UIT HET NIEUWE TESTAMENT
Vervolg: Handelingen 16 : 31.
26
De vorige maal wezen wij er op, hoe het er altijd weer om gaat, dat wij recht zouden doen aan die verbanden, welke God Zelf in dit leven gelegd heeft. Dat Hij de gelovigen neemt met hun huis en dat daarom de beloften, doch ook de eisen des verbonds dat huis van stonde aan gelden.
Hier ligt immers hét motief voor de kinderdoop. Ook de kinderen zijn, zegt de Heidelbergse Catechismus, in het verbond Gods begrepen, — zij liggen onder dezelfde toezeggingen én onder dezelfde verantwoordelijkheid als de volwassenen.
Vooral de Reformatoren hebben, staande in de kerkelijke praktijk van hun dagen, het goed recht van deze doop tegenover de bestrijders daarvan, de wederdopers, in déze zin gehandhaafd. Wél mogen wij hier niet vergeten, dat de Doop dus een sacrament is. En het sacrament dient ter versterking van het geloof. Daarom, zal het haar zegenrijke uitwerking hebben, dan vraagt het om geloof. Wat het sacrament betekent en verzegelt, verkrijgt degene, die het sacrament ontvangt, alléén, als hij geen vreemde is aan het leven des geloofs. Dit neemt echter niet weg, dat het sacrament als zodanig niet hangt aan het geloof van degene, die het ontvangt, maar aan wat het betekent en verzegelt, en dat zijn de beloften Gods, de beloofde weldaden, het Woord Gods. Hoeveel nadruk ook gelegd mag worden op de noodzakelijkheid van het waarachtig geloof, ook bij de sacramenten, wij zullen altijd goed voor ogen moeten houden, dat deze niet in een soort afhankelijkheidspositie staan van het geloof. Anders dreigt er het gevaar, dat het sacrament voor ons besef geen teken en zegel van de beloften Gods meer is, maar van de echtheid van het geloof! En dan worden niet meer de beloften Gods, welke natuurlijk ook wel gestalte willen krijgen in het leven van de mens, verzegeld, doch het gelovig en bekeerd zijn van die mens! De echtheid van ons geloof wordt dan eigenlijk de rechte grond voor het sacrament. En dat is toch beslist onjuist.
Wij zouden hier kunnen vragen, of deze dingen bewust of onbewust niet heenspelen door de schroom, welke velen onder ons aan de dag leggen ten opzichte van het andere sacrament, het Avondmaal. Maar dit is een onderwerp apart, wat misschien nog wel eens aan de orde komt, als wij ter zijner tijd het tweede gedeelte van 1 Corinthe 11 gaan bespreken!
Intussen, het sacrament hangt aan het Woord, aan de beloften Gods. Daarom echter kan het, ook al vraagt het om waarachtig geloof, reeds meegegeven worden, als betekenende en verzegelende die beloften Gods, terwijl degene, die het ontvangt, op dat moment de werkzaamheid des geloofs nog mist. Indien tenminste aan deze, volgens de openbaring en wil Gods in Zijn Woord, die beloften Gods toekomen! En hier geldt het dus de kinderen der gelovigen, ja, het zaad der gelovigen. Hun komt de beloften toe, dan ook het teken en zegel van die beloften.
Natuurlijk kunnen wij hier, terwijl wij zo nadenken over deze dingen, weer denken aan het Avondmaal. En wellicht zou iemand kunnen vragen: „hoe ligt dit dan bij het Avondmaal? " Doch aan de viering van en de toegang tot het Avondmaal zitten nog andere aspecten en die moeten wij hier laten rusten.
Echter, wat het sacrament van de Doop betreft, ligt het toch zo: het gaat hier om het betekenen en verzegelen van de beloften Gods. En het ligt in de aard van de Doop, hier vooral te denken aan de beloften van de reiniging der zonden, van de vernieuwing des harten, van de aanneming tot kind Gods, én van de inlijving in de gemeenschap van 't lichaam van Christus. Dit zijn weldaden, welke meer een éénmalig karakter dragen en van beslissende en blijvende betekenis zijn. En weer, deze weldaden zegt de Heere in Zijn souvereine genade de gelovigen en hun huis, ja, hun zaad, toe. En daarom mogen ook kleine kinderen reeds gedoopt. Wat nooit mag betekenen, dat zij persoonlijk in hun leven aan die toegezegde weldaden deel zouden hebben, zónder waarachtige bekering en geloof. Maar wat wél inhoudt, dat zij het daarom, als zaad, dat God erbij rekent, van jongsaf aan goed zouden weten, wat de Heere hen heeft beloofd en wat Hij van hen eist: dat waarachtig geloof, die bekering! En, wordt dat „van nature" bij hen nooit gevonden, zij zullen goed weten, dat de Heere hen ook de Heilige Geest, Die het geloof werkt, heeft toegezegd, opdat zij geen enkele verontschuldiging voor hun onbekeerlijkheid en ongeloof zouden overhouden, doch teméér de Heere om die Heilige Geest zouden smeken!
Wij mogen zeker niet, wanneer wij opkomen voor het goed recht van de kinderdoop, ook maar enigszins de noodzakelijkheid van het geloof, zal het sacrament haar zegenrijke werking hebben, onder de tafel duwen. Maar is hei onjuist, hier te zeggen, dat het bij de kinderdoop dus gaat om de ouders én om de kinderen? De doop, aan hun kinderen bediend, is van betekenis, zeker ook voor de ouders. Zal ze haar zegenrijke werking hebben ook voor hen, dan vraagt ze om gelóóf bij hen. En zij zijn volwassen, zich de dingen bewust, 't Is voor henzelf én voor de Kerk een dringende vraag: hóe komt gij tot de doop van uw kinderen? En die doop wil van betekenis zijn voor die kinderen. Vraagt om geloof, ook bij hen. Zij zijn nóg niet volwassen, zich de dingen niet bewust. Maar het moet toch, als het goed is, tot dat geloof komen ia hun leven. De Heidelbergse Catechismus brengt in antwoord 74 tot uiting, hoe zij deze noodzakelijkheid handhaaft: „de H. Geest, Die het gelóóf werkt, wordt hen niet minder dan de volwassenen toegezegd". Intussen grondt ook zij het récht van de kinderdoop op het feit, dat de kinderen, het zaad der gelovigen, zowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn.
Op deze grond heeft de christelijke Kerk en hebben ook vooral de Reformatoren het goed recht van de kinderdoop gemotiveerd. Daarbij hebben zij mede gewezen op het feit, dat in het Oude Testament de besnijdenis, welke toch ook een sacrament was, hangende aan dezelfde beloften Gods, eveneens aan kleine kinderen werd voltrokken. Wij denken hier nog aan een uitspraak van Calvijn: „diensvolgens moet men in de kinderdoop voor het tegenwoordige geen andere werking zoeken, dan dat ze het verbond, hetwelk de Heere met ze gemaakt heeft, bevestige en versterke". Geen andere werking! Maar voor wie Schriftuurlijk denkt en de verbanden ziet, ligt daar al veel in! En zo vervolgt Calvijn: „De verdere betekenis van dat sacrament zal naderhand volgen op die tijd, die God Zelf voorzien heeft".
Even raken wij hier nog aan het punt, dat het Nieuwe Testament toch vooral de volwassendoop blijkt te kennen. Doch, — dit ligt immers in de aard van de omstandigheden. In de tijd, waarvan het Nieuwe Testament spreekt, werd de Kerk vooral vergaderd uit de heidenen, Heidenen werden onderwezen in het Evangelie, kwamen tot geloof en bekering, legden belijdenis af en ontvingen dan de doop. Echter, — en dit is hier weer het punt, — zij stonden dan in de gemeente, mét hun huis. En als zodanig werden zij daarin opgenomen. Reeds wezen wij er op, hoe wij in het Nieuwe Testament lezen, dat zij gedoopt werden met hun huis. Zo toch was het bij Lydia, zó bij de stokbewaarder.
Vaak wordt hierbij opgemerkt, dat op die plaatsen toch geen sprake is van kinderen. Bovendien, wat de geschiedenis van de stokbewaarder betreft, wijst men op het feit, dat verder op in deze geschiedenis staat, dat deze man met heel zijn huis aan God gelovig geworden was. Maar, wat dit aangaat, vragen wij, wat is hier de betekenis van dat woord gelovig? Houdt dat in: hoofd voor hoofd? En waren zij het dan allen reeds vóór die toediening van de doop of werden zij het, onder indruk daarvan? In elk geval: het is waar, dat de uitdrukking „huis" nog niet behoeft te betekenen „kinderen". Maar dat is hier ook niet het doorslaggevende, 't Doorslaggevende is hier weer, dat de gelovige van stonde aan met zijn huis genomen werd. Hoe de werkwijze Gods zich ook hier, bij de vorming van de Nieuw Testamentische gemeente openbaarde, hoe Hij ook daarbij Zijn verkiezing realiseerde door de bedding van het verbond heen en Hij
Zijn beloften én eisen de gelovigen en hun zaad liet gelden! Daar lag als vanzelf in opgesloten de gezinsdoop, én de kinderdoop. Zo goed als zeker werd die in de christelijke gemeente al spoedig bekend, als iets, dat vanzelfsprekend volgde uit het geheel van de openbaring Gods. Dat het Nieuwe Testament er over zwijgt, kan in dit geval wel eens meer een argument vóór, dan tégen zijn! Stellig was de kinderdoop al vroeg algemeen gebruik. De oudste kerkvaders spreken er als zodanig reeds over. En ongeveer in 200 na Christus komt ze voor in allerlei delen van de Kerk; en een kerkorde uit die tijd regelt reeds de kerkelijke praktijk op dit punt!
Wij dachten, dat het goed was, op dit alles nog eens de nadruk te leggen. Vandaag aan de dag kennen wij ook weer bewegingen, die de kinderdoop verwerpen en geporteerd zijn voor de volwassendoop. Daartegenover willen wij vasthouden aan het goed recht van de kinderdoop. Wij weten, dat ze in ons kerkelijk leven vaak een heet hangijzer is. Welke kerkeraad kent niet de moeilijkheden van de dooppraktijk? Enerzijds moet men recht doen aan de wijdheid van het verbond Gods en aan het feit dat de genade diep wil ingaan in de natuurlijke levensverbanden en dat God Zijn beloften geeft aan de gelovigen en hun zaad, tot in verre geslachten. Het valt niet mee voor een mens om hier grenzen te trekken! Doch anderzijds moet men toch ook recht doen aan de verantwoordelijkheid van de mens binnen het verbond, dat ook de ouders geroepen zijn hun kinderen die verantwoordelijkheid bewust te maken. En hoe zullen die ouders dat kunnen, wanneer zij in hun leven blijk geven van het tegendeel van belangstelling en liefde voor het Woord en de dienst des Heeren?
Maar de moeilijkheid van de dooppraktijk mag ons niet doen twijfelen aan iet goed recht van de kinderdoop. Want daarbij gaat het er om, dat wij het zicht niet zouden verliezen op het eigen karakter van de werkwijze Gods tot zaligheid van Zijn volk in deze wereld, op de verbanden, welke Hij Zelf in dit leven gesteld heeft én op de wijdheid en „het imperialistische" van de genade Gods, dat deze zo ten volle de eerste is in ons leven en in het leven van onze kinderen en. ons en onze kinderen van stonde aan geheel opeist!
Achter de afwijzing van de kinderdoop ligt vaak, dat men het zicht op deze dingen verloren heeft. Wij ontkennen niet, dat in het opkomen voor de volwassendoop ook te waarderen motieven meespelen, maar wij blijven ons afvragen, of degenen, die zo sterk alléén voor de volwassendoop zijn, de dingen van het Koninkrijk Gods niet té individualistisch zien en zo de mens, ook de gelovige teveel op zichzelf nemen en losmaken van de verbanden, waarin hij van Godswege staat. Wij zeiden reeds, dat het sacrament wel vraagt om geloof, doch daar niet aan hangt. Het hangt aan het Woord. Is er, als men zo geporteerd is voor de volwassendoop, niet het gevaar, dat men toch het sacrament teveel aan het geloof gaat hangen en het, in plaats van tot teken en zegel van de beloften Gods, tot teken en zegel van de echtheid van het geloof gaat maken? Hoe belangrijk geloof en bekering ook zijn, men wake er voor, dat geloof en die bekering een accent te geven, dat ze niet hebben mogen!
Wij vragen ons wel af: in hoeverre hebben wij ook in het feit, dat er vandaag aan de dag weer bewegingen zijn, waarin men uitermate geporteerd is voor de volwassendoop, te maken met een onbetaalde rekening, aan de Kerk gepresenteerd? In hoeverre wreekt zich lier misschien het feit, dat ook in de Kerk, ook onder ons, én in de prediking én in de zielszorg niet genoeg „uit de doeken gedaan is" de verhouding tussen het persoonlijk geestelijk leven en de verbanden, waarin de gelovige geplaatst is en de verhouding tussen verkiezing en verbond, én tussen natuur en genade? Laten wij ons door allerlei niet van de wijs laten brengen, maar wel laten aansporen tot biddend onderzoek van de wegen des Heeren, hoe die zijn gelegen!
Tenslotte hier nog één opmerking: wij lezen in Handelingen 16 vers 33, dat de stokbewaarder met zijn huis ook terstond is gedoopt. Moeten wij veronderstellen, dat deze doop daar in de nacht door onderdompeling in een nabijzijnde rivier of in een bad, heeft plaatsgevonden? Ligt het niet meer voor de hand, hier aan overgieting of besprenging te denken? In bepaalde bewegingen kan men alleen een doop door onderdompeling als geldig erkennen. Nu moeten wij erkennen dat onderdompeling in deze eigenlijk een schóón zinnebeeld is. De zaak, welke wordt afgebeeld, is immers de belofte van de algehéle reiniging der zonde, verworven door Christus, Die daarvoor stierf en opstond. En tevens gaat het hier om de noodzaak van het waarachtig geloof, dat is een sterven met Christus en opstaan met Christus. Daarom is ongetwijfeld de onderdompeling, welke iets heeft van een begraven worden en weer opstaan, van deze betekende zaak een schoon teken! Doch juist, omdat het om de zaak en niet zozeer om het teken gaat, is het niet iets verwerpelijks, wanneer om praktische redenen het teken in een beperkte en begrensde vorm wordt voltrokken. Stellig is het waar, dat het Nieuwe Testament de doop vooral kent als onderdompeling, maar er zijn aanwijzingen, dat ook toen de doop reeds door overgieting en besprenging geschiedde. In de geschiedenis van de stokbewaarder kunnen wij één van die aanwijzingen hebben!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's