UIT DE PERS
Waar de classicale vergaderingen zich in het voorjaar zullen gaan bezinnen op het Mutatierapport, spreekt het vanzelf dat in „Woord en Dienst" bijzondere aandacht geschonken wordt aan dit vraagstuk. In het nummer van 7 januari vinden we een tweede beschouwing over dit rapport, ditmaal van de hand van dr. P. G. Verweys, onder het opschrift: „Beroepen of verzetten"? Na eerst gewezen te hebben op de plicht van een ieder in de kerk om zich ernstig met dit probleem bezig te houden, en na z'n waardering te hebben uitgesproken over het vele werk dat geleverd is in het mutatierapport, kan hij toch niet nalaten om, zij het met een zeker gevoel van onbehagen, ook enige kritiek te laten horen. Het rapport stelt, dat de dienst aan het Woord primair is, terwijl dan de plaats waar dat geschiedt secundair is. Toch toont de praktijk wat anders, zo schrijft dr. V., en ook deze stelling is niet zo juist als zij lijkt, want:
Secundair betekent nog niet hetzelfde als per slot van rekening van weinig betekenis. Was dat het geval, dan zou het hele probleem feitelijk niet bestaan. De plaats waar, heeft terdege betekenis en dat alleen vanuit de werkelijkheid van het bestaan? of moet hier ook dieper en essentiëler geoordeeld worden?
Zijn we dan eigenlijk allemaal, zo vraag ik me af, predikanten in algemene dienst? Men zou het in zekere zin kunnen zeggen. Gezien nl. van uit de roeping, die we ontvingen en navolgen, toen we onze belofte deden, kan men het zo zeggen, maar die roeping concretiseert zich toch ergens en is die concretisering maar van geringe importantie? Juist daar in die roeping, die concreet van een gemeente kwam, hebben we de roeping van de Heer der Kerk gehoord en met ja beantwoord. Zo werden wij maar niet in de algemene kerk, maar in de concrete gemeente beroepen en ook bevestigd in het ambt. Daar zijn ons de handen opgelegd voor het ambt, dat wij begeerden. Het heeft de kerk als presbyteriale kerk tot nu toe hoog gelegen om zo van het ambt en de ambtsbediening te spreken. Daarom laat zich dat ook niet voor ons besef zo maar ineens bagatelliseren.
De Kerk heeft tot nu toe altijd nadruk gelegd op de nauwe betrekking van gemeente en predikant, maar nu wordt deze lijn plotseling een heel andere kant op gebogen; een betrekkelijk kleine commissie gaat nu over het lot van vele predikanten en gemeenten beslissen. Tenslotte wijst de schrijver op het bedenkelijke streven ook weer door dit rapport om de grondstructuur van de kerk ingrijpend te wijzigen:
Tenslotte; de hiërarchische lijn, die het presbyteriale gaat doorkruisen en straks doorbreken? Gaan we niet al verder in de richting van een alles omvattend regelen van boven af. Was het niet op het grondvlak, dat van de gemeente zelf, dat het nieuwe leven gewekt moest worden en ook naar oplossing gezocht zou moeten worden?
Het wil met het zwijgen rondom de zaak van prof. dr. P. Smits ook nog niet zo erg best vlotten. Terecht heeft dr. Buskes opgemerkt, dat prof. Smits daar zelf toch wel allereerst de oorzaak van is. Ook in het Herv. Weekblad „De Gereformeerde Kerk" van 12 januari komt de kwestie, zelfs in twee geheel verschillende artikelen, ter sprake.
Om te beginnen maakt prof. Van Itterzon enkele kerkrechtelijke kanttekeningen bij het communiqué dat het br. moderamen van de gen. synode onlangs blijkbaar aan de pers verstrekt heeft. De schrijver herinnert er aan dat hij vroeger reeds schreef, dat hij de synode tot handelend optreden bevoegd achtte in deze zaak overeenkomstig Ord. 13.29.5. Tot nu toe heeft de synode deze weg echter niet bewandeld, zodat prof. S. van het kastje naar de muur — en terug — gestuurd wordt. Nog steeds schijnt men in de kerk niet te weten, wat de rechtsvorm is, waarbinnen de zaak wordt behandeld. Tot nu toe heeft men alleen maar wat geïmproviseerd, omdat men Ord. 11 niet kon, en Ord. 13 niet wilde gebruiken:
Daarom dit: Als men Ord. 11 en Ord. 13 als twee atomen van elkaar gescheiden houdt, omdat men de kerkorde niet als het rechtsbestel van een levende kerk ziet, maar als een verzameling van ordinanties, die elk souverein zijn in eigen kring, kan men stellen, dat Ord. 11 het alleenrecht heeft, als er iets van opzicht aan te pas komt en dat dus Ord. 13 nooit kan worden gebruikt, als er van tucht sprake is, hoe gering dit ook moge zijn. Doch bedenkt men dan, welke consequenties dit meebrengt? Dan kan het breed moderamen der Generale Synode emeritaatsbevoegdheden ontnemen, als het voortduren daarvan niet strookt met de waardigheid of de belangen der kerk. Maar, als elk spoor van opzicht aan Ord. 13 moet worden ontzegd, dan kan een hoogleraar met emeritaatsbevoegdheden een erkende dronkaard of overspeler zijn. Dan kunnen aan deze dronkeman of echtbreker zijn bevoegdheden volgens Ord. 13 niet worden ontnomen. Een gewoon gemeentelid kan dan menen, dat dronkenschap en echtbreuk niet stroken met de waardigheid of de belangen der kerk, maar de kerk vindt dan deze openbare zonden geen redenen, waarom het breed moderamen der synode aan de delinquent zijn bevoegdheden zou ontnemen. Dat zou dan alleen kunnen geschieden met hantering van Ord. 11, maar niet met die van Ord. 13. Ik kan niet verbergen, dat ik deze hantering der kerkorde zo formalistisch vind, dat ik onwillekeurig aan de afgeschafte reglementen terugdenk. Kunnen wij nu werkelijk over het bezwaar niet heenkomen, dat Ord. 13, 29, 5 zo ruim is gesteld en dat wij het dus als kerkorde (niet als reglement) kunnen toepassen? Men verwaarloze deze waarschuwing niet. Wij hebben nu gezien in welk een rechtsonzekerheid prof. Smits (en hem de kerk) verkeert, nu niemand weet, hoe het kerkrecht in de zaak-prof. Smits nu functioneert. Het is angstig, dat wij in 1961, uitgerekend in 1961, op zulk een vitaal punt geen zekerheid hebben.
In hetzelfde nummer schrijft ds. H. G. Groenewoud enkele kanttekeningen bij een mededeling in „Woord en Dienst" over de oprichting van een Centrum voor kerkelijk sociologisch en pastoraal psychologisch onderzoek. Prof. Smits is één van de oprichters ervan. De schrijver in W. en D. vraagt zich min of meer teleurgesteld en verongelijkt af, of men hier toch niet het Sociologisch Instituut van de Herv. Kerk negeert en opzij schuift; moet in Nederland nu werkelijk alles dubbel gebeuren, zo vraagt W. en D. al zuchtend. Op deze vraag geeft ds. G. een kort en bondig antwoord: Met de oprichting van dit Centrum wil men vooral de eigen vrijzinnige groepen van dienst zijn. Hij verbindt daar dan echter meteen een andere vraag aan:
Maar dan wordt de vraag van dr. Scheers ook te meer klemmend. Gaat prof. Smits met dit Centrum niet een weg op, die het voor de Herv. Kerk nog moeilijker moet maken, van zijn arbeid als hoogleraar gebruik te maken bij de opleiding van haar dienaren des Woords?
Nu we het toch over Kanttekeningen hebben, we lazen in „De Saambinder" van 12 januari een vervolgartikel van ds. Hegeman over „De bestrijding van de kinderdoop". Hierin wordt een poging gedaan om de aanbieding van verbond en belofte bij de doop zuiver te stellen. Wat ons betreft is deze poging geheel mislukt. Om ons de leer der Reformatie duidelijk te maken, worden dan enkele aanhalingen gedaan uit de Kanttekeningen van de Statenvertaling. Hoort u maar hoe de Reformatoren leren, dat de beloften alleen maar aan de uitverkorenen toekomen, en dat hun alleen de zaligheid toegezegd wordt. Bij de tekst Gen. 17 : 7 schrijven de kanttekenaren in noot 12:
„Eeuwig voor alle gelovigen in Christus, ten aanzien van het lichamelijke, mitsgaders de gevolgen daarvan, en in het bijzonder dit sakrament der besnijdenis".
Nu zijn er, om te beginnen, stukken uit deze noot weggelaten, zodat het geheel nu volkomen onbegrijpelijk wordt. Maar de schuld hiervan ligt misschien bij de drukker. Deze noot 12 wordt echter niet geschreven bij deze tekst, maar bij het woordje „eeuwig". Men wilde alleen maar duidelijk maken, dat dit verbond toch eeuwig was, hoewel het opgericht wordt met Abraham en zijn zaad. Dit wordt duidelijk zodra men de hele noot leest. Vervolgens haalt de schrijver, onder krachtige waarschuwing om het Woord van God toch vooral niet uit z'n verband te rukken, nog één zin uit de Kanttekeningen aan, en wel bij Hand. 2 : 39. De belofte komt niet allen toe, want er volgt: zovelen als de Heere er toe roepen zal. Daar schrijven de Kantt. dit dan over : „Namelijk tot de uitverkoren Joden, door de predikatie des Evangelies".
Nu is het vervelende, dat zij bij het woordje „verre" schrijven: „Die nog namaals zullen geboren worden, van geslacht tot geslacht; of den Heidenen". De door de schrijver aangehaalde woorden worden echter geschreven bij het woordje „toe". Ze worden ergens naar toe geroepen, namelijk naar (of tot) de uitverkoren Joden. Ze zullen dus in het (geestelijk) Israël ingelijfd worden. Zo is dan de schrijver bezig om het spoor van onze vaderen te zoeken en te vinden in deze dagen van de allergrootste verwarring!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's