De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

MENING OF BELIJDENIS

8 minuten leestijd

Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen ben? Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Mattheüs 16 : 14, 15.

Na de grote dag, waarop de mannen van Galilea Jezus met geweld koning wilden maken, is er veel veranderd in Zijn optreden onder het volk. Hij kan Zich daarna moeilijker openlijk vertonen, want er bestaat gevaar dat het volk rondom Hem gaat samenstromen om Hem tot uitvoerder te willen maken van hun politieke verlangens. En dat wil Hij niet, want Hij is geen broodkoning en geen politiek leider, maar de Messias, gekomen om te redden van zonde, vloek en dood.

De tegenstand van de leidslieden van het volk is bitter en scherp geworden. Met allerlei redeneringen proberen deze het volk van Hem afkerig te maken.

En zo heeft Jezus Zich nu afgezonderd van het volk en teruggetrokken van het arbeidsveld, waar Hij zo lang gearbeid heeft. Hij is naar het Noorden gegaan, naar Caesarea Filippi. Want Hij wil Zijn jongeren gaan voorbereiden op de dingen die komen gaan. Dat hebben zij bijzonder nodig. Zij hebben ook nog zo weinig begrepen van Zijn eigenlijke arbeid. Er is bij hen zoveel kleingeloof en misverstand aan de dag gekomen. Jezus had hen moeten wegzenden, toen. de schare Hem koning wilde maken. Op het me^: dachten zij dat Hij een spooksel was. In het land van Tyrus en Sidon wilden zij dat Hij de Kananese vrouw hielp ... om van haar af te zijn. In Dekapolis begrepen zij niet, dat Hij macht had om de schare te voeden. En toch hebben zij leren verstaan wat de schare niet begrepen heeft. Dat blijkt uit het antwoord dat zij geven op de vraag wat de mensen van Hem zeggen en wat zij zelf van Hem getuigen.

Immers het komt uit hun antwoord aan de dag, dat er veel over Jezus gesproken wordt en veel geruchten over Hem in omloop zijn. Maar al die antwoorden getuigen tevens van grote verwarring en verblinding. Men is het er wel over eens dat Jezus wat groots is. De een houdt Hem echter voor Johannes de Doper, die zou zijn opgestaan. Een ander voor de weergekeerde Elia. Een derde voor Jeremia de profeet of een ander profeet, die zou zijn opgestaan. Doch uit al die verschillende antwoorden blijkt dat het voor de schare verborgen is, dat Hij de Messias is, van God gezonden.

En ook nu nog wordt van alles over Hem gezegd. Door de verschillende mensen, theologen en niet theologen, dichters en wijsgeren.

Nog wordt door velen verkondigd, dat Hij wat groots is. Een groot mens. Een groot leraar. Hij wordt bij veel bewegingen bijgehaald, bij allerlei stromingen en strevingen. En dat alles weerspiegelt wat er omgaat in de gemoederen der mensen. Er zijn boeken vol geschreven over het sociale Jezus-beeld, over het Jezus-beeld in de wijsgerig-wetenschappelijke litteratuur en over het Jezus-beeld in de verschillende stromingen in de theologie.

Wanneer Jezus echter gevraagd heeft, wat de mensen van Hem zeggen, dan is dit maar een inleiding tot Zijn vraag aan de discipelen: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?

En in die vraag stelt Hij Zijn discipelen afzonderlijk, tegenover de menigte met haar bont gewarrel van meningen. Zij immers kunnen anders en beter weten, nadat zij Zijn Woord gehoord hebben en Zijn daden gezien en met Hem verkeerd hebben.

Het antwoord van Petrus is een warme, overtuigde belijdenis: „Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God".

Deze belijdenis geeft weer wat aller inzicht is en vrucht van hun verkeer met Hem. Daarin wil Petrus zeggen: De mensen kunnen denken, dat Gij maar een voorloper zijt van de Messias, maar wij weten beter. Gij zijt de Messias Zelf. De mensen kunnen denken, dat Gij maar een mens zijt, doch wij weten beter: Gij zijt van God gekomen, van de levende God, als Gods Zoon.

Zoveel licht is hun opgegaan en zover is hun inzicht gekomen, dat de discipelen, nu zij gedrongen worden hun gedachten over te vormen, iets geheel anders zeggen dan de menigte met haar meningen.

Neen, het is niet de eerste maal dat Petrus Jezus belijdt. Toen hij door Andreas naar Jezus geleid werd, had hij ingezien dat Jezus de Christus was. Ook later had hij meermalen Jezus beleden en zichzelf gezien als een onwaardige tegenover Jezus als de Zoon van God. In de synagoge van Kapernaüm had hij dat nog uitgesproken.

Hier echter is zijn belijdenis nog inniger en dieper en voller: „Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God". Deze belijdenis is het hoogtepunt in het Evangelie. Dat Jezus de Messias is, heeft achter ieder woord gelegen en is de zin geweest van al Zijn daden. Dat wordt nu door de discipelen beleden en deze belijdenis wordt door Hem aanvaard. En in deze belijdenis zijn zij met hun hart en leven aan Hem verbonden en om die belijdenis kunnen zij van Hem niet weggaan. Dat is het onderscheid met de schare. Want de schare met allerlei meningen zoekt aardse zegen en politieke vrijheid en rijkdom en welvaart. Zij zoekt Jezus wel als broodkoning, maar niet als Messias van God gegeven, om zich door Hem te laten leiden en zaligen. De schare ziet niet dat de tekenen van Jezus niet opgaan in genezingen en vulling van hongerige magen, doch dat zij openbaringen zijn van Gods heerlijkheid en boodschappers van de verlossing die Hij brengt. Het eigenlijke van Zijn Woord wordt niet verstaan en de betekenis van Zijn daden niet begrepen. Daarom gelooft de schare niet in Hem en wordt Hij verworpen als Messias in Zijn persoon en Woord en werk. Men wil een koning naar eigen gedachten en idealen, naar de begeerten van het hart, maar men wil zich niet door Hem laten gezeggen.

Jezus echter prijst zalig degenen die Hem als Messias kennen en erkennen. Hij ziet in zulk een belijdenis het werk van Zijn Vader in het hart der jongeren. Het is geen vrucht van menselijk inzicht en menselijk overleg, doch een licht door God Zelf in hun hart ontstoken. En de belijdenis van Jezus als Messias is de taal des geloofs.

O neen, de discipelen verstaan nog niet alles. Ook Petrus niet. De weg van de Messias is hem nog zo vreemd. Hij heeft nog geen oog voor de noodzaak van Jezus' lijden en sterven. Daarom spreekt Jezus direct na de belijdenis van Petrus over Zijn gaan naar Jeruzalem en Zijn lijden en sterven. En wat zal Petrus en wat zullen de jongeren moeite hebben, om dat onderwijs te verstaan. Ook hier hebben zij licht van boven nodig. De discipelen zullen moeten leren dat wij als leerling achter Jezus als de Messias-Koning aan wil komen, zichzelf zal moeten verloochenen en zijn kruis op zich nemen. Dat zo iemand niet zal moeten vragen naar eigen aandrift, maar hebben te luisteren naar de eis van de Messias. Dat zo iemand een streep zal moeten laten trekken door eigen leven, eigen mening, eigen neiging, om zich in het volgen te laten onderwijzen, regeren en leiden door Hem. Dat het belijden en volgen van Jezus inhoudt: het verliezen van eigen leven, het verloochenen van zichzelf, in de overgave aan Hem, Die als Herder: Koning voorgaat en het leven verwerft en schenkt.

Jezus weet dat ook de harten van de jongeren nog zo vol zijn van aardse idealen en Joodse verwachtingen. Dat zij nog zo veel te leren hebben. Intussen weet Hij ook, dat zij begeren bij Hem te blijven, omdat zij Hem hebben leren erkennen als de Christus Gods, omdat zij in Hem hebben leren geloven en Hem liefhebben. Daarom zal Hij hen achter Zich aan trekken op de weg die leidt door lijden tot heerlijkheid. Als het Lam Gods, dat de zonde der wereld draagt.

Maar in zijn belijdenis is Petrus geworden van een leerling een belijder en in het volgen van Hem een mens die Hem leert aanbidden. Een man die zich soms tegen Jezus wil verzetten en Hem van Zijn lijdensweg wil afhouden. En ondanks dat alles: een discipel die door Hem gegrepen en vastgehouden wordt op de weg die volgt.

Wat is de vrucht van het Evangelie in uw leven? Waar staat gij, als uw oordeel over Hem gevraagd wordt: Aan de zijde van de discipelen en van de Kerk van Christus, die Hem met het hart als Messias, als Gezalfde Gods, als Redder en Zaligmaker belijdt en die daarin aan Hem verbonden is door Gods genade ... of aan de zijde van degenen die Hem als Messias verwerpen?

Wee degenen die Hem verwerpen en blijven verwerpen! Die naar Zijn Woord niet willen horen en Zijn offer versmaden en onder Zijn genadeheerschappij niet willen buigen.

O verwerp Hem toch niet. Die in het Woord tot u spreekt: Ik ben het. Ik ben de van God gezonden Zaligmaker.

Welgelukzalig degenen die Hem belijden en in die belijdenis aan Hem verbonden worden, door Zijn Woord en Geest. Zij weten dat daarin de zaligheid ligt. Zij leren Hem volgen op Zijn lijdensweg en zich laten gezeggen door Zijn Woord, dat er van getuigt dat de Messias sterven moet aan het kruis der schande en opstaan uit de doden om leven en heil te bereiden.

Zij leren belijden: Ik heb Uw stem gehoord en Gij hebt mij tot God gebracht. Gij hebt mij naar Uw kruis geleid en doen rusten in Uw offer. Gij leert mij leven uit Uw volbrachte werk. Gij zijt de Christus, in Wie al mijn heil is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's