De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

We leven echt in de tijd, dat landsgrenzen en zelfs de begrenzingen van continenten op allerlei punten in betekenis gaan inboeten. Dat geldt niet alleen voor de politieke en economische sector, maar we kunnen dit ook constateren op het erf der kerk. De Wereldraad, de Oecumene vraagt telkens weer onze aandacht. Vandaag de dag is dat alles in de kerk zo actueel, dat men zich soms gaat afvragen, of het kerkelijk denken en handelen er niet door beheerst dreigt te worden. Het lijkt er soms op, dat men uitgaat van de oecumene, om dan van daar uit de situatie van de landelijke kerk te ordenen. Zouden we in onze kerk nu straks ook zo iets krijgen als een „Vervangingsformule", of m.a.w. zal wereldraad en oecumene zoiets worden als een nieuw „formulier van enigheid" voor de landelijke kerk? Zal de wereldraad in staat blijken te zijn tot iets, waartoe onze 3 formulieren van enigheid blijkbaar niet meer in staat waren? Op het punt van de leertucht zijn onze belijdenisgeschriften blijkbaar machteloos. Maar zal nu de wereldraad de norm gaan worden die de kerk zal gaan hanteren als deze zal gaan weren al wat haar belijden weerspreekt? Deze vragen en gedachten kwamen op bij het lezen van een artikel in „In de Waagschaal" van 4 februari van R. Boon, onder het opschrift: „De wereldraad en de vrijzinnigheid", met als ondertitel: Naar een scheiding der geesten? Het hier gebodene is om allerlei redenen belangwekkend.

De schrijver vindt de tegenwoordige vrijzinnigen veel te ouderwets; we staan bij hen tegenover een nieuwe versie van het oude modernisme. In wezen zijn ze dit ouderwetse modemisme niet te boven gekomen, op essentiële punten zijn ze sedert 1850 geen stap gevorderd. En vraagt men nu: Hoezo dan, dan is dit het antwoord: Als men zich in de oecumenische beweging het hoofd gaat breken over de problemen van „faith and order" (dogma en ordening), dan halen de vrijzinnigen geringschattend de schouders op. Dat is hun zonde en overtreding. Dié vrijzinnigen willen wel meedoen op het vlak van „life and work" (leven en werken), maar niet in „faith and order". En dan hebben ze natuurlijk ook nog hun kritiek op de voorgestelde wijziging in de basisformule van de wereldraad van kerken. En langs dit pad worden we dan tot de conclusie geleid, dat „de modernistische vrijzinnigheid naar haar wezen en haar streven geen plaats, taak of recht in. de kerk kan worden toegekend". Er blijft zelfs, volgens de schrijver, geen mogelijkheid voor de vrijzinnigheid meer over tot „het gesprek" met de wereldreligies, want dat moet liggen in het verlengde van het werk der zending, en principieel is in de vrijzinnige visie op de zending ook nog niets veranderd.

We moeten van deze uitspraken niet al te vreemd opkijken, want u moet namelijk weten, dat in de kerken der Reformatie weer enigszins het besef ontwaakt, dat deze kerken door de oecumenische symbolen met de grote tradities der christenheid in het geloof verbonden zijn; er is hier in feite sprake van een herontdekking van de onmisbare betekenis en actuele waarde van de vroegste traditie der kerk in geloven, belijden en leven.

Blijkbaar zijn het met name de oosterse Orthodoxie en de Anglicanen in de wereldraad, die deze knuppel in het hoenderhok werpen. Die zijn degenen die de Remonstrantse broederschap ook voor de vraag stellen, of er niet iets wezenlijks schort aan haar kerk-zijn. Het inzicht van Orthodoxie en Anglicanen zou hen namelijk wel eens tot de consequentie kunnen leiden, dat het voor haar beter was voortaan af te zien van het predicaat „kerk". Wat de vrijzinnigheid nastreeft in theologie en praktijk, kan niet in overeenstemming gebracht worden met het doel der oecumenische beweging. Wat overigens de vrijzinnigheid ten scherpste moet worden verweten, zolang zij naar haar eigen mening binnen de kerk thuis behoort en recht van spreken en handelen opeist, is dat zij de oecumenische problematiek bagatelliseert en ridiculiseert.

Ook de conferentie van Lausanne heeft zich aan deze zonde en ongerechtigheid schuldig gemaakt: geringschatting van „faith and order". Daar zijn jongeren in een oprecht oecumenisch streven opgestormd tegen de traditie van de kerk, omdat hun kerken hen niet het besef omtrent „faith and order" hadden bijgebracht. Geen wonder, aldus nog steeds dr. B., dat A. de Wilde dan ook over Lausanne spreekt als over een „uitbarsting van verzet tegen het traditionalisme, dat zich in de oecumenische beweging breed maakt, en dat oosterse baarden en anglicaanse wangen, heeft doen bibberen".

Volgens schrijver zou het in Lausanne anders toegegaan zijn, als protestantse voorgangers en hun jeugdige conferentiegangers met anglicaanse en orthodoxe geestelijken en de jeugdige vertegenwoordigers van hun kerken om de oonferentietafel hadden gezeten. Dr. B. komt dan tenslotte tot de conclusie, dat de principiële vrijzinnigheid zich krachtens haar beginsel nimmer zal willen en kunnen conformeren aan de traditie der kerk. Dit voert hen buiten de wereldraad, buiten de oecumenische beweging en buiten de kerk.

Uit dit alles zal het nu wel duidelijk geworden zijn, dat we dit nummertje „leertucht" hebben te zien als een handhaving van wereldraad en oecumene als enige „formulier van enigheid". Ten overvloede zullen we het slot van het artikel woordelijk weergeven:

De uittreding van de principiële vrijzinnigheid kan tenslotte nog een ander belangrijk effect bewerken: deze uittreding als gevolg van een principieel niet-kunnen en niet-willen conformeren aan de kerk en haar traditie, zou een baken in zee moeten zijn voor die rechtzinnige protestanten, welke de principiële vrijzinnigheid soms beangstigend nabij - komen in hun bagatelliseren van primaire ecolesiologische oecumenische problemen, en die voor de tradities in de wereldkerk welke niet de hunne zijn, zich innerlijk blijven afsluiten.

Het zou kunnen zijn, dat men de waarschuwing tegen dat bagatelliseren van primaire ecclesiologische problemen, en het zich innerlijk afsluiten voor de tradities in de wereldkerk, nog wat vaag vindt. Op dat punt komen veel rechtzinnige protestanten de principiële vrijzinnigheid soms beangstigend nabij. We willen meteen proberen om er in ons persoverzicht wat meer concreets over te zeggen. Het geval wil namelijk, dat dezelfde schrijver, dr. R. Boon, in de Persschouw van „Woord en Dienst" uitvoerig en met kennelijke instemming ingaat op wat documenten en beschouwingen van het Amerikaanse blad „Christian Century". Een zekere dr. Blake, secretaris van de verenigde presbyteriaanse kerk in de V.S., heeft in een rede de episcopaalse kerk voorgesteld om samen met zijn kerk de methodistische kerk en de verenigde kerk van Christus uit te nodigen om een plan tot hereniging op te stellen en te komen tot een katholiek-hervormde kerk in de V.S. Dr. Blake gaat dan enige hoofdbeginselen opsommen waar het plan van hereniging op zou moeten rusten:

Als eerste hoofdbeginsel werd het apostolische ambt genoemd. Zonder de bisschop en de apostolische successie van het ambt zal geen basis voor hereniging kunnen worden gevonden. Ongetwijfeld is „historie episcopacy" voor de „evangelicals" een heet hangijzer, gezien de door de historische ontwikkeling gevoede argwaan jegens het episcopaat. Maar ook al zal men niet eerst tot volledige overeenstemming behoeven te geraken betreffende een theorie over de apostolische successie alvorens verdere stappen tot hereniging te doen, toch zal het noodzakelijk blijken te zijn het uitgangspunt te kiezen in een herstel van de zichtbare historische continuïteit van het ambt aan de zijde der niet episcopale denominaties. Dit houdt in, dat alle ambtsdragers in de apostolische successie zullen moeten worden geïntegreerd en dat voor de verenigde kerk het historisch episcopaat zal moeten vigeren, opdat in een volgende fase van de zichtbaarwording van de eenheid der universele kerk het apostolisch ambt van de herenigde kerk in de V.S. een zo ruim mogelijke erkenning bij andere kerkelijke gemeenschappen zal mogen ontmoeten. Want men zal nimmer uit het oog mogen verliezen, dat de hereniging van de genoemde denominaties niet meer dan een stap is in de richting van de zichtbaarwording der universele kerk in haar eenheid.

Zodoende weten we nu zo'n beetje naar welke kant we zo langzaam aan heen beginnen te drijven.

Natuurlijk is het wel waar, dat we hier te maken hebben met Amerika, waar de stukken op allerlei punten anders liggen dan hier. Maar we moeten dan ook niet over het hoofd zien, dat het hierboven geschrevene aangediend wordt als het eerste hoofdbeginsel voor de hereniging. En de algemene aanvaarding van dit eerste hoofdbeginsel in de V.S. zal dan een zo ruim mogelijke erkenning mogen ontmoeten bij andere kerkelijke gemeenschappen, als men vandaar voortgaat naar de zichtbaarwording van de imiversele kerk in haar eenheid.

De vrijzinnigheid wijst de koers van de wereldraad af; men vindt dit de weg van het archaïsme en van de reactie. Ook wij vrezen dit teruggrijpen naar de traditie, maar dan, omdat men steeds alleen maar wil teruggaan tot vóór-reformatorische tradities.

Het is in dit verband wellicht dienstig een woord door te geven van prof. H. Ridderbos, uit de rubriek „Van week tot week" in het Geref. Weekblad (uitg. Kok, Kampen). Prof. R. bespreekt daar de brochure van prof. H. van Riessen: „Kerk en Jeugd", en hij merkt dan op:

Ook ik ben (evenmin als natuurlijk prof. Van Riessen dat is) van mening, dat wij niet krampachtig voor onze „eigenheid" behoeven te vechten. Wij staan ook in een ruimere gemeenschap dan wij ons dikwijls bewust zijn geweest. Maar waarin ik hem en zijn brochure geheel en al en uit de grond van mijn hart bij val is, dat men om vruchtbaar in de gemeenschap te kunnen staan, zelf ook „iets" zijn moet. En dat, wanneer gemeenschap, koinonia of hoe men het noemen wil, betekent, dat wij zo spoedig mogelijk tot een grootste-geme(e)n(t)e-deler (corr. van U.d.p.) Christendom moeten overgaan en meesters worden in de aanpassing en het overstag gaan, wij niet alleen het verleden verloochenen, maar ook het heden een zeer slechte dienst bewijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's