De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE Dordtse LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE Dordtse LEERREGELS

8 minuten leestijd

Voorts, wanneer God dit Zijn wel­behagen in de uitverkorenen uitvoert, en de ware bekering in hen werkt, zo is het, dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtiglijk door de Heilige Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn; maar Hij dringt ook in tot de binnenste delen des mensen met de krachtige werking deszelfden wederbarenden Geestes; Hij opent het hart, dat gesloten is. Hij vermurwt, dat hard is. Hij besnijdt, dat onbesneden is. In de wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt die wil alzo, dat hij ah een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.

HOOFDSTUK III/IV Artikel 11

Misschien is het wel goed, dat ik het nog eens op schrijf, dat de Leerregels alleen belangstelling hebben voor de wedergeboren mens, omdat zij belang stellen in Gods daden, en Gods onoverwinnelijke kracht, die doden levend maakt. Deze mens wordt niet op een voetstuk geplaatst. Slechts wordt van hem beleden, dat God genade verheerlijkt aan zulk een, de vuilste der zondaren. Van het geloof en van alles wordt beleden, dat het een gave Gods is. Het is juist buiten de gereformeerde kring, dat de mens in het middelpunt komt en tot veel meer in staat wordt geacht dan de arme stakker opbrengen kan. Deze wedergeboren mens blijft in zichzelf de voornaamste der zondaren (1 Tim. 1:15). Hij blijft de Heere verwachten. Van stap tot stap blijft hij afhankelijk van Christus, die in hem woont en van de Heilige Geest, die hem leidt (Rom. 8 : 14). De zaligheid is door Gods genade, alleen door het geloof, en dat niet uit de wedergeborene: het is Gods gave (Ef. 2 : 8).

Dat geloof is bij de gedurigheid gave. Het is de Heilige Geest, die telkens weer het verstand van de wedergeborene verlicht en zijn hart overbuigt. Het is bekend hoe in reformatorisch-bevindelijke kringen de sterke en gedurige afhankelijkheid beleefd wordt van het woord. „Zonder Mij kunt gij niets doen" (Joh. 5:5). Over de beste werken van de wedergeborene met al zijn „inwendige genade" moet het bloed van Christus gedaan worden, opdat hij door zijn allerbeste werken niet verdoemelijk zou zijn voor God. De grondslag der zaligheid blijft dus Jezus Christus en Die gekruisigd en de wedergeboren mens heeft niet de minste mogelijkheid ook maar enig stukje gerechtigheid of zaligheid te verdienen.

Nochtans echter is de genade meer dan „zedelijke aanrading". Dit leerden de remonstranten. De Geest Gods dringt door tot in de binnenste delen van de mens. Dit leerden de gereformeerde vaderen. Waar ging het hen om? Het ging hen hierom, dat God verheerlijkt werd en niet de mens. Dat kan men lezen in de Verw. der dw. VI, waarin zij verwerpen: „Die leren: Dat in de ware bekering des mensen geen nieuwe hoedanigheden, krachten of gaven in de wil door God kunnen ingestort worden, en dat overzulks het geloof, waardoor wij eerst bekeerd worden, en waarvan wij gelovigen genoemd worden, niet is een hoedanigheid of gave van God ingestort, maar alleen een daad des mensen, en dat het niet anders kan gezegd worden een gave te zijn, dan ten aanzien van de macht om daartoe te komen. Want daarmede wederspreken zij de H. Schrift, die getuigt dat God nieuwe hoedanigheden des geloofs, der gehoorzaamheid, en van het gevoel Zijner liefde in onze harten uitstort (Jer. 31 : 33; Jes. 44 : 3; Rom. 5:5). Zulks strijdt ook tegen het standvastig gebruik der Kerke Gods, dewelke bij de profeet aldus bidt: Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn" (Jer. 31 : 18).

Nu zeggen sommigen, dat de Leerregels reeds afbogen van de lijn, die Calvijn trok. Dit valt nog te bezien. Men kan gerust zeggen, dat Calvijn heel wat af weet van een diepgaande verandering en van nieuwe hoedanigheden in de gelovige. Als u een Institutie van Calvijn bezit neemt u maar eens voor u III, 3, 6-9. Daar leest u, dat tot de bekering behoort: „een verandering, niet alleen in de uitwendige werken, maar ook in de ziel zelf". In lIl, 3, 8 legt Calvijn de nadruk op de doding van het vlees en de levendmaking van de geest. Dit is de bekering van zondag 33, welke iets anders is dan de beginbekering, waarbij de zondaar gestaltelijk zijn doodstaat leert kennen.

De profeten spreken daar op eenvoudige wijze over. „Want als zij 't volk terugroepen van boosheid, zo vereisen zij de ondergang en de te niet doening van het ganse vlees, 't welk met boosheid en verkeerdheid vervuld is. 't Is een gans harde en zware zaak ons zelf uit te schudden, en van onze aangeboren aard te verhuizen. Want men moet niet menen, dat het vlees wel gestorven en vergaan is, tenzij dat alles, wat wij van onszelf hebben, zij te niet gemaakt. Maar dewijl die ganse gezindheid des vleses vijandschap is tegen God, zo is de verzaking van onze eigen natuur de eerste ingang en stap tot de gehoorzaamheid van Zijn Wet". Daarna moeten de vruchten der vernieuwing komen. Maar die kunnen niet voortgebracht worden, „indien de geest en het hart eerst niet hebben aangedaan de gezindheid der gerechtigheid, des oordeels en der barmhartigheid. Dat geschiedt wanneer de Geest Gods door Zijn heiligheid onze zielen besprengd hebbende, dezelve met nieuwe gedachten en genegenheden alzo begaafd, dat ze met recht nieuw gerekend mogen worden". Men kan niet zeggen, dat Calvijn hier ver afwijkt van artikel 11 onzer Leerregels. Daar gebeurt nog al wat met de mens. Er worden nieuwe gezindheden ingebracht. Er gebeurt wat anders ook. „Wij kunnen de beginselen der godzaligheid niet leren dan als wij door het zwaard des Geestes met geweld geslacht en te niet gemaakt worden". Heeft deze vernietiging en vernieuwing op één dag plaats, zodat het beeld Gods in één ogenblik wordt opgericht? Neen, „deze wederoprichting wordt op één ogenblik, dag of jaar niet volbracht, maar God maakt deze verdorvenheid des vleses in Zijn uitverkorenen te niet door gedurige, ja ook somtijds door trage voortgangen".

Een diepe vernieuwing is nodig. In een preek over Deut. 30 : 10 zegt Calvijn: „Het is dan nodig dat God ons verandere van de wortel af, want nooit zal Hij goede vrucht daarvan trekken, wan^ neer de wortel van te voren niet veranderd is". In een andere preek: „Het is nodig, dat de Heere ons geve een nieuwe zin, een nieuw verstand, dat Hij ons hervorme, zodat wij niet langer zijn, die wij van tevoren waren, maar als het ware omgesmolten zijn tot nieuwe schepselen, om de taal der Schrift te gebruiken".

Zou artikel 11 zo oncalvinistisch zijn? Wat gebeurt er dan precies als God de mens verandert en vernieuwt? De Heere opent het hart, dat wij beginnen te horen. „Want zo dikwijls als wij van God vragen, dat Hij ons door Zijn Geest verlichte, leggen wij een plechtige verklaring af, dat wij hier komen als armen, blinden, doven, onwetenden, totdat God ons herschapen en tot Zich getrokken heeft" (Preek Deut. 28:4). Calvijn spreekt ook van de vermurwing of vertedering. „Het hart van Paulus is plotseling van een ijzeren een vlezen hart geworden, nadat hij van de Heilige Geest de vertedering had ontvangen, welke hij van nature in het geheel niet bezat". (Comm. Hand. 9:6). God maakt het nieuw bij de mens. Wij moeten begrijpen, „dat de toegang tot het Koninkrijk Gods voor niemand openstaat dan voor degenen die de H. Geest door Zijn verlichting een nieuw verstand gemaakt heeft". Dit geldt ook van de wil. Het is nl. zo, „dat de Heere onze verdorven wil verbetert of liever geheel wegneemt, en dat Hij van Zichzelf daarvoor een goede wil in de plaats zendt". Calvijn schrijft hierover in Inst. II, 2-5. Maar als het nu Gods Geest is, die alles doet, waartoe dan nog 't Woord. Calvijn geeft dit antwoord: „God werkt twee zins in Zijn uitverkorenen: inwendig door Zijn Geest, uitwendig door Zijn Woord. Door Zijn Geest maakt Hij hen tot nieuwe schepselen, hun verstand verlichtende en hun harten tot liefde en betrachting der gerechtigheid vormende. Door Zijn Woord wekt Hij hen op deze vernieuwing te begeren, te zoeken en te verkrijgen" (Inst. II, 5, 5).

In artikel 11 staat, dat nieuwe hoedanigheden worden ingestort. Dat klinkt nog al massief. Het moge dan waar zijn, dat Calvijn en de Leerregels overeen komen in de omzetting van de wil en in de vernieuwing van het verstand. Het moge zijn, dat beiden spreken van een herschepping en opwekking uit de doden, maar spreekt Calvijn ook van indruppelen of instorten? Zelfs dat. Daar verandert toch blijkbaar wel iets in de mens. Geloof wordt „ingedruppeld". De H. Geest geeft ons de energie in van het hemelse leven (Joh. 3:5). Hij vervult onze gemoederen met de rechte neiging (Luc. 9 : 55). De Heilige Geest stort door een verborgen werking Zijn kracht in ons over. Hij druppelt lijdzaamheid en vertrouwen in. God blaast vrome neigingen in (Fil. 2 : 13).

Zo kan men bij Calvijn terugvinden, wat de Leerregels belijden. Hoezeer deze zaken in de Heilige Schrift voorkomen, weet ieder. Hoe boos het hart is, vertelt ons bijna iedere bladzijde. Vandaar de herhaalde verzekering, dat God het hart zal vernieuwen. De waarachtige bekering wordt meermalen beschreven als een verandering en vernieuwing des harten. Er is sprake van een vlezen hart. een nieuw hart, een nieuwe geest, wegneming van het stenen hart. Vereniging van het hart (Ps. 86). Het oude hart is verdeeld. De boze begeerten schreeuwen tegen elkander in. Het nieuwe hart is een verenigd hart. Het wordt ook wel genoemd: enerlei hart (Ez. 11:19). Dat hart is niet langer verdeeld tussen de dienst van God en van de afgoden. De wedergeboorte is een herschepping. Daardoor wordt de mens anders. Hij heeft nu een voor God en de naaste, voor zonde en genade gevoelig hart. Hij is gebroken en verslagen, vernederd en verbrijzeld. Het is ook een levend hart. Dat nieuwe leven wordt in de Schrift getekend als een wildernis, die bloeit als een roos; als een frisse boom, in vette grond geplant bij een stroom. Het is toch zo mooi, dat nieuwe leven uit en in Christus Jezus. Daar komt een inwendige mens, die vernieuwd wordt van dag tot dag. Deze nieuwe mens verlustigt zich in Gods Wet. Zo zijn de uitverkorenen Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken. Doch dat is een grote verandering: zijn in Christus of zijn buiten Christus. Wij verklaren alzo artikel 11 conform den Woorde Gods en de leringen der reformatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE Dordtse LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's