DE HEERE GEZIEN
Heb ik niet Jezus Christus, onze Heere, gezien? (1 Cor. 9 vers 1.)
Het is ongetwijfeld geen overbodige zaak, wanneer wij thans enige verklarende aantekeningen wijden aan het verhaal van Saulus' bekering, gelijk dat uit een onderlinge vergelijking van de drie berichten hierover in de Handelingen der Apostelen tot ons gekomen is. Dit feit is immers van zo grote betekenis geweest voor de verdere gang van het leven van deze grote uit het koninkrijk Gods, dat wij aan het gewicht daarvan tekort zouden doen, indien wij geen pogingen zouden aanwenden om het zo goed mogelijk te verstaan.
Wij mogen wel beginnen met er op te wijzen, dat hetgeen nabij Damascus plaats vond voor Saulus persoonlijk een gebeurtenis was, waarop hij allerminst gerekend had. Van ernstige zielsconflicten met betrekking tot zijn houding tegenover Christus Jezus en Zijn gemeente vinden wij geen spoor. Nergens lezen wij, dat hij er aan getwijfeld heeft, of hij zich met al zijn ijver voor de inzettingen der vaderen wel op de rechte weg bevond. Eerder schijnt het tegenovergestelde het geval te zijn geweest: in de drie verslagen van zijn bekering, die Lukas ons nagelaten heeft, is het verband van dien aard, dat wij daaruit zeker de conclusie trekken mogen, dat Saulus als een overtuigd vervolger der gemeente naar Damascus gereisd is. Door vragen van onzekerheid aangaande zijn optreden tegen de naam van Jezus, de Nazoreeër, werd hij geen ogenblik gekweld.
Wij horen daar tenminste niets van. En wij onderstrepen dit, omdat menigmaal geprobeerd is de bekering van Saulus van Tarsen te doen verlopen als die van Maarten Luther, de reformator der kerk. Men zegt dan, dat hij na de dood van Stephanus geen innerlijke rust meer gekend heeft, doch voortdurend in tweestrijd geleefd heeft, daar hij niet langer zeker was van zichzelf en van zijn overtuiging. Van zulk een gespletenheid van zijn zieleleven wordt echter met niet één woord gerept. Ten aanzien van dit punt zullen wij er vooral ook op te letten hebben, dat het licht Saulus en zijn metgezellen juist „snellijk" omscheen, dat is: plotseling, onvoorzien», als een ingrijpen van Boven, dat volkomen onverwachts geschiedde.
Uit alles blijkt wel, dat dit licht met Christus Jezus te maken heeft. Dat is het volgende, dat wij opmerken wilden. Wij vernemen, dat het uit de hemel kwam. Daar wordt dus de richting mee aangeduid, van waaruit het nederdaalde; terwijl er eveneens mee aangegeven wordt, waar de oorsprong ervan lag. De hemel is in het Nieuwe Testament bijna overal de woonplaats van God. 1) Daarom is het hier ook een zeer geladen begrip: uit de woonplaats des Heeren kwam dit licht neder.
Verder wordt ons gezegd, dat het een gróót licht was. In het midden van de dag heeft Saulus het gezien. De. zon was toen dus op haar sterkst. Niettemin overtrof de glans ervan die van de zon. Wanneer elders gesproken wordt van de heerlijkheid van het licht, ziet dat ook op de glans en de hevige schittering, waarmede het zich openbaarde. 2)
Het komt ons voor, dat wij de uitspraken over het licht te verbinden hebben met wat Ananias volgens Hand. 9 vers 17 tot Saulus gezegd heeft, en met wat Saulus zelf naar luid van Hand. 9 vers 27 de apostelen te Jeruzalem verhaald heeft na zijn bekering. Ananias zei o.a., dat de Heere Jezus aan Saulus verschenen was; en Saulus zelf vertelde te Jeruzalem o.m., dat hij op de weg de Heere gezien had. Dit in acht nemende, hebben wij daarom het licht, dat hem opeens omscheen, op te vatten als de bovennatuurlijke luister, als de Goddelijke heerlijkheid, die eigen is aan Hem, die na Zijn hemelvaart gezeten is aan de rechterhand des Vaders. Onwillekeurig denken wij nu aan een andere verschijning van de verheerlijkte Christus, die ons in de Schrift is overgeleverd. Wij bedoelen die, welke de apostel Johannes ten deel viel, toen hij op het eiland Patmos op de dag des Heeren in vervoering des geestes gebracht werd. Als hij in het eerste hoofdstuk van het boek der Openbaringen ons daarvan een beschrijving geeft, deelt hij ons mede, dat het aangezicht, d.w.z. de aanblik van de levende Christus geleek op de zon, wanneer zij schijnt in haar kracht. 3)
Voor die heerlijkheid van de verheerlijkte Christus kon Saulus niet staande blijven. Hij viel ter aarde, samen met diegenen, die bij hem waren. Die heerlijkheid was hem te sterk. Zij overmande hem en zij velde hem neer, zoals de bliksem een boom neerwerpen kan. Wederom dringt zich de overeenkomst met Openbaringen 1 aan ons op. Ook Johannes viel ter aarde, toen hij in de geest de Zoon des Mensen in al Zijn heerlijkheid aanschouwd had. Als een dode viel hij toen voor de voeten van Christus neder, overweldigd door deze hemelse verschijning, en bevangen door schrik en vrees. Zijn krachten ontvloden hem. Beiden konden het dus niet uithouden tegenover Christus, toen Hij zich in Zijn majesteit aan hen vertoonde: de discipel, die eenmaal aangelegen had in de schoot van Jezus evenmin als de farizeese ijveraar, die de gemeente Gods trachtte uit te roeien, in de mening, dat hij dat aan de religie van zijn volk verplicht was. Wij mogen ook nog herinneren aan Jesaja 6 vers 5, waar de profeet uitroept, als hij de Heere op Zijn troon gezien heeft: „Wee mij; want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon temidden van een volk, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen, gezien." En aan Ezechiël 1 vers 28, waar de balling van de Chebar, na de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des Heeren aanschouwd te hebben, van zichzelf neerschrijft: „En als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht." En tenslotte aan Daniël 10 vers 9, waar vermeld wordt, dat hij, die knopen ontbinden kon, geen kracht meer over had, nadat hij in een gezicht een geduchte Man gezien had. Alle kleur week van zijn gelaat. Bezwijmd viel hij op zijn aangezicht te aarde. Totaal gebroken. In wezen gaat het hier overal om dezelfde ervaring.
Toen Saulus, als door het licht van de heerlijkheid van Christus getroffen, ter aarde stortte, hoorde hij een stem. Dat het de stem van Christus was, wist hij toen nog niet. Vervolgens begon de Heere een gesprek met hem. Nadrukkelijk wordt er op gewezen, dat de Heere Jezus zich in het Aramees tot hem gericht heeft. Dat was de taal, die Hij tijdens Zijn omwandeling op aarde gebruikt had, en die Saulus reeds in het ouderlijk huis te Tarsus van zijn strenggodsdienstige vader en moeder geleerd had.
Als hij zich in een van zijn brieven een Hebreeër uit de Hebreeën noemt, heeft hij dit vroege onderwijs in de aramese taal op het oog.4)
Tweemaal achter elkaar riep de Heere hem bij de naam, die hij bij zijn besnijdenis ontvangen had. Het herhalen van de naam komt in de Schrift meer voor bij bepaalde roepingen. 5) Het klinkt bijzonder indringend. De Heere legt er beslag mee op de gehele persoon. Ontkomen is niet meer mogelijk. De ernst van de situatie wordt er door bevestigd.
Al terstond bracht de Heere Saulus tot bezinning inzake zijn activiteit voor de Joodse Godsdienst. Hij ving aan met van hem rekenschap te eisen van de motieven, die hem tot zijn vervolgingsijver bewogen hadden. Opmerkelijk is daarbij, dat de Heere zich vereenzelvigt met degenen, die in Hem geloofden. Als Saulus de gemeente vervolgt, vervolgt hij Christus zélf. De vraag, die de stem aan de ter aarde geworpen ijveraar stelde, klemde te meer, omdat alle accent gelegd werd op het woordje: Mij. Deze hemelse gestalte werd door Saulus vervolgd. En zoveel was hem inmiddels wel duidelijk geworden, dat hij terdege besefte met de hemel van doen te hebben. Hoe benauwend.
Hem werd voorts nog te verstaan gegeven, dat het hard is de verzenen tegen de prikkels te slaan. Ter verklaring van deze beeldspraak heeft men meermalen een paar regels van oude Griekse dichters, van Euripides en van Pindarus, aangehaald. In een van de tragedies van Euripides kan men lezen: „Ik wilde hem liever offerande doen, dan dat ik, ellendige sterveling, in gramschap tegen God vervoerd, tegen de prikkels zou slaan." En in een van de oden van Pindarus staat: „Men moet tegen God niet strijden, maar het juk, dat Hij op de hals legt, zachtmoedig dragen, en tegen de prikkels niet slaan." Bij deze dichters wordt dus het verzet tegen de Godheid bedoeld, als zij het hebben over het slaan tegen de prikkels.6) Het beeld is ontleend aan het leven van de boer. Ploegers waren gewoon de beesten aan te zetten door een lange stok. Aan de ene kant daarvan zat een stift of prikkel; aan de andere een kleine schoffel, waarmede de aarde van de ploegschaar verwijderd kon worden. Als de dieren met hun poten tegen de prikkels sloegen, dan deed dat pijn. Het bracht een verwonding te weeg. Zo was het nu ook met Saulus. Zijn verzet tegen God trof hem hard. Het verwondde hem. Het pijnigde hem.
Het eerste, dat Saulus daarna zeggen kon, was een vraag. Hij uitte zijn onwetendheid en zijn onkunde. Hij kende Jezus niet. Steliig begreep hij tegenover een Goddelijk wezen te staan. Dat kunnen wij opmaken uit het gebruik van het woord „Heere". Maar wie die Heere was, die hem bij de na^m genoemd, en die hem ter verantwoording geroepen had, was hem onbekend. Daaromtrent tastte hij in het duister.
De Heere het hem niet lang in het onzekere. Hij maakte zichzelf bekend. En terwijl Hij zich aan Saulus openbaarde, liet Hij hem meteen voelen, hoe grote smaadheid hij Hem aandeed door Zijn gemeente te vervolgen. Tegelijkertijd was het een felle aanklacht tegen Saulus en zijn geestelijke levenshouding. Dat deze woorden diepe indruk op hem gemaakt hebben, behoeft geen verklaring. Saulus zal gebeefd en gesidderd hebben onder deze beschuldiging.
Zijn ganse radeloosheid en vertwijfeling bracht hij onder woorden, toen hij zeide: „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? " Daar drukte hij mee uit, hoe het innerlijk met hem geworden was. Hij was een hulpeloze. Hij wist het zelf niet meer, wat hij doen moest. Hij was ten einde raad. Zijn wil was gebroken. Hij gaf zich over. Hij leverde zich uit aan die Jezus, die hij bestreden had. Hij onderwierp zich aan Hem, die hem had overmocht !
1) „Hemel" kan, behalve voor de bijzondere woonplaats Gods, ook aanduiding zijn voor: het firmament, de sterrenhemel.
2) Hand. 22 : 11.
3) Openb. 1 : 16.
4) Phil. 3 : 5.
5) B.V.: Ex. 3 : 4 (Mozes); 1 Sam. 3 : 10 (Samuel).
6) Euripides (± 450 voor Chr.), „Bacchanten", 794, V. De „Bacchanten" is een tragedie, die de geschiedenis van Pentheus, koning van Thebe, behandelt. Deze verzette zich tegen de verbreiding van de dienst van Dionysos en werd daarvoor wreed gestraft. Pindarus (± 480 voor Chr.), „Pythische Oden", 2.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's