Uit het Nieuwe Testament
Vervolg over Handelingen 16:31 En zij zeiden: Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
23
De vorige maal zagen wij, bij de beantwoording van de gestelde vraag over deze tekst, dat God bij het aangaan van Zijn verbond de mens neemt in diens verbanden. Daarom wordt diens huis erbij betrokken. Thans willen wij er verder weer de nadruk op leggen dat het ons hierbij nooit mag ontgaan, dat als de Heere met Zijn verbond komt tot de zondaar. Hijzelf daarbij duidelijk de Eerste is, de verkiezende God, doch dat Hij daarbij de mens altijd ook betrekt als verantwoordelijk schepsel. Zó is die mens éénmaal geschapen, dat blijft hij voor God, ook na de val. Daarom behandelt de Heere hem steeds als zodanig. En dit houdt dan ook het verbond Gods in zijn volheid in, dat daarin de verkiezende God tegelijkertijd de zondaar ten volle als verantwoordelijk schepsel handhaaft. Altijd weer staan wij hier voor een mysterie, dat een kruis, een crux, blijft voor ons verstand, maar dat toch voor God geldt en in het geloof verstaan en beleefd wordt, dat, zal een mens zalig worden, alles daartoe van de Heere uitgaat en Gods gave is, óók, wat daartoe in die mens moet gebeuren. Doch dat toch de Heere van diezelfde mens vraagt, als een goddelijke eis, een nieuwe gehoorzaamheid, geloof en bekering, — dat is, dat die mens laat gelden als waarachtig, wat God in Zijn Woord zegt, daarvoor van harte buigt en daaruit leeft. Deze nieuwe gehoorzaamheid is, waar zij beoefend wordt, altijd gave Gods en wordt als zodanig gekend, doch, vanaf het moment, dat de Heere met Zijn verbond tot de mens komt, ja, eigenlijk al krachtens de schepping, geldt ze als eis Gods. De vervulling van Zijn beloften bindt de Heere in het leven van de zondaar dan ook aan de gehoorzaamheid jegens die eis van geloof en bekering. De Schrift legt ons bloot in meer dan één geschiedenis en in meer dan één uitspraak, dat er verbondszegen is, doch ook verbondswraak en vloek.
Ja, de Heere komt met Zijn verbond tot de gevallen zondaar, maar neemt deze daarbij in de verbanden, waarin hij in het leven staat. De beloften strekken zich over die mens heen uit tot zijn huis. Echter, met die beloften ligt altijd nauw vei'bonden de eis van geloof en bekering. Dat geldt voor die mens zelf, maar óók voor zijn huis. Zo heeft God in Zijn souvereine genade, welke ruim en imperialistisch van karakter is — men versta dit laatste woord goed —, de kinderen er al bij betrokken, eer deze er zelf besef van hebben en een eigen beslissing kunnen nemen. Doch deze kinderen zullen in hun leven alleen dan de vervulling van Gods beloften en het aangeboden heil deelachtig worden, wanneer zij zelf ook leren geloven en zich bekeren. Dat is de eis, waaronder zij vallen, krachtens Gods souvereine genade, „van stonde aan".
Liggen, wat dit betreft, de lijnen in het Nieuwe Testament soms anders dan in het Oude Testament? Wij dachten, dat er wel onderscheid is tussen het Oude en het Nieuwe Testament, wat betreft de bedeling van het genadeverbond. Doch niet wat betreft het wezen daarvan. Eerst is Israël geroepen om de beloften des heils voort te dragen en te bewaren binnen de grenzen van haar volksbestaan, welke ook dan niet altijd hermetisch gesloten bleken te zijn. Daarna golft het heil des Heeren uit ook over de andere volkeren. Israël maakt plaats voor een ander Israël, waarin voor het oude Israël, naar wij dachten, wellicht nog een bijzondere plaats open blijft, doch waartoe verder uit alle volkeren vergaderd worden, — de gemeente van het Nieuwe Testament! En thans geeft God in die gemeente Zijn verbond gedurig gestalte.
En daarom, ook in het Nieuwe Testament, mogen daartoe behoren allen, die eerst als buitenstaanders werden toegebracht en tot waarachtig geloof en bekering kwamen en dat geloof beleden. Maar zij mochten daartoe behoren, eveneens weer in de verbanden, waarin zij van Godswege in dit leven gesteld waren, dus ook met hun huis. Dat werd van stonde aan meebetrokken in de vergadering der gemeente en in het verbond Gods, in de beloften en in de eisen daarvan.
Hoe stond Jezus tegenover de kinderen, hoe teder riep Hij ze tot Zich en zegende Hij ze! En wat zei Petrus tot de verslagen schare in Jeruzalem op de Pinksterdag? „U komt de belofte toe en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zovelen, als er de Heere, onze God, toe roepen zal". Waarbij moet worden opgemerkt, dat deze laatste woorden, welke Petrus hier sprak, geen beperking betekenen van dat: „en uw kinderen", doch integendeel de wijdheid ervan onderstrepen.
En zo komen wij weer terug bij de geschiedenis van het Schriftgedeelte, waarmee wij ons eigenlijk bezig houden. De apostelen, het Evangelie predikend, vergaderen de gemeente van Christus, doch zij doen dat, terwijl ook zij die gemeente nemen en bouwen als een organisch geheel. Ook zij handhaven in hun prediking en arbeid de gedachte van het verbond Gods, dat de Heere de gelovigen neemt in de verbanden, waarin Hij henzelf in dit leven gesteld heeft. Dit ligt opgesloten in het feit, dat Paulus er blijkbaar geen bezwaar tegen heeft om Lydia te dopen mét haar huis. En, hetzelfde klinkt door in de woorden, welke Paulus en Silas spreken tegen die stokbewaarder in Filippi: „Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zaUg worden, gij en uw huis".
Is het, in verband met dit alles, ook geen opmerkelijk feit, dat de vorm, waarin de eerste christengemeenten, onder leiding van de apostelen en andere ambtsdragers, samen kwamen, de vorm was van de huisgemeenten?
Na alles, wat wij reeds opmerkten, leggen wij er nu nog eens de nadruk op: de Heilige Schrift openbaart ons, dat dit dus de werkwijze Gods is en dit de weg, waarlangs Hij Zijn verkiezing verwerkelijkt, dat Hij het zaad, het huis, van stonde aan erbij betrekt, als Hij tot de mens komt met Zijn verbond. Hij betrekt dat zaad, dat huis, direct bij de beloften, welke Hij geeft, doch, met insluiting van de menselijke verantwoordelijkheid. Wij zeiden reeds: als onze kinderen nog nergens besef van hebben, vallen zij reeds onder de eis van de nieuwe gehoorzaamheid. En die geldt zeker, wanneer zij ouder worden en tot bewustzijn der dingen komen. Naar die eis zullen zij moeten luisteren; daarmee zullen zij bezig moeten worden, en die eis zal in hun leven opgevolgd moeten worden. Anders liggen zij verloren, en hier geldt: om eigen schuld. Echter, zal die eis in hun leven opgevolgd worden, dan zal daarvan anderzijds dus altijd beleden moeten worden, dat dit Gods werk is, het werk van de Heilige Geest, Die het onwillige en onbekeerlijke hart wederbaart en tot waarachtig geloof en bekering brengt. Dit werk is evenwel een bijzondere vrucht van Zijn verkiezende genade. En daarom bhjft er een spanning tussen verkiezing en verbond. Deze spanning is eveneens een kruis, een crux, voor ons verstand, doch in het gezonde leven des geloofs komt ze tot haar recht.
Een volgend keer willen wij dit nog nader uitwerken met het oog op de praktijk van het geestelijk- én gezinsleven!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's