KRONIEK
Menno Simons-herdenking — De promotie van dr. R. H. Bremmer aan de V.U. — Uit de Synodezitting van 6 en 7 februari — Ikabod.
De 31e januari jl. was het 400 jaar geleden, dat Menno Simons, doopsgezind hervormer, op het „Woeste Veld" bij Oldesloe in Holstein, overleed. Die vierhonderdste sterfdag van deze in Friesland — in het dorpje Witmarsum — geboren hervormer werd aanleiding, dat in verschillende bladen de persoon en het werk van Menno opnieuw in de belangstelling kwamen te staan. Dr. N. van der Zijpp, predikant van de Doopsgezinde gemeente te Rotterdam, beeft in de N.R.Grt., „Trouw" en „Woord en Dienst" een artikel aan de reformator uit de doperse beweging gewijd. Hij was daarvoor wel de aangewezen man. Kort voor de Menno Simons-herdenking is hij nl. door de theol. faculteit der G. U. te Amsterdam tot doctor honoris causa bevorderd; zulks om zijn bijzondere verdiensten voor het onderzoek naar en beschrijving van het doopsgezind kerkelijk leven.
Zondag 29 januari jl. heeft de grote herdenking van Menno's leven en werk plaats gehad in de Doopsgezinde Singelkerk in Amsterdam, waarbij uit „vrijwel alle buitenlandse doopsgezinde gemeenschappen" vertegenwoordigers aanwezig waren. Er was ook een grote delegatie uit Friesland „in prachtige oud-friese klederdracht". Aldus stond het in de N.R.Crt., d.d. 30 januari 1961. De friese doopsgezinden hebben alzo wel op bijzondere wijze de nagedachtenis van hun landsman en leider willen eren.
Het slot van de herdenking is in Witmarsum geweest, waar een doopsgezind kerkje, mede gebouwd door buitenlandse jongeren, in gebruik werd gesteld. Dat besluit was zinvol. Menno heeft, nadat hij een tijdlang in Pingjum, niet ver van Witmarsum, als vicaris had gediend, als pastoor in zijn geboorteplaats gewerkt. Daar heeft hij na veel twijfel en aarzeling, de keus tot zijn „uitgang uit het Pausdom" gedaan. De aanvang van het proces zijner bekering ligt wel in zijn twijfel, die hem aangreep als vicaris, betreffende de mis; hij kon nl. niet geloven, dat brood en wijn in de eucharistie veranderden in het lichaam en bloed van Christus. Lezing van het N.T., dat hij eerst niet durfde kopen, doch zich tenslotte aanschafte, bracht hem daartoe. Het tekent wel de priesteropleiding van die tijd, dat hij nooit de bijbel had gelezen, vóór hij het N.T. kocht! Daarna kwam zijn twijfel betreffende de kinderdoop. Hij verwierp ook die allengs, omdat z.i. het N.T. die niet leerde, maar op grond van Mattheüs 28 en Markus 16, de doop wel na belijdenis des geloofs.
Menno was tot deze overtuiging gerijpt mede door contacten met de doperse beweging, die in Friesland en Groningen vele aanhangers had en fel vervolgd werd. Zijn eigen broer vond als martelaar de dood.
30 januari 1535, 5 jaar nadat hij innerlijk tot beslistheid was gekomen, trok hij weg uit Witmarsum. Dat was zijn breuk met Rome. Toen ving hij zijn zwervend leven aan, en werkte vooral in Oost-Friesland.
Hoewel leider van de doopsgezinde gemeenten was hij niet haar stichter. De dopersen waren vóór Menno's overgang reeds talrijk. Vooral zijn uit die kringen bekend mannen als Jan Beukelsz van Leiden en Jan Matthijsz, die hun antithetisch standpunt tegen overheid en samenleving, in revolutionaire wegen uitleefden, doordat zij in Munster het Nieuwe Jeruzalem stichtten in extatische verwachting van Christus' wederkomst. Tegen die geestdrijverij heeft Menno Simons zich verzet, al schijnt hij aanvankelijk — werkte hierin een zekere zwakheid van karakter? — van een dergelijk spiritualisme niet helemaal vrij geweest te zijn. Ik las dit bij anderen dan dr. v. d. Zijpp.
Zo werd Menno de leider van de rustigere stroming in de doperse beweging. Hij wilde gemeenten als de eerste christelijke. Op de wereld inwerken, gelijk Luther en Calvijn zulks predikten, was niet zijn ideaal. „Hij kende wel Rom. 13", zegt V. d. Zijpp. Hij wilde echter in teruggetrokkenheid leven, omdat hij de wederkomst van Christus zeer nabij zag. Zo Het hij dus de wereld de wereld, in een zekere „mydinghe", ordende de gemeenten, drong aan op onderlinge strenge tucht, hoewel hij die niet als zijn leerlingen, tegen wie hij in het laatst van zijn leven niet meer opkon, op rigoristische wijze wilde uitoefenen.
Tot in Rijnland toe stichtte hij zijn gemeenten. Onze dichter Vondel, in Keulen geboren, behoorde oorspronkelijk ook tot de doopsgezinden.
Menno en zijn volgelingen vertegenwoordigen een stroming in het grote geheel der anabaptistische beweging. Zij hebben mede hun aandeel in de wijd verbreide „doperse" invloedssfeer, welke voor de praktijk der godzaligheid funeste gevolgen kan hebben. Ik denk hierbij vooral aan die stroming, welke in haar „doorvloeien", een scheiding van Woord en Geest leert, waarbij de Bijbel voor de „doorgeleiden" geen waarde meer heeft, omdat zij rechtstreeks geleid worden door de Geest. Dit komt er op neer, dat men veelal in het geestelijke en gewone dagelijks leven zich laat leiden door ingevingen, die blijken uit de eigen geest en het verdorven hart te spruiten. Geen wonder, dat tussen dit standpunt en „vrijzinnigheid" maar als één schrede is. Vele „doopsgezinde gemeenschappen" — ik heb nu het oog op de buitenlandse — zijn dan ook vrijzinnig.
Zijn de doopsgezinden, hier te lande verenigd tot de „Doopsgezinde sociëteit, — ze worden vooral in het noorden des lands „Mennisten" genoemd — in het spoor van Menno Simons gebleven? Men beweert, dat het grondpatroon nog hetzelfde is.
Ik moet dit betwijfelen, gezien het feit, dat de H.S. in hun kringen meestal niet die normerende betekenis en kracht heeft als ze voor Menno had, al zijn er uitzonderingen, bijv. waar de prediking nog orthodox is. Ook ten opzichte van het politieke en sociale leven is de houding veranderd.
Hoe dan ook, Menno Simons heeft zijn betekenis gehad voor de reformatie, hier en daarbuiten. Zijn persoon is misschien te weinig kritisch en wat geïdealiseerd getekend in deze herdenking. Als, om maar iets te noemen, prof. dr. mr. Oosterbaan hem „Earth's evenknie" meent te mogen noemen (N.R.Crt., d.d. 30-l-'61), lijkt mij dat lichtelijk overtrokken, al beweer ik geenszins dat de grote man uit Bazel van „doperse smetten" rein is. Men denke o.a. aan zijn verwerping van de kinderdoop.
En wat het voor ons geldend levenspatroon aangaat, in tegenstelling met wat Menno gaf, het zij naar wat de Heere Jezus bad in Johannes 17: 15: „Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van de boze".
En hu iets over wat onder een bepaalde belichting ook als een herdenking zou kunnen gewaardeerd worden. Ik bedoel de promotie van dr. R. H. Bremmer, predikant van de Geref. Kerk (vrijgemaakt) van Enschedé-zuid, aan de V.U. te Amsterdam, op vrijdag 3 februari jl. De dissertatie, toen verdedigd, handelt over: „Herman Bavinck als dogmaticus". En omdat dr. Bremmer ook nog een biografie over prof. H. Bavinck hoopt te geven, ligt er in die promotie wel, wat iets in zich heeft van een herdenking. Prof. Bavinck is dit waard. Want hij was een grote onder ons, en zijn arbeid, — dogmatiek en vele geschriften over het geestelijk leven —. moet blijven leven onder ons, die hebben te vechten tegen heel wat verschralende invloeden op ons geestelijk leven.
Men heeft dr. Bremmer" over zijn promoveren aan de V.U. in zijn kringen enige kritiek niet gespaard. Vooral, omdat prof. Berkouwer, indertijd praeses van de Synode, die de zaak Schilder aansneed, wat tot de kerkelijke procedure leidde als promotor optrad. Dat „oud zeer" is op zichzelf begrijpelijk. Doch was het billijk daarom dr. Bremmer zijn promoveren onder Berkouwer kwalijk te nemen?
Het kerkelijk en wetenschappelijk vlak zijn eigen terreinen al raken ze elkander meermalen.
Ik moest, toen ik las van de kritiek op Bremmer's promotie, denken aan wat H. Bavinck aan bedenkingen en verdachtmaking moest incasseren uit de kringen der Afgescheiden gemeenten, omdat hij het bestond te promoveren in het vrijzinnige Leiden.
Ds. Gispen, de bekende, die wel waarlijk van „singuliere gaven" was — hij werd dominee op art. 8 D.K.O. — schreef naar aanleiding daarvan, dat hij zich zeer verblijdde over die promotie, doch dat de „doctorale roos", welke Bavinck had verworven, „geen roos zonder doornen" was. Van dr. Bremmer's promotie kan, mutatis mutandis, met de nodige wijzigingen, hetzelfde gelden.
In zijn toespraak tot dr. Bremmer zeide zijn promotor o.m.: „U moet „ergens" bijzonder door Bavinck gegrepen zijn". Daarin is wel treffend het charisma, dat Bavinck had, in het licht gesteld. Het bracht mij in herinnering wat ik onlangs las in dr. Buskes' boek „Hoera voor het leven", over de colleges van Bavinck. Buskes schrijft: „Prof. Bavinck was 'behalve een groot geleerde ook een vroom man. Als Bavinck in het smakeloze en verveloze collegezaaltje aan de Keizersgracht college gaf, kon het gebeuren dat hij zelf zo vervuld werd van de heerlijkheid Gods, dat hij ons vergat en door het raam naar buiten staarde in eindeloze verten, want Gods heerlijkheid is eindeloos, en wij zaten sprakeloos te luisteren en werden ingeleid — voor ons hele leven — in het heilgeheim van de Eeuwige en Almachtige, die in Christus onze genadige Vader is .... Ik weet ook maar één woord waarmede ik dit alles kan aanduiden: vroomheid, gereformeerde vroomheid, die ik beschouw als een zeer kostbaar goed", (blz. 33).
Het is zeer te wensen, dat dr. Bremmer's dissertatie en ook de biografie, die in uitzicht is gesteld, mogen dienen om de gereformeerde vroomheid — inderdaad „een kostbaar goed" — in heel de gereformeerde gezindte en daarbuiten te doen herleven en levende te houden. Dan zullen ook de „vrijgemaakte" geref. kerken er zegen van hebben en zich niet te beklagen hebben over de promotie van een hunner predikanten over dit onderwerp aan de V.U.
Tenslotte nog iets uit de zitting van onze Generale Synode, welke gehouden werd 6 en 7 februari jl. Ik moet uiteraard afgaan op verslagen in de dagbladen, in afwachting van meer officiële verslagen.
Als praeses is gekozen ds. P. C. v. d, Hooff uit Hilversum. Hij was reeds assessor en is alzo niet helemaal een „homo novus", een nieuweling in dit werk.
Als assessor benoemde de Synode ds, G. Spilt uit Utrecht. Waar deze behoort tot de Geref. Bond en de praeses via het Hersteld Verband bij de vereniging van deze groep met de N.H.K. tot ons over kwam, is het evenwicht van voorheen wel gecontinueerd.
Van de vorige praeses, dr. A. A. Koolhaas, is afscheid genomen met veel dank voor zijn voortreffelijke leiding. Ds. Groenewoud heeft op dat beleid in „Hervormd Weekblad", d.d. 2-l-'61 eveneens de aandacht gevestigd. Hij vond bijzonder te waarderen de door dr. Koolhaas bevorderde communicatie tussen de hogere regionen en de kerk in haar classes. En hij voegde er de wens aan toe, dat de komende praeses het beleid in die zelfde lijn zou voeren.
Verder kan ik nog memoreren de bespreking van de nota der commissie „kerk en universiteit", waarbij punt van discussie was de avondmaalsviering, onlangs voor de studentengemeenschap te Utrecht in de Janskerk gehouden. Aan deze viering — ik ontleen dit en ook het vorige aan het verslag van „Trouw", d.d. 7-2-61 — hebben belijdende leden uit verschillende kerken doch ook studenten, die tot geen kerk behoorden, deelgenomen. Naar het verslag te oordelen zat men er mede. Ds. Landsman meent, dat „een studentengemeenschap niet rijk genoeg gevarieerd is, om een gemeenschappelijke avondmaalsviering te wettigen". „Verbieden met de kerkorde in de hand leek hem onjuist. Maar moet men het bevorderen? " Wat ik verder van de discussie las, gaf mij een verwarrende indruk. Men kon er niet uitkomen.
Zo kom ik tot het allerlaatste, dat mijn dagblad mij berichtte uit deze synodezitting: Aan prof. F. Smits worden de rechten van emeritus-predikant in de Hervormde Kerk niet ontnomen! Motieven en gronden, welke leidden tot dit besluit, kan ik thans nog niet beoordelen. Alzo nog geen commentaar. Wel meen ik te mogen zeggen, dat dit besluit erger is dan indertijd de handhaving van dr. Louis Bahler door de Algemene Synode der N.H.K. in 1903. Wij hebben 1951 gehad en ordin. 13.29.5, geldt!
Ik eindig met mijn eerste reactie op dit besluit: Ikabod.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's