DE Dordtse LEERREGELS
Voorts, wanneer God dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert, en de ware bekering in hen werkt, zo is het, dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtiglijk door de Heilige Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn; maar Hij dringt ook in tot de binnenste delen des mensen met de krachtige werking deszelfden wederbarenden Geestes'; Hij opent het hart, dat gesloten is. Hij vermurwt, dat hard is. Hij besnijdt, dat onbesneden is. In de wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt die wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.
HOOFDSTUK III/IV Artikel 11
We hebben enige aandacht gegeven aan de betekenis van de verlichting van het verstand en de overbuiging van het hart door de Heilige Geest, Die de wedergeboorte werkt. Maar het geheel van de werkingen des Geestes vraagt een uitgebreider beschouwing. De werking des Geestes heeft niet alleen betrekking op het geloof en de rechtvaardigmaking uit het geloof. Weliswaar is er een neiging in onze dagen om — zo men nog nadruk legt op het werk des Geestes — dit te beperken tot het geloof. De mens blijft in alle opzichten dezelfde verharde, vijandige zondaar en als zodanig gelooft hij in Christus Jezus. Er is geen sprake van een nieuw schepsel behalve in Christus. Alles is in Christus: de wedergeboorte, het berouw, de bekering. Dit is een zeer gevaarlijk en onbijbels nieuw-antinomianisme. Men kent de leuze: er hoeft niets meer te gebeuren, alles is gebeurd op Golgotha. Waarom bestrijden velen zo de genade Gods in de mens? Naar zij zeggen, omdat zij vrezen, dat daardoor de vrome mens verheven wordt.
Afgezien nu van het gevaar, dat elk mens bedreigt om zich ergens mee te verheffen is dit gevaar in de waarachtige reformatorische leer toch wel geringer dan elders. Ik zie dan ook meer zelfverheffing bij deze neo-antinomianen dan bij de reformatorische belijdenis. Waarom? Omdat de eerste alvast geen weet hebben van de diepten van hun val en van de grote, grote schuld, die de Heilige Geest aan de uitverkorenen leert. Zij menen, dat het werk des Geestes, zoals de gereformeerde prediking dat bedoelt, de mensen al maar vromer maakt in eigen oog. Het is echter juist andersom. De Catechismus predikt en de rechte gereformeerde predikers volgen hem daarin na, dat er eerst een kennis van onze val moet wezen, wil Christus zich ooit aan zondaren openbaren. En in de bevinding leren Gods kinderen het zo, dat zij — door de krachtige werking van de Heilige Geest — al maar goddelozer, schuldiger, verlorener en machtelozer worden, zover hun oog reikt. De Geest Gods maakt eerst goddeloze mensen. Aan deze goddelozen openbaart Hij Christus. Maar dit laatste is een verkorte spreekwijze. In waarheid maakt de Geest hen niet goddeloos, doch laat Hij hen zien, dat zij het zijn. Bovendien werkt Hij zo, dat zij daar smart over gevoelen. Die smart zien zij echter niet als vroomheid, zij zien alleen hun goddeloosheid. Deze werking van de Geest Gods gaat door tot de laatste minuut van het leven van Gods kinderen toe. Daardoor blijven zij heel hun leven goddelozen in eigen oog.
Dit is echter niet alles. Men kan niet ontkennen, dat een wedergeborene een twee-mens is. Daar is in hem niet alleen onwilligheid en lust in het kwaad. Er is ook een klein beginsel van gehoorzaamheid. Hij is niet alleen een hater Gods, doch ook is de liefde van God uitgestort in zijn hart (Rom. 5:5) en dat wekt wederliefde (1 Joh. 4 : 19).
De Heilige Geest, die de zondaar wederbaart, werkt dus een werkelijke verandering in het hart van de uitverkorene. Daar is een nieuw begin. Daardoor wordt niet de grondslag onzer zaligheid verbreed. Neen, die blijft liggen in het volbrachte werk van Christus. Vandaar dat vóór alle dingen nodig is, dat elk zondaar van alle mening van eigengerechtigheid wordt ontdaan. Hij moet de zondaar bij uitstek worden (Lucas 18 : 13 de zondaar). Hij moet de voornaamste der zondaren worden (1 Tim. 1: 15) en blijven. Nooit kan onze bekering of onze heiligheid een deel van onze gerechtigheid bij God zijn. Het blijft bij de uitspraak van Calvijn: „Indien dit waarachtig is (dat wij zonder de gerechtigheid van Christus geen vergeving verkrijgen) zo kunnen voorwaar geen van onze werken uit zichzelf ons bij God aangenaam maken. Ja zij kunnen zelfs niet behagen, dan alleen voor zoveel de mens, door de gerechtigheid van Christus bedekt zijnde, God behaagt en de vergeving van zijn zonden verkrijgt".
Maar al blijven wij de zaligheid buiten ons zelf in Christus zoeken, dat neemt niet weg, dat Gods kinderen naar al Gods geboden beginnen te leven (zondag 44). Hier is echter nog iets te bedenken. Worden de gelovigen gelijk Adam in het paradijs, dat zij in zichzelf een volkomen nieuw leven hebben? Het is er ver van af. Zij zijn en blijven, wat de oude mens betreft, volkomen verloren. Het is niet te beschrijven hoe slecht, hoe verdorven en arm de wedergeborene nog is. Hij is niets en wordt op aarde nooit iets. De mens is ook na ontvangene genade goddeloos en hij blijft dat, zegt Kohlbrügge. Doch hij verklaart ook, dat in ons een nieuwe natuur wordt geschapen en de mens geheel herschapen.
Zo spreekt ook artikel 11 van een verandering in het menselijk wezen. De wedergeborene is anders dan te voren. Hij is nu een goede boom, wat zijn nieuwe mens betreft. Maar het zijn niet de prestaties van de uitverkorene, die hem daar brengen. Men kan moeilijk beweren, dat in artikel 11 zoveel aandacht is voor de wedergeboren veranderde mens. Daar is veel meer aandacht voor de wederbarende God. En dat blijft zo in het leven van de gereformeerde christen. Want het is niet zo, dat de Heilige Geest ene keer in het leven het hart opent, doch deze opening moet gedurig opnieuw plaats hebben. Zo ligt het tenminste in de bevinding.
Daar is zon opmerkelijk verschil tussen bevindelijke en niet-bevindelijke belijders, om het verschil nu maar eens in deze woorden te vatten. De laatsten kunnen zo beschikken over de dingen. Zij hebben de beloften en zij mogen toch geloven. Dat lukt hen dan ook altijd naar het schijnt. Maar de eersten worden elke dag hun gesloten, boze hart gewaar en hebben daarom telkens weer nodig, dat hun hart ontsloten wordt. Men wordt altijd opnieuw bij zichzelf weggehaald en er toe gebracht naar God uit te zien.
Maar dan is er toch iets meer dan alleen het geloof in de gelovige. De Heilige Geest laat niet alles zoals het is. Er komt berouw, waar eerst alleen hardheid was. Er komt een diepe verslagenheid, waar eerst alleen een fel verzet tegen God was. De Geest Gods komt in het hart van de gelovige wonen en hij richt het huis zo in, dat hij er wonen kan. Daarom kan artikel 24 van de N.G.B. belijden: „Wij geloven, dat dit waarachtig geloof, in de mens gewrocht zijnde door het gehoor des Woords en de werking des Heiligen Geestes, hem wederbaart en maakt tot een nieuwe mens, en doet hem leven in een nieuw leven en maakt hem vrij van de slavernij der zonde".
Ik zei al: de wedergeborene is een twee-mens. Daarom spreekt de Catechismus van de oude mens en de nieuwe mens. En artikel 35 N.G.B, zegt van de wedergeborenen dat zij „in zich hebben tweeërlei leven: het ene lichamelijk en tijdelijk, hetwelk zij van hun eerste geboorte meegebracht hebben en alle mensen gemeen is; het andere is geestelijk en hemels, hetwelk hun gegeven wordt in de tweede geboorte" ...
Wat zijn er dan voor nieuwe dingen? Wat betekent het, dat het hart wordt geopend? Toch wel dit, dat de mens nu luisteren wil naar de Heere. God mag met Zijn Woord binnenkomen. De mens neemt Hem aan. Zo wordt ook het harde hart vermurwd. De mens gaat beven voor Gods dreigingen. Maar de boze begeerten worden ook losgelaten, zodat zij niet meer regeren. Er komt een begeerte naar Christus, doch ook een gewilligheid om 's Heeren wil te doen. Alles verandert. Maar al die veranderingen leggen geen grond voor de zaligheid, want het vlees blijft een macht, die elke dag dapper bestreden moet worden.
Soms wordt er betoogd, dat bij het woord genade, alleen aan de gunst Gods gedacht mag worden. De roomse leer, zegt men, kent een „ingestorte genade". Maar wij kennen alleen het geloof in de vergeving. Meer werkt de Heilige Geest niet. Dat strijdt nog al stevig met de vruchten des Geestes, waarvan Paulus in Gal. 5: 22 spreekt. Daar hebben inderdaad grote veranderingen in de uitverkorene plaats. De Schotse Confessie belijdt, dat als Christus door het geloof aangenomen wordt, de Heilige Geest terstond die mens wederbaart en vernieuwt, zo, dat hij begint te haten hetgeen hij tevoren heeft liefgehad, en lief te hebben, hetgeen hij tevoren gehaat heeft.
Ja maar Rome dan met zijn „gratia infusa" of ingestorte genade? Bavinck schrijft: „Deze leer is op zichzelf niet onjuist; alleen is verkeerd, dat zij de ingestorte gerechtigheid tot de grond der vergeving maakt, en de religie dus bouwt op de grondslag der redelijkheid".
Zoals Bavinck vrijuit spreekt van instorting doet artikel 11 dit ook. Er worden nieuwe hoedanigheden ingestort, lezen we. Sommigen vinden het erg als dit gezegd wordt. Maar zelfs Barth kan deze uitspraak niet helemaal afkeuren. Hij vindt het erg bedenkelijk om zo te spreken. Als de mens enige kwaliteit in zichzelf krijgt, zo vreest hij, is de genade niet zo vrij meer. Wij kunnen God geen liefde aanbieden. Nu, daar hoeft Barth zich niet zo ongerust over te maken. Onze Hef de blijft altijd zo onvolmaakt, dat zij nimmer tot grond onzer zaligheid kan worden. Maar zij is er. Wij hebben God Hef (1 Joh. 4: 19). Barth geeft dan ook toe: wat met de uitdrukking „hoedanigheid" bedoeld is, is wel juist. Men moet ook niet vergeten, dat er wel een grote verandering in ons moet plaats hebben. De zonde is schuld en een totaal bederf van de menselijke natuur. De mens is van nature dood in zonden en misdaden. In zekere zin is zijn onmacht een onmacht van zijn natuur.
Laat de genade ons nu, zoals we zijn? Is er alleen maar vergeving en is er alleen maar de gunst Gods en verder blijft de mens dood in zonden en misdaden? Betekent levendmaking alleen, dat de zondaar nu in Christus gelooft en blijft verder zijn verstand even verduisterd, zijn wil even verkeerd en zijn gevoel voor God even hard en afkerig? Neen, de genade neemt de onmacht, die ontstond in de val, weg en herstelt in beginsel de oorspronkelijke bekwaamheid ten goede. Nochtans blijft dat hele herstel en de vruchten, die daaruit voortkomen een werk Gods. Daarom behoeft men niet bang te zijn, dat de ware gereformeerde belijders, die niet bang zijn voor de belijdenis van een vernieuwend werk des Geestes, de mens in het middelpunt zullen plaatsen. Hoe meer Gods Geest werkt, hoe heiliger de gelovige wordt hoe meer hij Christus nodig krijgt. Hij leeft in zulk een steile afhankelijkheid en de heiligmaking in hem blijft zo'n klein begin, dat hij steeds weer terecht komt bij de ongenoegzaamheid van het zijne en bewaart blijft voor zelfgenoegzaamheid.
De Geest Gods laat de verdorven mens niet zoals hij is. Het werk van de Vader, Die gezegd wordt te trekken en te leren werkt wat uit. Als de Leerregels belangstelling hebben voor de wedergeboren mens, dan is het niet om zijn daden of vroomheid, doch dan is het de belangstelling voor Gods daden en Gods onoverwinnelijke kracht, die doden levend maakt en vijanden tot vrienden. Ieder prediker mocht daar veel belangstelling voor hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's