De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

Het blijkt dat de herenigingspogingen in de Gereformeerde Kerken tussen Synodalen en Vrijgemaakten ook nog steeds met grote moeilijkheden te kampen hebben. De situatie begint gaandeweg ook ingewikkelder te worden; het blijkt namelijk dat men met name in het kamp van de Vrijgemaakten nog lang niet één van gevoelen is. Ten aanzien van de verzoeningspogingen zou men kunnen gaan spreken van rekkelijken en preciesen onder hen.

In Zwolle is een groep van ongeveer 70 leden van de (vrijgemaakte) gereformeerde kerken bijeen geweest om zich te bezinnen op de mogelijkheden en moeilijkheden van de hereniging. Zowel in „De Reformatie" van 14 januari als in „Waarheid en Eenheid" van 20 januari vinden we een verslag van deze bijeenkomst, en daarin horen we de voorzitter in z'n inleidend woord klagen:

Wat onze eigen kerken betreft: Ten onrechte wordt de kwestie van al of niet-samenspreken met de Geref. kerken (Syn.) tot een schibolet van kerkelijke trouw gemaakt. Het valt niet te ontveinzen dat er sterke tendenzen zijn in de richting van kerkisme, extremisme en legalisme. Bepaalde opvattingen worden voor alleen-Gereformeerd uitgegeven. Wie ze niet aanvaardt, wordt hier getolereerd, daar verdrukt. Een ingrijpend verschil van inzicht in allerlei zaken is niet het ergste. Er behoeft niet over alles uniform te worden gedacht. Maar op vele plaatsen is het gesprek over deze onderwerpen afgebroken. Men wil zelfs niet overwegen, dat degenen, die waarschuwend de vinger hebben opgeheven, het bij het rechte eind hebben, als zij zeggen, dat de Kerk, niet Christus wordt gepredikt. Dat maakt velen het leven in de kerk moeilijk, en velen zijn daardoor ernstig teleurgesteld. Er was aanvankelijk groot enthousiasme na de Vrijmaking. Anderen zagen van de aanvang af, dat we als zondige mensen de vrijheid zijn ingegaan. Toch meenden zij te kunnen strijden voor Christus' Kerk, omdat de oude basis der Kerk, die zo zegenrijk gebleken is, en daarmee de ruimte van de Kerk, bewaard bleven.

Het commentaar van de „preciesen" op deze ontboezeming, bij monde van prof. J. Kamphuis, in hetzelfde nummer van „De Reformatie", is ondanks al z'n breedvoerigheid en zwaarwichtigheid toch niet mis te verstaan. Proeft u maar eens:

Maar wat we niet verstaan, is, dat hier een aantal heren bijeen is geweest, waaronder vele theologen en in ieder geval één wijsgeer, die verzuimd hebben de nuchtere vraag aan de orde te stellen: wat IS kerkisme? Wat IS exclusivisme? Wat IS legalisme dan wel wetticisme? Weet men dan werkelijk niet meer, dat over dat punt inderdaad het debat ging, dat de synodocraten in ambtelijk bloed hebben gesmoord? Inderdaad: dat debat hebben zij in dat bloed van '44 gesmoord. Het was éérst nodig in 1936, dat óók „de pluriformiteit der kerk" op het lijstje kwam te staan van de onderwerpen, waar de synode nodig over handelen moest, om „afwijkende meningen" te toetsen. Maar toen de executie eenmaal voltrokken was, heeft men het punt maar afgevoerd, het had nu zijn actualiteit verloren. De kerkisten en extremisten waren buiten de deur gewerkt.

Maar dank zij de onverschrokken polemiek, mede van de Reformatie, zullen betrouwbare geschiedschrijvers nooit meer zeggen: het ging de heren toen tegen het kerkisme enz. Maar men zal dieper afdalen en men zal moeten zeggen: men heeft toen voor kerkisme gescholden, wat terugkeer tot de confessie was. Evenzo met dat extremisme en legalisme dan wel wetticisme.

In „Woord en Dienst" van 21 januari mediteert ds. F. J. Pop nog wat na over de jubileumviering van de Bond voor (inwendige) Zending op G.G. Hij heeft de herdenkingsdienst in de Jacobikerk te Utrecht, al psalmenzingende op hele noten, ook meegemaakt.

In de brochure, die n.a.v. deze jubileumviering is verschenen, leest ds. P. ook over de grondslag en het streven van genoemde Bond. Hij schrijft daarover:

Dat zijn erg bekende klanken. Ik kan echter niet nalaten me af te vragen of dit nu het punt is, waarin deze Bond zich van ander evangelisatiewerk zodanig onderscheidt, dat een afzonderlijk optreden noodzakelijk is.

Hoewel deze vraag in alle gemoedelijkheid bij ds. P. opkomt, komt die toch min of meer hard aan; immers de vraag komt uit de mond van een docent aan „Kerk en Wereld", uit de mond dus van een man die toeft in de keuken van het kerkelijk evangelisatiewerk. Maar wederkerig konden wij nu niet nalaten ons af te vragen, of de docent hier ook niet misschien te veel theoreticus is. In ieder geval willen we nu maar volstaan met als tegenhanger ook eens iets uit de praktijk te laten horen. In het Herv. Weekblad „De Gereformeerde Kerk" van 19 januari schrijft L. Schippers over: Bijzonder Kerkewerk. Zelf heeft hij, — zo vertelt hij —, jarenlang meegewerkt aan het B.K. in een grote stad. En dan schrijft hij:

Welke zijn nu de gevaren die dreigen? 1e. Men gaat samenkomsten beleggen die het doel: mensen weer in aanraking brengen met de bijbel, met Jezus Christus, ten enenmale voorbijschieten. Ik denk aan een bijgewoonde samenkomst, waar een spreker in schone kleuren ons het beeld schilderde van een land achter het ijzeren gordijn: „goede lonen, lage huren, vrij onderwijs (nou ja: kosteloos!), vrije medische verzorging; de kerken zijn er vrijer dan ooit; de kerk wordt niet vervolgd; niemand wil naar het westen; er wordt niet bespioneerd; schonere straten dan in Nederland"; enz. Om objectief te blijven, als tegenhanger: „De communistische propaganda is voor de kerk ten dele niet zo erg gemakkelijk te aanvaarden" (cursivering van mij, S.). Andere stellingen uit het betoog: „Communistisch China moet bij de V.N.!" „Geen vrijheid door machtsmiddelen!" Voorts werd een plaatselijk christelijk dagblad beschuldigd van „vuile leugens" en „vuile laster". Het was alles wèl zeer bijzonder, maar of het iets te maken heeft met kerkewerk? Het bleek bedenkelijk veel op een politieke vergadering, zelfs het daar gebruikelijke applaus ontbrak niet.

2e. Men zoekt een zo breed mogelijke samenwerking, met alle modaliteiten. Ik kan echter nog steeds niet begrijpen, hoe men onder buitenkerkelijken kan evangeliseren met groepen mensen, onder wie geen overeenstemming bestaat over wat de fundamenten van kerk en prediking raakt. Veronderstel: iemand, die de opstanding van Christus en van degenen die in Hem geloven, loochent, wordt uitgenodigd om te spreken over: het leven. Hoe moet dat nu als er vragen komen? Hetzelfde probleem ontmoette ik in een vroegere woonplaats. Daar werden in sommige wijken de broeders-ouderlingen twee aan twee uitgezonden (dat is bijbels). Maar de nieuwe samenstelling was: een rechtzinnige plus een vrijzinnige broeder. Ik heb toen gevraagd: „Wat nu, als iemand zegt: die wonderen uit de bijbel, die opstandingsverhalen, daar geloof ik niets van!"? Het antwoord luidde: bij een rechtzinnig gezin mag alleen de rechtzinnige ouderling zijn mond opendoen, en omgekeerd. Hoe het in een gemengd gezin gebeurde, vermeldt de geschiedenis niet. Gaat het zo nu ook in een dergelijke B.K.-samenkomst? Zal eerst gevraagd moeten worden: Welk antwoord wenst u?

Het 3de artikel over het mutatierapport (Woord en Dienst van 21 januari) is van prof. dr. A. J. Bronkhorst. Hij begint met te zeggen dat we t.a.v. het geref. kerkrecht de nuchterheid moeten betrachten; er niet al te zwaar aan beuren, maar vooral ook praktisch zijn. Dat het mutatierapport de structuur van het geref. kerkrecht aantast, is nu niet het allerergste. Het is meer een kwestie van wennen; en ... alles went. Toch ziet hij ook een principiële kant aan het kerkrecht en herinnert daarbij aan de bekende aanhef van de Acta van Embden (1571). Dit resulteert in de volgende conclusie:

Toch ontbreekt mij nog het rechte enthousiasme voor deze plannen. Omdat ik me afvraag of het ook niet anders zou kunnen. Men bedoelt toch alleen maar om de vastgelopen mutatie weer op gang te brengen. Dat kan m.i. ook met minder ingrijpende maatregelen, waarbij het effect wel iets minder radicaal zal blijken, maar waarbij we toch ook minder risico voor „brokken" lopen. En waarbij het grondbeginsel, dat de gemeente haar predikant niet opgedrongen krijgt, kan worden gehandhaafd.

Prof. B. komt dan met het volgende voorstel, om nl. de beroepende kerkeraden gedurende een vastgesteld aantal jaren te verplichten hun predikanten te kiezen uit een lijst, die opgemaakt is door een bij hun modaliteit behorende subcommissie van een centrale commissie voor de mutaties, en gekozen uit dezelfde of uit de één hogere groep dan die waartoe de beroepende gemeente behoort.

In hetzelfde nummer van W. en D. staat ook een 4de artikel over het mutatierapport van de hand van prof. dr. A. A. van Ruler. Plaatsgebrek maakt het helaas onmogelijk om dit zeer leerzame artikel in z'n geheel over te nemen. We moeten dus volstaan met alleen zijn eindconclusie hier weer te geven:

Ik verbaas me er over, dat enerzijds tegenwoordig het hameren op het gemeenteprincipe niet van de lucht is en dat men anderzijds (door de nood gedwongen) zo vlot de hoogambtelijke kant uit wijst. Wij zullen ook terzake van het beroepingsstelsel ons tot het uiterste moeten inspannen, dat geniale evenwicht tussen apostolisch ambt enerzijds en volk van God anderzijds te bewaren, dat in de presbyteriaal-synodale vorm van kerkregering is gevonden.

In W. en D. van 4 februari krijgen we een 5de artikel over het mutatierapport; het is van ds. D. J. Miedema, uit de vrijzinnige kring. Ook hij is niet onverdeeld gelukkig met het rapport. De inbreuk op de vrijheid van de predikant, de vrijheid van de gemeente en de presbyteriaalsynodale structuur van de kerkorde, acht hij ook van te ingrijpende aard. Vervolgens geeft hij enkele erg zakelijke richtlijnen voor andere oplossingen, waarbij hij ook een plaats wil geven aan de mogelijkheid voor predikanten om te solliciteren, hetgeen dan niets te maken heeft met simonie.

Het 6de artikel over dit onderwerp, en naar we menen ook het laatste, is van de hand van ds. W. L. Tukker. Over de inhoud van dit artikel behoeven we niets te melden. Van zijn zienswijze hebben we uitvoerig kennis kunnen nemen uit ons blad. De inhoud van dit artikel willen we dan ook samenvatten met het opschrift dat ds. Tukker zelf boven zijn artikel schreef: Mutatierapport biedt geen oplossing.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's