Uit het Nieuwe Testament
Rectificatie In het vorige artikel — 24 — zijn na regel 28 2 regels uitgevallen; deze staan na regel 50, regel 53 volgt dus op regel 50.
25
Vervolg Handelingen 16 vers 31.
Nog even willen wij doorgaan op die spanning tussen verkiezing en verbond. Is deze zaak ook niet van belang in verband met ons gezinsleven en de opvoeding van onze kinderen?
Komt het niet voor, dat er ouders zijn, die, ook wat dit betreft, éénzijdig uitgaan van de verkiezing? En zij zien die dan eigenlijk als een geïsoleerd iets, los van de bedding, waardoor God Zelf de verwerkelijking ervan lopen laat, n.l. de bedding van het verbond. Zij dragen een diep besef in zich om van het feit, dat zij zelf niets kunnen aandragen tot de bekering en de zaligheid van hun kinderen, dat deze geheel Gods werk zijn en dat de Heere daarin geheel vrij is in daartoe niet verplicht. Maar er blijft bijna geen pleitgrond over; het enige, dat overblijft, is lijdelijk afwachten. En daarbij functioneert te weinig de klem, welke wij mogen laten gelden om onze kinderen op te roepen tot geloof en bekering en tot de vreze Gods, nl. deze klem, dat zij daartoe niet alleen verplicht zijn krachtens de schepping, maar veeleer, omdat zij ook betrokken zijn bij het verbond Gods en de beloften én de eisen van dat verbond ook voor hén geldigheid hebben!
Anderzijds echter komt het voor, dat er ouders zijn, die, wat de opvoeding van hun kinderen en de kijk, welke zij op hun kinderen hebben betreft, te éénzijdig de gedachte van het verbond benadrukken en dat toch eigenlijk teveel isoleren, losmaken van de verkiezing of de verkiezing in het verbond laten opgaan. Is deze geesteshouding alleen maar een denkbeeldig gevaar, of bestaat ze soms niet reëel: de kinderen zijn gedoopt, lopen in het gareel van het kerkelijk leven; het zijn dan toch eigenlijk wel kinderen Gods in de volle zin van het woord. Zij worden voor rijk gehouden, zonder dat voldoende verdisconteerd is, hoe arm zij zijn door de zonde. En ook hier geldt, dat het geloof niet veel anders meer is dan een verstandelijke functie, — een verstandelijk voor waar aannemen: God heeft dit en dat beloofd, en daar moeten wij het dan ook bij houden; doch het feit, dat dit alles óók in het leven van onze kinderen werkelijkheid wordt en gestalte aanneemt, alleen door persoonlijke bekering en droefheid om de zonde en oprecht geloof en veel strijd heen, laat men niet tot haar recht komen. Dit kweekt vaak een „geestelijk leven", zonder diepgang, doch wel met veel oppervlakkigheid en eigengerechtigheid.
Neen, ook als het gaat om de opvoeding van onze kinderen, zullen de godvrezende ouders de betekenis en de kracht van beide, van de verkiezing en van het verbond, tot hun recht moeten laten komen en in het geloof zullen zij staan in de spanning van die beide. Zij zullen er diep van overtuigd zijn, dat de Heere geen enkele genadegave aan ons en aan onze kinderen verplicht is, dat Hij in deze „vrij" is en wij en onze kinderen geen enkele van die gaven verdienen. Zij zullen er een diep besef van in zich omdragen, dat het zelfs in de verte niet iets zelfsprekends is, dat wij en onze kinderen de zaligheid deelachtig zouden worden. Dit zal hun een wonder blijven. Maar deze ouders zullen toch ook de rijkdom van het verbond en de beloften Gods niet kleineren. Telkens weer opnieuw zullen zij in hun gebedsleven voor Gods aangezicht bezig zijn met die beloften en met de eisen van geloof en bekering, ook voor hun kinderen.
Diep doordrongen zullen zij er van zijn, hoe juist het verbond ons ook als ouders roept tot grote activiteit, omdat het onze verantwoordelijkheid ten volle gelden laat. Doch zij mogen deze activiteit nooit volbrengen in een zekere krampachtigheid, immers dan geldt ook dat andere, dat de Heere Zelf het alles geven moet, maar ook in Zijn verbond veel beloofd heeft! Hun activiteit mag dan ook gedragen worden door een voortdurend vluchten in het gebed tot Zijn genadetroon én een daar zich neerleggen mét hun kinderen!
Wat krijgt dit alles nog een bijzonder karakter, wanneer godvrezende ouders moeten meemaken, dat hun kinderen, meegezogen door de zuigkracht van deze tijd of om welke redenen dan ook, af-, dwalen van de dienst en de wegen des Heeren! Wat kan het juist dan een bijzondere diepte krijgen, dat God immers niets aan ons en aan onze kinderen verplicht is, dat Hij „vrij" is en het een wonder van Zijn bijzondere genade is, wanneer wij zelf én van de onzen er tot Hem getrokken worden. Diep in de ziel kan het besef daarvan, ook als in dit opzicht het kruis van een grote teleurstelling getorst moet worden, een wondere vrede en overgegevenheid leggen! Maar anderzijds, wat behoeft daarmee niet in strijd te zijn, integendeel, — wat kan daar op een wondere wijze mee samen gaan — een voortdurend bezig zijn met de grote betekenis van het verbond. Het blijft een pleiten op Gods genadebeloften. En zolang op die pleitgrond mag neergeknield worden, is het immers niet buiten hope!
Steeds hebben wij het nog over die woorden van Paulus en Silas tot de stokbewaarder: „gij en uw huis". Naar aanleiding van de gestelde vraag over de betekenis van deze woorden, gingen wij uitvoerig in op wat de Heilige Schrift ons openbaart aangaande de werkwijze Gods in deze wereld tot toebrenging van Zijn volk, ter eer van Zijn Naam. 't Ging over de realisering van Zijn verkiezing in de tijd, — over het feit, dat de Heer e Zijn verbond bekend maakt aan de gelovigen en hun zaad en dat daarom Zijn beloften, doch ook Zijn eisen van geloof en bekering dat zaad van stonde aan gelden!
't Lijkt ons goed, om thans nog de vinger er bij te leggen; omdat ook dit altijd een belangrijke kwestie geweest is en ook nu nog is, — dat in datgene, wat wij in het voorafgaande bespraken, de motivering en het recht van de kinderdoop zijn gelegen, 't Is ons toch bekend, dat enerzijds deze doop vanouds, alle eeuwen door, in de Christelijke Kerk in gebruik is geweest, doch dat anderzijds telkens weer bezwaren tegen deze doop opdoken, en dat dat ook vandaag aan de dag het geval is.
Onze gedachte is, dat het bij de bestrijding van de kinderdoop ten diepste gaat om die belangrijke dingen, welke wij in het voorafgaande aan de orde hebben gesteld. Om de betekenis én de rijkdom van het genadeverbond, om de spanning tussen verkiezing en verbond. Of men dit alles in het geestelijk en kerkelijk leven wil laten functioneren of niet! Om de éénheid van Oud- en Nieuw Testament! En of men wel oog heeft voor de juiste verhouding tussen natuur en genade!
Wat betreft de verwerping van de kinderdoop, zijn het, afgezien van anderen in de loop der kerkgeschiedenis, vooral de Wederdopers, die daarin hun aandeel hebben geleverd. En wij kunnen met recht zeggen, dat achter hun verwerpen van de kinderdoop vooral gelegen was het feit, dat zij sterk individualistisch waren ingesteld en zeker niet het rechte zicht hadden op de levensverbanden, waarin God Zelf toch ook Zijn kinderen in dit leven heeft geplaatst. De Wederdopers maakten eigenlijk een tegenstelling tussen natuur en genade. Zij zagen immers de herschepping niet als verlossing, herstel, verheerlijking van het eenmaal geschapene, dat door de zonde niet meer aan haar doel beantwoorden kon, doch eigenlijk als iets geheel nieuws, als iets, dat God van dat eenmaal geschapene helemaal los, ja zelfs daartegenover, deed staan! Daarom maakten zij het werk van Gods genade los van de historische ontwikkeling der geslachten.
Hun gedachtengangen in deze kwamen tot uiting in hun houding tegenover het maatschappelijke en culturele leven. Die houding kon alleen maar negatief zijn, afwijzend, ontvluchtend, mijdend.
• Hierbij kwam nog, dat zij het werk van de Heilige Geest teveel losmaakten van de openbaring Gods in het Schriftgeworden Woord. Naast het getuigenis des Heiligen Geestes in de Schrift stond volgens hen het directe en daarvan vaak losgemaakte getuigenis des Heiligen Geestes in het binnenste van bijzonder bevoorrechte personen. Dit „innerlijk licht" ging toch eigenlijk nog boven de Schrift, en de profeten uit de Schrift vonden huns gelijken, zo niet hun meerderen, in de „profeten", uit de kringen der Wederdopers.
Natuurlijk betekende dat alles een doorvloeien in en vervallen tot allerlei geestdrijverij. En natuurlijk bracht dit alles ook mee, dat de Wederdopers geen recht konden doen aan de machtige betekenis van wat de Heilige Schrift bedoelt met uitspraken als „gij én uw huis", aan, wat God in die Schrift met Zijn verbond bedoelde en aan de consequenties daarvan. En waar het rechte zicht op déze dingen verduisterd of verloren gegaan is, daar kan men ook het goed recht én de rijke betekenis van de kinderdoop in het geestelijk en kerkelijk leven geen plaats meer geven!
Wij durven te zeggen, dat steeds weer én bij vroegere én bij latere bestrijders van de kinderdoop, dezelfde motieven doorklinken. Maar, over dit onderwerp, nog eenmaal, en dan zetten wij een punt achter de bespreking van de gestelde vraag!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's