Boekbesprekingen
Ds. A. G. Barkey Wolf e.a.. Als offers die des avonds branden, 160 blz., geb. ƒ 5, 90. Uitg. La Rivière & Voorhoeve, Zwolle.
De titel van dit boek, waarin 80 gebeden voor de oude dag zijn verzameld, is ontleend aan Ps. 141. Aan deze uitgave hebben meegewerkt ds. A. G. Barkey Wolf, dr. Albronda-van der Nagel, ds. Den Boer, ds. Van Duinen, dr. Gilhuis, dr. Jaanus en ds. Lugtigheid.
Voorbeelden van gebeden dat ligt ons niet best, zelfs onze formuliergebeden uit het Kerkboek gebruiken wij niet gemakkelijk. Ik zeg niet, dat dit juist is, maar het is wel waar. Moeizaam vertrouwen wij een gebed toe aan het papier; het is te teer, te persoonlijk en toch wie dit boekje leest, vindt in deze gebeden rijpe meditatie voor Gods aangezicht. Ik noem enkele voorbeelden: Here, ik wil er niet aan, alles wordt minder, de ogen worden minder, het geheugen wordt minder ... Here de afbraak van deze oude tabernakel is begonnen ... Of elders: Geef, dat ik mijn laatste dagen tegenover mijn kinderen moedig en eerlijk ben... Of uit een ander gebed: Als ik andere mensen 's zondags naar de kerk zie gaan, ben ik wel eens jaloers op hen.
Het is een goed uitgevoerd boek, gemakkelijk formaat en met een duidelijke letter: een boek om cadeau te doen aan een ander of aan uzelf.
Bt.
J. Winkler, In Gods Naam, 272 blz., prijs geb. ƒ 7, 90. Uitg. N.V. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1960.
In dit boek wordt het leven beschreven van een achttal mensen, die hun gaven gesteld hebben in dienst van anderen; de schrijver noemt hen helden' der mensheid: Heldring, Wichern, Booth, Von Bodelschwingh, Pater Damiaan, Schweitzer, Kagawa en Abbé Pierre. Boven zijn voorwoord schrijft hij een woord van Wichern: Wat in Gods naam begonnen wordt, moet gelukken.
Inderdaad waren deze mensen hun tijd beslist vooruit, ondanks allerlei eenzijdigheden, dia hun arbeid aankleefde. Aan het eind van elk hoofdstuk zijn eigen woorden van de besproken persoon opgenomen: b.v. van Von Bodelschwingh een scherpe, aanklagende rede in de Pruisische landdag in 1904; van de stichter van het Leger des Heils de laatste rede, die hij in 1912 hield. Van Abbé Pierre, wiens werk onder daklozen en zwervers ook in ons land grote bekendheid heeft gekregen, zijn een aantal gedachten opgenomen: „Die dag dat ik een moeder vond onder een tent, een moeder van wie twee van haar drie baby's gestorven waren — die dag was de verschrikkelijkste uit mijn priesterleven ..."
Het is een populair werk, dat met grote liefde geschreven is. Het loont zeer de moeite er kennis van te nemen,
Bt.
J. L. Erkelens, Bijbelkennis, deel I en II, 106 blz. en 132 blz., prijs ing. ƒ Uitg. W. D. Meinema N.V., Delft.
Deze twee deeltjes zijn bedoeld voor het onderwijs op de voorbereidend hogere en middelbare scholen. Wel degelijk kunnen ze ook op andere inrichtingen van onderwijs worden gebruikt en stellig ook op bijbelcursussen.
Ze zijn puntig en duidelijk geschreven en zeer overzichtelijk ingedeeld. Ze geven niet zoveel materiaal, dat de leerling er in verdrinkt. Aan het eind van elk hoofdstuk zijn een aantal vragen geformuleerd en enige opdrachten, terwijl algemene herhalingen zijn opgenomen.
Het eerste deel is bedoeld als inleiding tot de Bijbel, vooral tot het Oude Testament. We lezen daar iets over vertalingen, over de oude geschiedenis van Israël en van de omliggende volken, Schrijver moest wel uit de ruime stof een keuze doen, zoals hij dat ook met het tweede deeltje deed. Dit begint met Salomo en eindigt met de profetieën van Jeremia.
Hier en daar zou ik wel eens een andere formulering verkiezen. Ik geloof niet, dat men bij Ichnaton mag spreken van een vorm van monotheïsme. Het is niet juist te spreken van het „handschrift der Masoreten". Op zijn mooist gezegd is het slordig te schrijven, dat „men als grondtekst gebruikte de Masora". De Masora immers zijn de masoretische aantekeningen bij de tekst. Dat de herder 51 kruiken vond in 1947 is wel een beetje veel. Deze opmerkingen bedoelen niet iets terug te nemen van de waardering voor deze boekjes, die ik wat te lang op mijn tafel heb laten liggen. Zij zijn keurig uitgevoerd en goed geïllustreerd.
Bt,
Alzo wies het Woord, 2e druk. Dr, J. H, Bavinck. Bosch en Keuning N.V., Baam. Een studie over de voortgang van het Evangelie in de dagen van Paulus.
Een tweede druk was nodig van dit mooie boek, In een aardig fris gewaad gestoken gaat de studie van prof. dr. J. H. Bavinck opnieuw de weg onder ons volk. De vergelijking van de eerste druk met de tweede druk geeft niet zoveel verschil. Maar hoogst actueel is de inhoud gebleven, omdat het een van de grondvragen van het Kerk-zijn behandelt, nl. in haar bezig zijn met het Evangelie in deze wereld. Hoe deed de eerste gemeente dit? Nog nader begrensd: Wat kunnen wij leren voor de zending dichtbij en ver weg van de persoon en de arbeid van de apostel Paulus? Wij kunnen het hartelijk in uw belangstelling aanbevelen.
B.
Het raadsel van het Nieuwe Testament, Sir Edwyn Hoskyns en Noel Davey. Bosch en Keuning N.V., Baarn.
Ook deze studie verscheen in de serie: Bibliotheek van boeken bij de Bijbel. De auteurs pogen aan te tonen, dat de goddelijkheid door Jezus zelf is geopenbaard. Dit boek bedoelt met gebruikmaking van het historisch onderzoek van deze en de vorige eeuw tot aan de uiterste grens te gaan. De schrijvers hebben een poging gewaagd de kritisch methode aan het werk te laten gaan en te tonen, hoe zij werkt. Het is niet de bedoeling aan datering of schrijver of historiciteit veel aandacht te schenken, maar te tasten naar het theologisch raadsel, dat onoplosbaar is, als men het losmaakt van de vraag: Welke was de betrekking tussen Jezus van Nazareth en de eerste christelijke gemeente? (pag. 7).
Achtereenvolgens passeren de volgende hoofdstukken de revue: De tekst, de historie, de evangelisten, het synoptisch probleem, Mattheüs en Lucas, Marcus, wonderen, gelijkenissen en aforismen. Tenslotte: Paulus, de schrijver van de Johanneïsche geschriften en de schrijver van de brief aan de Hebreeën. Het slothoofdstuk luidt: Jezus.
Het is een korte en bondige studie. Na alle ingespannen arbeid menen de schrijvers, dat zij hun taak hebben volbracht en dat geloof en ongeloof niet van htm resultaten afhangt, ook niet van de resultaten van anderen, maar van de beslissing tegenover de openbaring Gods.
Zij hebben met deze studie de beslissing zo zuiver mogelijk willen maken. Voor de belangstellende lezer is hier veel te vinden voor het hoofd, weinig voor het hart. Maar dat laatste is niet de bedoeling van deze studie, die aan de predikanten en aan belangstellende gemeenteleden met voldoende kritisch vermogen gaarne ter lezing wordt aanbevolen.
B,
Doe aan mij een teken ten goede, dr. A. F, N, Lekkerkerker, N.V. Begr. Zomer & Keunings uitgeversmaatschappij, Wageningen. ƒ 8, 90.
In dit boek heeft prof. Lekkerkerker zijn zondagavondlezingen voor de N, C, R, V. gebundeld. Velen zullen deze willen lezen. Het boek is een doorlopend gesprek met de lezer over Doop en Avondmaal. U vindt niet een dogmatische uiteenzetting van de beide Sacramenten, hoewel dogmatische achtergronden telkens te voorschijn komen. Bij het lezen rijzen vele vragen. Het gesprek is wel erg eenzijdig wanneer het gaat over de menselijke beslissing in het geloof. Prof. Lekkerkerker is al maar bezig allerlei voorwaarden weg te werken. Al die voorwaarden belemmeren het uitzicht op Christus. Die bedoeling is alleen maar zuiver. Maar wat te denken van de uitdrukking: Wij gaan niet ten Avondmaal omdat wij geloven, maar opdat wij geloven? Ondanks de nadere uiteenzetting blijft dit een zeer aanvechtbare stelling. Te begrijpen valt, dat het geloof nooit en nergens een grond is, miaar zeer bepaald wel de weg, waarlangs de Heere ons leidt.
Waar blijft prof. Lekkerkerker met de ware zelfbeproeving van het Avondmaalsformulier? Ten tweede onderzoeke een ieder zijn conscientie, of hij ook deze gewisse belofte van God gelooft... Is hier het geloof soms als voorwaarde bedoeld?
Nog aanvechtbaarder lijkt mij de stelling op pag. 118: Het echte zelfonderzoek komt niet vóór, maar in de feestzaal. Het zou te ver voeren dit alles in een boekbespreking met de stukken aan te tonen.
Wat is de achtergrond van dit alles? Dat een leer van beloften wordt voorgedragen, waarin de diepten van de Reformatie niet doorklinken. Wanneer wij de stralende leer des geloofs bij Calvijn opnieuw lezen, blijkt, dat hier het werk van de Heilige Geest niet tot zijn recht komt.
Verder is het zeer de vraag of de gelijkenis van de bruiloft ten eerste bedoeld is als een beeld voor het Avondmaal. Het ligt meer voor de hand hier te denken aan de maaltijd van het Evangelie.
Wanneer wij verder het verhaal over Magere Josje leggen naast het verhaal van de zondares in de Evangeliën, dan is het verschil wel erg groot.
Interessant zijn allerlei uiteenzettingen van meer historische aard, vooral over het woordje: „alhier" in het Doopsformulier en het mede betrokken zijn van de gehele gemeente in de bediening van het Sacrament. Zo is er meer te noemen. Er is veel wat verrijkt, er is veel wat tot bezinning noopt, er is ook veel wat tot tegenspraak dringt. Als zodanig tot bezinning in de kritische zin aanbevolen.
B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's