De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE SYNODE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE SYNODE

DE ZAAK PROF. SMITS,

12 minuten leestijd

Onder de vele op de agenda vermelde punten voor de synodevergadering van 6 en 7 februari jl. stond onder punt 11 het volgende vermeld:

„Mededelingen van het breed moderamen over de besprekingen, die werden gevoerd met prof. dr. P. Smits".

Hier hebt u dus weer de „zaak" Smits, waarover reeds zoveel is gesproken en geschreven. Om u een duidelijke voorstelling van de gang van zaken te geven eerst nog het volgende. Op een schrijven van de provinciale kerkvergadering van Zuid-Holland deelde het breed moderamen van de synode mede, dat zij, die de bevoegdheden als van een emeritus hebben, onder het opzicht vallen van de provinciale kerkvergadering (ordinantie 11.5.2.). Deze briefwisseling ontstond omdat de classis Doorn zich tot Zuid- Holland gewend had met een schrijven, waarin prof. Smits er van werd beschuldigd de fundamenten der kerk aan te tasten.

De commissie voor het opzicht van de provinciale kerkvergadering van Zuid- Holland heeft, handelende volgens het bepaalde in hoofdstuk II en III van ordinantie 11 prof. S. de rechten als van een emeritus-predikant ontnomen, hem ontzet van de functie, die hij als lid van de raad voor de zaken van kerk en theologie vervulde, met verlies van het recht om naar het ambt, een bediening of functie te staan. Ten overvloede zij hierbij opgemerkt dat prof. S. reeds door de synode niet als lid van de Raad voor kerk en theologie was herkozen.

Prof. dr. S. tekende echter beroep aan bij de commissie voor het opzicht uit de generale synode. Deze commissie heeft toen in een besluit van 8 februari 1960, het besluit van de commissie voor het opzicht van de prov. Zuid-Holland vernietigd, zichzelf onbevoegd verklaard om een uitspraak te doen over de inhoud van de betreffende publicaties van prof. dr. S. en besloot geen bijzonder middel tot handhaving van de kerkelijke tucht toe te passen.

De provinciale kerkvergadering van Zuid-Holland heeft zich daarna tot de generale synode gericht bij schrijven van 8 maart 1960, waarin zij betoogde dat de weg van ordinantie 11, hoofdstuk IV niet begaanbaar is, omdat prof. dr. S. geen dienstdoend predikant is. Mocht de weg van ordinantie 11, IV toch begaanbaar geacht worden, dan werd hierover een uitspraak van de synode verwacht. Tevens drong de P.K. van Zuid- Holland er nogmaals op aan dat het breed moderamen ordinantie 13.29.5 zou toepassen en prof. dr. S. de rechten als van een emeritus zou ontnemen, omdat het voortduren daarvan niet langer zou stroken met het belang en de waardigheid der kerk.

Het breed moderamen nu was van oordeel, dat kerkrechtelijk gezien hoofdstuk IV uit ordinantie 11 van toepassing geacht kan worden ook voor hen, die de bevoegdheden als van een emerituspredikant bezitten. Een andere vraag was echter, of het uit een oogpunt van kerkelijk beleid wenselijk was en is de toepassing van deze ordinantie te richten op iemand, die de bevoegdheden als van een emeritus-predikant heeft, temeer, omdat de betrokkene geen kerkelijke functie vervulde, b.v. als bijstand in het pastoraat. Volgens ord. 11.15.1 kan het breed moderamen van de prov. kerkvergadering wel aanleiding vinden om over uitlatingen in artikelen e.d. van een dienaar des Woords een onderzoek naar zijn prediking en leer te laten instellen door de visitatoren-provinciaal. In het geval „Smits" zou dit echter zeer moeilijk zijn in verband met de zeer weinige „ambtelijke werkzaamheden" door prof. S. verricht. Tevens werd hierbij door het breed moderamen van de synode opgemerkt, dat de toepasbaarheid in concreto van ord. 11-IV en de verantwoordelijkheid daarvoor, berust, in eerste instantie, bij de betrokken provinciale kerkvergadering.

De vraag bleef derhalve over of ordinantie 13.29.5 toegepast kon worden (het ontnemen van de rechten als van een emeritus door het breed moderamen van de synode).

Het breed moderamen oordeelde dat ord. 13.29.5 niet mocht worden toegepast onder het motief dat in de zaak Smits ord. 11, IV zo moeilijk toe te passen was. Het zou alleen mogen, wanneer de vorm, waarin de betrokkene over het belijden der kerk spreekt zó zou binken te zijn, dat alleen reeds op grond daarvan zou kunnen worden gesteld, dat het niet in overeenstemming kan worden geacht met het belang en de waardigheid der kerk, dat hij de hem destijds geschonken rechten, behoudt.

Het breed moderamen van de synode heeft de publicaties van prof. dr. Smits bezien. Het meende niet tot een beslissing te mogen komen, alvorens een gesprek met prof. S. te hebben gevoerd. De aard van deze bespreking bracht mede, dat aan prof. S. een tweetal vragen schriftelijk zouden moeten worden voorgelegd, met het verzoek deze ook schriftelijk in een publiceerbare vorm te beantwoorden. Geschreven werd o.m.: „.... en zouden dan ook gaarne van u vernemen dat u:

a. bij rustige overweging van ons gezamenlijk gesprek met ons van oordeel bent, dat u in uw artikelen, tegen de geest van gemeente-opbouw handelende, door de vorm waarin zij gegoten waren, blijk hebt gegeven van gebrek aan eerbied voor de Heilige Schrift en voor de Kerk als belijdende en gelovende gemeenschap en

b. bereid bent aan het breed modera­men de verzekering te geven, dat u voortaan niet meer in een vorm zult uiten, die strijdig is met het belang en de waardigheid der Kerk.

In het belang van spoedige terugkeer tot een atmosfeer, waarin echt, kerkelijk verantwoorde discussie wederom mogelijk is, verzoeken wij u, ten dienste van de voortgang van het beraad in het breed moderamen en in een vorm, die eventuele publicatie ervan in „Woord en Dienst" mogelijk maakt, uw antwoord vóór 20 juni a.s. aan ons te doen toekomen."

Van een en ander werd reeds in de zomer-synode van 1960 verslag uitgebracht. Deze synode besloot toen o.m. uit te spreken, dat de kerk, tegenover de smadelijke uitingen, welke de generale synode betreurt en ten stelligste afkeurt, van prof. Smits, heeft te volharden in de leer der apostelen, de gemeenschap de breking des broods en de gebeden.

Nadat, lang na de gestelde termijn, een antwoord van prof. Smits was binnengekomen, zette het breed moderamen zijn correspondentie met prof. dr. S. voort. In zijn antwoord werd slechts zeer ten dele op de gestelde vragen ingegaan.

Het breed moderamen bood toen aan een gesprek met prof. S. te voeren door een commissie van drie uit haar midden. Hierop ging prof. S. in, waarna een drietal gesprekken zijn gevoerd.

Daarna werd door het breed moderamen besloten te publiceren, dat het breed moderamen zijn besprekingen met prof. S. had afgesloten en de generale synode van zijn bevindingen en conclusies op de hoogte te stellen.

Dit laatste is dan geschied in de synode-vergadering van dinsdag 7 februari 1961. Na langdurige bespreking werd de volgende verklaring opgesteld en aanvaard, die reeds in de pers verschenen is.

„De Generale synode heeft kennis genomen van de toelichting, die het breed moderamen van de generale synode heeft gegeven ten aanzien van de overwegingen, die het hebben geleid tot zijn besluit, na een aantal met prof. dr. Smits gevoerde gesprekken, niet over te gaan tot het hem ontnemen van de bevoegdheden als van een emeritus-predikant.

De generale synode blijft in haar zorg voor het belijden der kerk verontrust over de verstoring, die prof. Smits heeft teweeggebracht door zijn publieke uitingen betreffende de verzoening en de waarde van het gebed. De generale synode acht het onjuist het gesprek met prof. Smits thans af te breken, doch draagt aan haar raad voor de zaken van kerk en theologie op om dit gesprek over de inhoud van het belijden der kerk voort te zetten en daarvan verslag uit te brengen aan de generale synode.

De generale synode verklaart nadrukkelijk te blijven bij haar getuigenis, opgesteld in haar vergadering van juni '60 en weet zich verbonden met de algemene kerk in het Evangelie van Jezus Christus, dat Hem aanwijst als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt."

Ziedaar de hele gang van zaken. Wat moeten we op dit alles zeggen?

Als lid van het breed moderamen heb ik de behandeling van de onderhavige zaak geheel meegemaakt. Ik kan niet anders dan deze afloop ten zeerste betreuren. Prof. Smits is de man die geschreven heeft, dat hij niet gelooft in het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt, dat we het vraaggebed achter de rug hebben, dat hij niet instemt met „gehoorzaamheid aan de H. Schrift". In zijn uitingen heeft hij zo duidelijk de fundamenten der kerk, het hart der zaak aangetast, dat hierover waarlijk niet breedvoerig gediscussieerd behoeft te worden. Dit kan en mag in een kerk geen dag langer getolereerd worden. Daarbij gaat het niet in de eerste plaats om de persoon van prof. Smits. We hebben ook niet voorop te stellen hoe een ontnemen van de rechten als van een emeritus door een bepaalde groepering zal worden opgevat. Het heeft in de kerk er in de eerste plaats om te gaan hoe we hier hebben te handelen naar de eis van het Woord Gods, in gehoorzaamheid aan de Koning der Kerk, Jezus Christus. Het gaat om Hem en in Hem om de verheerlijking Gods en het prijzen Zijner deugden. Zoveel in haar vermogen ligt heeft de kerk te voorkomen dat de Heere in Zijn eer en in Zijn werk, ook en juist binnen de kerk, wordt aangetast. Als één man had het breed moderamen en de hele synode moeten opstaan en moeten getuigen, dat iemand, die zich daaraan zo duidelijk en zo smadelijk vergrijpt, de aan hem gegeven rechten moeten worden ontnomen. Dit behoeft helemaal geen tegenstelling te vormen met gesprekken, ook pastorale gesprekken, die daarna met prof. Smits hadden kunnen worden gevoerd. Als prof. Smits, na ontneming van zijn rechten, daarop niet had willen ingaan, dan lag dit voor zijn eigen verantwoording.

Wat de kerkordelijke zijde van de zaak betreft is het goed het volgende op te merken. Prof. van Itterzon heeft er m.i. terecht met klem op gewezen, dat z.i. de weg van ord. 11, IV een doodlopende weg zou blijken te zijn. Hij heeft er ernstig voor gewaarschuwd deze weg op te gaan. Tenslotte zou de kerk dan weer in het slop terecht gekomen zijn. Volgens hem moest opgetreden worden volgens ord. 13.29.5.

Prof. dr. Smits toch is geen dienstdoend predikant meer. Hij bekleedt ook geen functie als b.v. bijstand in het pastoraat. Op zijn eigen verzoek heeft hij indertijd van het breed moderamen van de synode de rechten als van een emeritus ontvangen.

In de zaak, waarom het gaat, heeft het breed moderamen m.i. het volste recht om prof. S. nu deze rechten, op grond van zijn publieke uitingen, te ontnemen.

Toen deze zaak dan ook, na de behandeling door de generale commissie van de synode weer bij het breed moderamen ter tafel kwam, heb ik direct voorgesteld om prof. Smits, op grond van ord. 13.29.5 zijn rechten te ontnemen. Dit voorstel heb ik bij volgende behandelingen telkens herhaald.

Toen het breed moderamen hiertoe niet wenste over te gaan heb ik uitdrukkelijk uitgesproken, dat het breed moderamen hierin niet handelde in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, maar zelf de belangen en de waardigheid der kerk ernstig heeft geschaad.

Ik kan dit niet anders zien. Als een protest tegen de wijze, waarop het breed moderamen meende te moeten handelen, heb ik mijn lidmaatschap van dit breed moderamen van de synode neergelegd. Natuurlijk niet omdat ik mijn zin niet kon krijgen, maar omdat ik een beleid, dat zozeer in strijd geacht moet worden met de roeping van de ganse kerk en al haar organen, naar luid van Gods Woord, in de kring van het breed moderamen niet langer mee kan maken. Wat zou ik gaarne gezien hebben dat de generale synode het breed moderamen in dit beleid niet had gevolgd, maar dit beleid ten sterkste had afgekeurd. En dat de synode de verklaring, waarmee prof. Smits wilde instemmen, beslit onbevredigend zou hebben geacht.

Wat zou het nodig geweest zijn dat de synode uitgesproken had dat het breed moderamen aan prof. Smits onmiddellijk de rechten als van een emeritus-predikant te ontnemen, wanneer hij voortging zich te uiten zoals in de aanhangige zaak is geschied. En tevens om een voorstel in te dienen tot wijziging van de kerkorde, waarbij het opzicht over personen, die de rechten als van een emeritus hebben ontvangen, duidelijk wordt vastgelegd.

Ook dit heeft niet zo mogen zijn. Formalistisch heeft men zich vastgebeten in de overtuiging, dat niet de inhoud mocht meespreken bij de beoordeling door het breed moderamen van de artikelen door prof. Smits geschreven. Deze mening acht ik in dit geval niet houdbaar.

Het breed moderamen was m.i. gerechtigd hier op te treden om te weren wat het belijden der kerk weerspreekt. En al zou men zich dan alleen op de vorm hebben willen vastleggen, dan was dit nog reden te over geweest om onmiddellijk handelend op te treden. Een en ander is niet geschied.

Dit is diep te betreuren. Het strekt tot oneer van het Lam, dat zich slachten liet. Een betuiging, dat de synode zich verbonden weet met de algemene kerk in het Evangelie van Jezus Christus, dat Hem aanwijst als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt, verandert hieraan niets.

Wat hebben we aan al zulke betuigingen als nagelaten wordt te doen wat heilige roeping is?

Met verontwaardiging en droefheid, met protest en verootmoediging getuigen we tegen deze gang van zaken. We behoeven niet in spanning te zitten of Gods werk wel zal doorgaan. Hij bouwt Zijn Huis naar Zijn gemaakt bestek. Maar we hebben wel te treuren over en te getuigen tegen slapheid en ontrouw, schuld en dwaalweg, overal waar deze in de kerk gevonden wordt.

Het blikt wel duidelijk dat de doelstelling van de Geref. Bond: verbreiden en verdedigen van de Waarheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk, nog niet overbodig is geworden of haar actualiteit heeft verloren.

Daarbij hebben ook wij ons ernstig te onderzoeken in hoeverre ons leven een leven is, ook kerkelijk, naar het Woord Gods, in trouw aan de belijdenis der kerk. God de Heere ontferme zich over ons en ons kerkelijk leven, hoewel wij zwaar hebben overtreden. Hij geve getrouwmakende genade. Hij doe allen, in de weg der waarachtige bekering, juist ook degenen die in de kerk leiding te geven hebben, hun roeping verstaan en vervullen. Alleen dan zal de kerk kunnen zijn een pilaar en vastigheid der waarheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE SYNODE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's