De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

10 minuten leestijd

Vervolg over Handelingen 16 : 31.

24

Naar aanleiding van de gestelde vraag over wat Paulus en Silas de stokbewaarder antwoordden, zouden wij nog nader ingaan op de spanning tussen verkiezing en verbond, met het oog op de praktijk van het persoonlijke geestelijke leven en van het gezinsleven.

Wij dachten, dat er telkens weer in het geestelijk leven het gevaar dreigt om die spanning, welke er moet blijven en in het geloof verdisconteerd moet worden, weg te werken. De mogelijkheid is er om in het geestelijk leven de verkiezing eenzijdig te accentueren. Wij kunnen ze dan ontmoeten, echte heilbegerige zielen, die bezig zijn met de eeuwige dingen en die lopen met de grote vraag: „ben ik wel een uitverkorene, is er ook voor mij wel genade? " Doch deze vraag maakt men dan los van het feit, dat de Heere toch ook Zijn verbond heeft opgericht en Zijn beloften uit vrije genade heeft gegeven. En men wil dan eigenlijk buiten dit laatste om, zeker weten of men uitverkoren is. Men wil tot deze zekerheid komen, zonder dat men laat functioneren, op welke wijze de Heere de verkiezing verwerkelijkt kenmerken bij zichzelf gewaar worden, waaruit men zou kunnen afleiden, dat men een gekende des Heeren is. Doch, wanneer wij op de gewaarwording van die kenmerken de zekerheid van ons verkoren zijn willen bouwen, komen wij tot die zekerheid nooit. Wie deze weg op wil, zal in het onzekere blijven. Immers, het geestelijk leven vertoont bepaalde kenmerken, doch die zijn in dit leven altijd nog maar ten dele en vaak verstrengeld met andere elementen, zodat, wie daarin zijn houvast en vrijmoedigheid om zich de genade Gods toe te eigenen, zoekt, steeds weer opnieuw gekweld zal worden door de twijfel en door de vraag: „is, wat ik waarneem, wel bestaanbaar? " Hier wreekt zich het feit, dat men de van God gestelde orde omkeert: men wil zijn aandeel aan de toezeggingen en beloften Gods op de kenmerken van zijn verkiezing gronden in plaats van dat en dus ook de persoonlijke zekerheid daarvan geeft. Men wil eerst bepaalde men begint met te bedenken, dat het Code behaagd heeft met Zijn beloften tot ons te komen, krachtens het feit, dat Hij verbondsmatig met ons handelen wil én dat Hij wil, dat wij die beloften persoonlijk zouden maken, door er biddend voor onszelf op te pleiten. Men is het zich dan vaak niet eens bewust, — doch men wil dan toch nog soms in zichzelf iets zijn of hebben voor God, in plaats van dat men als één, die niets heeft in zichzelf aan waardigheid voor de Heere, alleen als een onwaardige, pleit op Zijn beloften. Alleen toch, waar een heilbegerige ziel alzo pleit op die beloften, wil de Heere die beloften vervullen en ze bevestigen voor ons bewustzijn. Dan wil Hij als het ware Christus in die beloften ons openbaren en wegschenken. En de zekerheid leggen in het hart, dat er genade is ook voor ons! In deze weg wordt de zekerheid der verkiezing ontvangen, als een zekerheid van het geloof, dat immers nooit kan bouwen en steunen op iets in onszelf, maar alleen op de beloften Gods en op Christus!

Wij willen hier niet laten rusten, dat immers ook in de Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, 12, over het verzekerd worden van onze verkiezing gesproken wordt. Het heeft er veel van, dat daar toch ook naar bepaalde kenmerken heengewezen wordt, in deze zin, dat wij uit de waarneming van die kenmerken in óns onze verkiezing zouden mogen afleiden en daarvan zéker zouden kunnen zijn.

Maar, laten wij, als wij, wat hier staat in de Dordtse Leerregels, lezen, niet vergeten, dat wij deze plaats uit onze belijdenis natuurlijk niet los mogen maken van het gehele getuigenis, dat in onze belijdenis tot ons komt. En waar wordt dan de zekerheid van onze uitverkiezing anders in gelegd, dan in de zekerheid des geloofs, dat altijd weer opnieuw de mens als een arme, onwaardige in zichzelf, pleitend doet bezig zijn voor Gods aangezicht met Zijn beloften en met wat Christus voor zondaren verworven heeft?

Echter, mogen wij het hierbij verder niet zó zeggen: voor onze vaderen was dit echte geloof zeker niet alleen maar een enkel verstandelijk voor waar aannemen, zo met de gedachte: „'t is voor mij wel in orde!" Neen, voor hen was dit echte geloof niet iets, dat verder het hele innerlijk en heel de existentie, het bestaan, van de mens niet raakte. Zij wisten wél, en verdisconteerden dat, dat dit echte geloof niet was zonder een innerlijke verandering, door de Heilige Geest gewerkt, welke verder heel ons bestaan raakte. De gesteldheid van de mens tegenover de Heere werd er, zo wisten zij, principieel door veranderd; in plaats van vijandschap en afkeer werd er kinderlijke vreze geboren, in plaats van lust tot de zonde droefheid om de zonde, in plaats van een zoeken van eigen gerechtigheid een honger naar de gerechtigheid van Christus.

En daarom, geloven wij, dat in de Dordtse Leerregels, als het gaat om het verzekerd zijn van onze verkiezing, ook bepaalde kenmerken kunnen genoemd worden. Wij durven dit zó te nemen, dat het de bedoeling van de Dordtse Leerregels is, ons ook hier naar de noodzaak van de beoefening van het waarachtig geloof te verwijzen. Dit wordt hier dan ook het eerst genoemd, 't Gaat om dat

geloof, dat altijd weer opnieuw ons als armen, onwaardigen doet pleiten op Gods beloften en op Christus' werk alleen. Maar niemand vergisse zich hier. Geloof kan soms zo'n valse leuze en uitgehold begrip worden. Wie zal waarlijk zó in het geloof bezig zijn met Gods beloften en met Christus, dan die ook de Heere kinderlijk vreest en bedroefd is over zijn zonden en hongert en dorst naar de gerechtigheid van Christus? Noemen de Dordtse Leerregels ons hier deze kenmerken niet, om ons voor een oppervlakkig en uitgehold geloofsbegrip te bewaren?

Er staat ook in de Dordtse Leerregels» dat wij deze dingen in onszelf hebben waar te nemen. Wij hebben voor onszelf de gedachte, dat dit woord waarnemen in een zekere tegenstelling staat met het voorafgaande. Van onze verkiezing worden wij nóóit verzekerd, door de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk te onderzoeken. Het oorspronkelijke, Latijnse woord, hier voor onderzoeken gebruikt, betekent eigenlijk doorsnuffelen. Van onze verkiezing worden wij wél verzekerd, wanneer wij die andere dingen, die vruchten der verkiezing, als het waarachtig geloof en die kinderlijke vreze en die droefheid om de zonde en die honger en dorst naar de gerechtigheid, in onszelf waarnemen.

Het oorspronkelijke, Latijnse woord, hier gebruikt, betekent ook iets nakomen, naleven, beoefenen. Dus dan is het iets waarnemen, niet zozeer in de zin van iets beschouwen, terwijl men er in meerdere of mindere mate afstand van neemt, doch in de zin van iets dóen, er mee bezig zijn. En dan kan men er géén afstand meer van nemen!

Wij dachten, vooral in déze zin de Dordtse Leerregels hier te moeten verstaan. Het krijgt alles iets van een pastoraal vermaan: zullen wij zeker worden van onze verkiezing, dan gaat het voor alles, niet om een beschouwen van bepaalde dingen, maar om een beoefenen van bepaalde dingen, 't Is of wij opgewekt worden, daarnaar biddend te staan! Want zó wordt de zekerheid van onze uitverkiezing gevonden.

Het moet ons hierbij bovendien niet ontgaan, dat de Dordtse Leerregels hier spreken over een verzekerd worden. Het Latijnse woord, dat hier gebruikt wordt, kunnen wij ook weergeven met „des te meer van iets zeker worden". Het gaat maar niet om een zekerheid op dit geweldige punt, als een vluchtig iets, maar als een diep geworteld en vast gefundeerd iets, dat wel aangevochten en bestreden kan worden, doch in die stormen van aanvechting en bestrijding het houdt! Welnu, wij menen, dat het de bedoeling is van de opstellers van de Dordtse Leerregels om te zeggen, dat het juist déze zekerheid is, welke wij zullen verkrijgen, naarmate wij geoefend worden én ons oefenen in die andere dingen, het waarachtig geloof, kinderlijke vreze, droefheid naar God en honger en dorst naar de gerechtigheid. Het mooie is hier, dachten wij, dat ook in het feit, dat het zó gezegd wordt, weer uitkomt, dat voor de opstellers van deze Leerregels, om zo te zeggen, de rechtvaardiging nauw verbonden lag met de heiligmaking.

Wij worden ook door déze uitspraak in de Dordtse Leerregels erbij bepaald, dat dé zekerheid van onze zaligheid ligt in de beloften Gods en in het werk van Christus, en dat het bewustzijn van die zekerheid voor ons dus ligt in het waarachtig geloof, doch dat dit bewustzijn teméér vast en bevestigd zal worden in een leven der heiligmaking, in een nauw en teer leven voor Gods aangezicht!

Rome had de mensen eigenlijk de zekerheid ontnomen. De Reformatoren en onze vaderen kenden die weer en beleden die in de bovenaangeduide zin. Dat is de kracht geweest van hun leven en werken!

Wij hadden het over die spanning tussen verkiezing en verbond. Die moet er blijven in het geestelijk leven, 't Kan natuurlijk ook, dat men niet de verkiezing, maar integendeel het verbond te éénzijdig en te geïsoleerd neemt. Dan verdwijnt voor ons bewustzijn en in de praktijk van ons leven de verkiezing naar de achtergrond in de verkeerde zin van het woord en gaat ze eigenlijk op in het verbond. Men doet dan, alsof reeds in de oprichting van het verbond met de mens en in de aanbieding van de beloften zónder meer de verkiezing tot zaligheid is gelegen. Men vergeet dan, en men verdisconteert te weinig, dat die beloften tot ons komen krachtens het feit, dat het hier geldt: „gij én uw huis", maar dat die beloften, zullen wij er persóonlijk in delen, vragen om persóonlijk geloof en bekering! Men holt die eis tot geloof en bekering uit en berooft die van haar kracht. En het geloof krijgt dan in de praktijk iets van een verstandelijke functie alleen, een aannemen, dat weinig diepgang kent, zonder dat het echt het hart raakt, wat dat nu inhoudt, dat er voor ons, zondaren, nog genade en rijke toezeggingen Gods zouden zijn. Dan wordt het niet meer verstaan en innerlijk doorleefd, dat wij ook, binnen het verbond, rechtvaardig om onze zonden en bedorvenheid het oordeel Gods waardig zijn en geen recht hebben op een enkele belofte Gods. En men worstelt niet echt meer als een arme in zichzelf om de vervulling van de beloften Gods. Het gevaar dreigt, dat men zich rijk waant, zonder dat men wéét, wat het is, arm te zijn!

Als wij het goed zien, treffen wij de eenzijdigheden en gevaren van de eerste geestesgesteldheid meer aan in de kringen van de Gereformeerde Gemeenten en ook wel onder ons; de eenzijdigheden en gevaren van de andere geestesgesteldheid in de Gereformeerde Kerken. Wij zullen er goed aan doen, er biddend naar te staan, dat wij in ons persóonlijk en kerkelijk leven tussen beide klippen door een goede koers mogen varen!

Een volgend keer nog iets anders, in verband met dit onderwerp!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's