De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

9 minuten leestijd

Handelingen 16:31 En zij zeiden: Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.

22

Enige weken geleden gingen wij uitvoerig in op een vraag van één der lezers van De Waarheidsvriend, naar aanleiding van de geschiedenis van de stokbewaarder. Die vraag raakte de functie van de Wet in het leven des geloofs en der bekering.

Deze lezer stelde nog een andere vraag, nl. over het antwoord, dat Paulus en Silas gegeven hebben aan die gevangenbewaarder: „Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis". De vraag luidt: „hoe konden Paulus en Silas hier zeggen, dat die man zalig zou worden én heel zijn huis? Genade is toch geen erfgoed? "

Ook op deze vraag willen wij §raag nader ingaan. Wij zouden het antwoord op deze vraag kort kunnen afdoen, maar wij willen ook dit keer het breedvoeriger doen, omdat wij dan op enkele belangrijke dingen kunnen ingaan, welke actueel zijn en ons geestelijk en kerkelijk leven ten zeerste raken.

De vraagsteller schrijft: „genade is toch geen erfgoed". Inderdaad dat is ze niet. Tenminste, — en dat bedoelt de vraagsteller hier natuurlijk, — wanneer wij onder genade verstaan de waarachtige bekering en het zaligmakend geloof. Dan is genade stellig een zeer persoonlijke zaak. Niemand kan het doen met het geloof van een ander. Nooit en zeker niet in het gericht Gods zullen wij, wat dit betreft, leentjebuur kunnen spelen. Dit is één van de dingen, welke Jezus Zijn discipelen en ons duidelijk heeft gemaakt b.v. in de gelijkenis van de vijf wijze en vijf dwaze maagden. Wanneer de Bruidegom komt en alle maagden moeten opstaan om Hem tegemoet te gaan en de dwaze tot hun schrik bemerken, dat zij geen voldoende olie meer voor de lampen hebben, pogen zij tevergeefs leentjebuur te spelen bij de andere maagden. Die kunnen dan niet helpen.

Wanneer Paulus en Silas tot de gevangenbewaarder zeggen, dat, als hij gelooft, ook zijn huis zal zalig worden, dan kan dit natuurlijk niet betekenen, dat alleen om het geloof van deze man ook de anderen in zijn huis zullen zalig worden, in die volstrekte zin van het woord. Alleen het geloof van die stokbewaarder zelf is daartoe niet genoegzaam. Ook Paulus en Silas weten het natuurlijk en zij hebben nooit anders gepredikt: zullen die anderen eveneens de zaligheid deelachtig worden, dan zullen zij, evenals die gevangenbewaarder, persoonlijk wederomgeboren moeten worden, en geloven en zich bekeren. Paulus zal hier, als overal, gepredikt hebben, dat, alleen wie geloofd zal hebben, behouden zal worden.

Dit sluit echter niet uit, dat wij hier toch nog iets anders en iets méér mogen opmerken. En dat is, dat wij ook hier weer in aanraking komen met de ruimheid en het „imperialistisch" karakter van de genade Gods. En dan nemen wij genade niet in die beperkte zin van het persoonlijke geloof, doch in de wijdere zin van de wijze, waarop het de Heere behaagt met de aanbieding van Zijn heil tot ons, zondaren, te komen.

Genade is geen erfgoed, zeggen wij. Inderdaad, in die beperkte zin, van het persoonlijk geloof en van de persoonlijke bekering, is dit waar. Doch, wanneer wij genade nemen in die andere zin, valt die zegswijze te bestrijden. Want dan mogen wij nooit uit het oog verliezen, dat het Gode behaagd heeft met de aanbieding van Zijn heil zó tot de mens te komen, dat wij met goed recht kunnen zeggen, dat Zijn genade altijd van betekenis en van kracht wil zijn, niet alleen voor die mens alleen, afzonderlijk, maar tevens voor zijn gezin, tot in verre geslachten.

Wanneer wij Paulus en Silas dan ook tot die stokbewaarder horen zeggen: „geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis" dan horen wij in deze woorden iets van die ruimte. Die man vroeg: „wat moet ik doen om — zelf — zalig te worden? " 't Antwoord, dat hij ontvangt, omvat meer dan zijn vraag, welke leefde in zijn hart, omsloot, 't Antwoord betrekt zijn huis erbij. Zijn huisgenoten, zijn gezin en anderen, die tot zijn huis behoorden, worden erbij betrokken.

En wij nemen dat hier ook in déze zin, dat Paulus deze man lokt tot de daad des geloofs met té meer aandrang, door hem het uitzicht te openen, dat hij door het voorbeeld van zijn geloof de wegbereider zou kunnen worden tot het verlangen naar en het vinden van de zaligheid van anderen in zijn huis.

Wij nemen dat hier vooral in déze zin, omdat wij hierbij weer willen laten gelden, op welk een belangrijk moment in de voortgang van de prediking van het Evangelie in de wereld dit gesprek tussen Paulus en Silas én de stokbewaarder plaats vindt. Daar hebben wij al meer op gewezen. Paulus staat met het Evangelie aan de poort van Europa. Op dit ogenblik moet er een belangrijke beslissing vallen, — er moet een slag geslagen worden van verstrekkende betekenis voor heel die voortgang van het Evangelie. Die stokbewaarder in Filippi staat daar als vertegenwoordiger van het Romeins imperium, ja van het Rijk van de Antichrist. Zal er een bres in de muur geslagen worden, zal de doorbraak komen en het Evangelie zegevierend voortgaan? 't Is te begrijpen, dat juist onder het gewicht van dit belangrijk moment Paulus en Silas deze stokbewaarder plaatsen voor de keuze des geloofs mét de bijzondere belofte: „indien gij gelooft, kan dit zegenrijke gevolgen hebben voor heel uw huis".

Intussen, afgezien van het feit, dat Paulus en Silas onder het gewicht van dit bijzondere moment, dit antwoord aan die gevangenbewaarder zullen gegeven hebben, is het begrijpelijk dat zij dit antwoord gegeven nebben. Het lag in de lijn van de ganse openbaring Gods in de Schrift. Dat de heilbegerige het weten mag, dat de Heere Zijn rijke beloften van genade en zaligheid niet alleen geeft aan hem persoonlijk, doch daarbij in Zijn welbehagen diens huis erbij betrekt. Wat dan natuurlijk niet betekent, dat dat huis nu ook om het geloof van die éne mens in zijn geheel de zaligheid deelachtig zal worden, als zou voor dat huis niet gelden, dat persoonlijk geloof en bekering noodzakelijk zijn om deel te krijgen aan die zaligheid. Maar wél betekent dat, dat tot dat gehele huis de aanbieding der genade komt, met insluiting van de oproep tot persoonlijk geloof en bekering. 

Waaraan raken wij hier eigenlijk anders, dan aan de Schriftuurlijke gedachte van het Verbond Gods? Het lijkt ons zinvol, hier bij de beantwoording van de gestelde vraag, nog nader op in te gaan. Het gaat hier om wat de Schrift ons openbaart aangaande datgene, wat wij zouden willen noemen, de werkwijze Gods tot zaligheid en tot toebrenging van Zijn volk, in deze wereld. Deze werkwijze Gods vindt haar neerslag in wat de Schrift noemt het Verbond Gods. Door heel de Schrift heen ligt ook de gedachte, dat God is de God der verkiezing. In Zijn hart liggen gedachten van ontferming over verloren zondaren. Hij gaf hen aan Zijn Christus en Deze bood Zich aan voor hen. In die Christus heeft Hij hen uitverkoren tot de eeuwige zaligheid, tot eer van Zijn Naam. En zo brengt Hij hen in de tijd toe tot die zaligheid en maakt.Hij hen onderdanen van Zijn Koninkrijk, dat éénmaal in glorie komen zal op de nieuwe aarde, overkoepeld door de nieuwe hemel.

Deze verkiezing tot zaligheid, welke haar keerzijde heeft in de verwerping en die uit het hart Gods, „uit de eeuwigheid", opkomt, verwerkelijkt de Heere in de tijd in de weg van het verbond. Dit neemt gestalte aan in de tijd en zegt ons, op welke wijze de Heere Zijn eeuwige gedachten realiseert.

En zo neemt het verbond in de tijd déze gestalte aan: de Heere stelt zich in een bepaalde verhouding tot de gevallen zondaar, die Hij heeft uitverkoren en legt een bepaalde band met deze. Het gaat hier alles van Hem uit. Hij is ook hier de Eerste en openbaart ook in het aangaan van die band Zijn vrije genade. Maar, en dit is hier het belangrijke in verband met de gestelde vraag, — bij het aangaan van die band is het duidelijk, dat de Heere rekening houdt met de andere verbanden, welke Hijzelf in en vóór dit leven gelegd heeft. God maakt geen scheiding tussen Zijn werk der genade en het natuurlijke leven. Integendeel, en dit is een belangrijk iets, wat wij de ganse Schrift door zien. Hij gaat met Zijn genade in in het natuurlijk leven. Daarom betrekt de Heere de gevallen zondaar niet in Zijn Verbond, in déze zin, dat Hij hem er b.v. alleen met zijn hart bij betrekt, doch Hij betrekt hem erbij, helemaal, met al „zijn hebben en houden", in zijn ganse bestaan, met zijn verstand, gevoel, wil en ook met zijn geld en goed, zijn positie, zijn gezin.

Moeten wij hier nog verwijzen naar de bekende hoofdstukken uit Genesis, welke ons beschrijven de oprichting van het Verbond met Abraham? Wie is Abraham zelf? Doch God verbindt Zich aan hem, in Zijn verkiezende genade. Doch 't is duidelijk, dat deze oprichting van het verbond betekent, dat de Heere komt met Zijn roepstemmen en vooral met Zijn beloften. De Heere belooft Abrahams God te willen zijn. Welk een weldaad, waarin andere weldaden, als de vergeving der zonden en de vernieuwing van hart en leven en de bewaring naar ziel en lichaam, alle door Christus éénmaal verworven, lagen opgesloten!

Echter, wat is het ook hier duidelijk, dat deze beloften niet voor Abraham zijn als een afzonderlijk persoon, doch staande in de verbanden van het leven. De Heere noemt immers ook Abrahams kinderen erbij. Er staat zelfs „uw zaad". Dat grijpt nog dieper en verder dan „kinderen". Want „zaad", dat wil zeggen de potentie tot het verwekken van kinderen. Het zaad is nog geen nageslacht, doch dit ligt er in besloten. Zó betrekt de Heere het er reeds bij! Ja, de beloften zijn ook voor de kinderen. Het gehele Oude Testament bevestigt dat. Wij vinden dit terug in de historische boeken van het Oude Testament en evenzo in de psalmen en bij de profeten!

Een volgend keer hierover verder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's