee om te blijven. Hij heeft te gaan. Ligging van de gemeente geschikt of ongeschikt, ook al is het binnen eigen modaliteit, woning geschikt of niet, hij moet gaan. Valt de ruiling tegen, dan mag men zich vijf jaren troosten met de volgende mutatie. Twee jaar werd vier, en nu vier jaar wordt vijf.
Terecht is in de Synode de vrijheid der gemeenten ter sprake gebracht. De commissie zegt daarop: „Wat de autonomie der gemeenten betreft, moet er op gewezen worden, dat deze in genendele wordt aangetast. Het voorstel bevat immers de bepaling, dat een gemeente, die er prijs op stelt, dat haar predikant blijft, zich buiten de mutatie kan houden". Dit is gewoon een leugen, dat de autonomie der gemeenten niet wordt aangetast. Ik tekende hiernaast aan: „Voor de gemeenten de beste methode om zijn predikant kwijt te raken, om zich niet op een lijst te laten plaatsen". Men krijgt zo twee lijsten, een officiële van mindervalide gemeenten en een officieuze van valide gemeenten, twee lijsten van predikanten, een officiële van minder gangbare predikanten en een officieuze van gangbare predikanten. En prof. Van Itterzon zegt: „twee lijsten in de krant, van beroepingen met bedanken of aannemen en één van verplaatsingen zonder bedanken, waarbij de gemeenten tentoongesteld zijn als de minder volwaardigen." En de leden van de Raad zijn op geen manier persoonlijk betrokken bij het al of niet slagen van zo'n dominee in de gemeente. En het geestelijk peilen van predikant en gemeente bij een beroeping valt weg, en het gebed bij de beroeping valt weg en de verklaring: wettig van Gods gemeente en mitsdien van God Zelve geroepen, valt weg. En de dominees worden verplaatst als belastingambtenaren, zonder sollicitatie en de gemeente wordt van gemeente een post, die bezet wordt. En bij het hele rapport is al weggevallen elke notie van het bijbels argument. Dit stuk kan zo bij elke maatschappelijke instelling worden overgenomen. Ook al dekt de commissie haar rapport met de zin: „De gemeente is mondig, maar dit betekent zich vrijwillig schikken in een zinvol verband." " Daar komen meerdere verbanden, een gebonden en een vrij. En wie maakt de zin van dit verband uit?
En het presbyteriale karakter van de kerk valt voor een belangrijk deel weg. Voorheen werden gedwongen heen te gaan, die de leer der kerk begeerden vast te houden. Laten nu degenen, die het karakter der kerk grondig willen wijzigen, dan heen gaan. Niemand belet hen een episcopale kerk op te richten, eventueel een Lutherse kerk met superintendenten. Maar laat men niet hen, die gewoon en voluit Hervormd willen zijn, overlast aandoen met hinderlijke voorstellen.
Eerst nu komt openbaar, dat ten ongerieve van zekere modaliteit, de beroepingstermijn op vier jaar is gebracht. Deze mannen zouden met stapeltjes preken van twee jaar al hun leven de kerk doorwandelen. Als men een voorstel van ons zou verwachten, dan zouden wij het geven; dan zou ons weloverwogen en ook welgemeend advies zijn het volgende:
1. Laat men zich van de grootste tot de kleinste gemeente houden aan de wettelijk in de kerk voorgeschreven leer.
2. Laten wij en anderen, gemeenten en predikanten, in de vreze des Heeren wandelen. (Dat is een welgemeend en probaat middel, voor een twee-jaarlijks of voor een levenslang staan in een gemeente) .
3. Laat men breken met de onbijbelse leeftijdsgrenzen ook bij beroepingen. (Predikanten beneden de 40 jaar!)
4. Laat men de rem der 4 jaren er af werpen.
5. Laat men met de hulp van de grotere gemeenten de salarissen der kleinere gemeenten optrekken.
6. Laat men in de grote bevolkingscentra predikantsplaatsen stichten, gelijk men ook doet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's