MEDITATIE
IK ELLENDIG MENS
En naar buiten gaande weende hij bitterlijk Mattheüs 26: 75
Hoogmoed komt voor de val. Zelfoverschatting leidt tot diepe teleurstelling. Dat zien wij aan Petrus. Toen het gevaar er nog niet was en Petrus er nog over kon praten, stond het voor hem vast, dat hij de Heere nooit zou verloochenen, maar toen het gevaar er was en de grootspraak op de proef gesteld werd, toen was er niet de minste weerstand bij Petrus en eer dat hij kon nadenken, was hij al bezig zichzelf er met leugens uit te redden en toen leugens alleen niet meer hielpen, heeft hij Gods naam zelfs ijdel gebruikt, door met zelfvervloeking te zweren, dat hij Jezus beslist niet kende.
Is dit Gods kind, die zover komt? Neen, dit is niet Gods kind zo zonder meer. Dit is Gods kind als hij op zichzelf vertrouwt. Aan zwakken schenkt God genade, maar sterken worden beschaamd.
Jezus had niet alleen Petrus uitdrukkelijk gewaarschuwd in verband met de over hem komende verzoeking, maar had ook allen in het algemeen, ja alle gelovigen voor alle eeuwen gewaarschuwd, kort na de viering van het Avondmaal in de gelijkenis van de wijnstok en de ranken: „Zonder Mij kimt gij niets doen" (Johannes 15 : 5).
Zonder Mij kunt gij niets doen. Dit woord moeten wij zijn volle inhoud geven. Dit geldt ook reeds het natuurlijke leven. Zonder God als Schepper kunnen wij niets doen. Er is geen leven en geen levensbeweging in ons, of het is door de kracht, die God verleend heeft. Wij kunnen geen oog dichtknijpen, als God ons niet het leven in al zijn wonderlijke schakeringen gegeven had.
Zonder Mij kunt gij niets doen. Dat geldt ook Gods voorzienigheid, waardoor Hij alle dingen onderhoudt. Zonder God kunnen wij morgen, zelfs over enkele minuten niets doen, als Hij ons leven niet onderhoudt. Daarom moeten wij leren in diepe afhankelijkheid van God te leven en steeds te bedenken: „Zo de Heere wil en wij leven mogen, zullen wij dit of dat doen".
Maar Jezus bedoelt het in dit verband nog veel dieper. Daarom zegt Hij het in verband met de gelijkenis van de wijnstok en de ranken. „Gelijk de rank geen vrucht kan dragen, zo zij niet in de wijnstok blijft, alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft". Een rank kan geen vrucht dragen, als wij hem zetten in de aarde. Ook niet als wij hem zetten in een fles met water. Hij kan alleen vruchten dragen, hij heeft alleen kracht om bloesem te dragen en de bloesem heeft alleen kracht om vrucht te zetten en de vrucht heeft alleen kracht om te rijpen, als hij in de wijnstok blijft. Verdiept u even in dit beeld en u zult het als het ware voor ogen zien.
Zo zegt Jezus, zijn ook de gelovigen — geldt dit dus ook u? — geheel en al afhankelijk van de Heere, niet van Zijn Scheppersmacht alleen, ook niet van Zijn Voorzienigheidstrouw alleen, maar van de levensgemeenschap des Geestes afhankelijk. Gij kimt niets, zo gij niet door het geloof in gemeenschap met Mij staat.
Al onze kerkelijke plichten of „vruchten", al onze zedelijke hoedanigheden of „vruchten" zijn dus geen levende vruchten, als wij niet staan in geloofsgemeenschap met Christus. Wie dit bedenkt, moet toch wel beseffen, hoe arm wij zijn zonder de levendmakende kracht van Christus; hoe dor en vormelijk onze werken zijn, als zij niet voortspruiten uit een levend geloof.
Petrus heeft dat dus ook gehoord in de opperzaal. Dat hele gesprek over de wijnstok en de ranken en de afhankelijkheid van de wijnstok Christus. Met zijn verstand zal hij dat wel toegestemd hebben, maar wat verstond hij er weinig van. Eigenlijk niets. Daarom sloeg hij de waarschuwing des Heeren in de wind; daarom bad hij niet: „Leidt mij niet in de verzoeking, maar verlos mij van de Boze" en daarom viel hij. Juist omdat God hem leidde.
Juist omdat God hem leidde? Ja, juist omdat God Petrus niet losliet, maar hem aan Zijn leiband hield. Duizenden leven in eigen kracht, duizenden hebben hun geloof dagelijks ter eigen beschikking en daarom gaan zij uitwendig gezegend voort. God laat ze nog gaan en zegent hen niet in de leerschool der kastijding, maar God leidt Zijn kinderen in de wegen, die zij nodig hebben. Leidt hen ook in de pijnlijke wegen, waar wij met onszelf omkomen. Waar onze eigen kracht het begeeft, opdat het zal worden: „Die roemt, roeme in de Heere". Of: „Het is Isrels God, Die krachten geeft...".
Als Petrus de waarschuwing des Heeren verstaan had en ter harte genomen, met andere woorden als hij gedurende die ene nacht van de opperzaal, door Gethsemané, tot aan de zaal van de hogepriester „gewandeld had met vrees de tijd zijner inwoning" (1 Petrus 1:17), dan was hij niet gevallen, maar bewaard en staande gebleven. Dan had hij in dit uur der verzoeking ervaren „als ik zwak ben, dan ben ik machtig", door Hem, die mij krachten geeft; dan was Petrus als een kind geleid; maar nu valt de reus, want 's mensen krachten zijn ijdelheid.
Dit is een vernederende weg. Dit wordt ook niet in één dag geleerd, maar het is een weg naar het Woord en het is een heilzame weg. Want zo komt er plaats en steeds meer plaats voor genade alleen.
Genade maakt kleine mensen, zegt men wel eens. Het is eigenlijk veel dieper. Genade maakt onwaardige, doemwaardige mensenkinderen; mensen die leren verstaan: wat ik ben, dat ben ik door genade alleen.
Tot predikanten wordt zo vaak gezegd, als zij ergens preken, dat men hoopt, dat de dominee maar zal preken een „arm zondaar en een rijke Christus". Jarenlang heb ik daar genoegen mede genomen, maar nu zeg ik: het is naar beide kanten veel dieper. Die armoede van de zondaar is doemwaardigheid; die rijkdom van Christus is: algenoegzaamheid. Wilt u dus de volheid van het Evangelie samenvatten, dan moet u spreken van een „doemwaardig zondaar en een algenoegzame Christus" en allen, die het verstaan, zullen dit met vreugde toestemmen. Ja zo is het. Ik doemwaardig en Christus algenoegzaam!
Sommige mensen geloven, dat Jezus gekomen is voor heilbegerige, voor zoekende zondaren. Zie dat zoeken moet er toch maar zijn en ik ontken het niet, maar weet, dat u dat zoeken ook kwijt raakt. Anderen geloven, dat Jezus gekomen is voor bekeerde zondaren. Dat wij bekeerd moeten worden is stellig waar, maar wat blijft er van uw bekeerd zijn over voor 't aangezicht Gods? Christus is gekomen voor verloren zondaren en in de weg des geloofs — niet voor het geloof, maar door het geloof. Let daar wel op! — leren wij steeds meer de diepte van onze ellende: wij zijn verloren, ellendige, doemwaardige mensenkinderen. Namelijk in onszelf. In Christus aangenomen, geliefd en bewaard.
Wat bleef er van Petrus over, toen hij daar buiten bitterlijk stond te wenen? Had hij toen enig houvast aan zijn roeping, aan zijn bekering? Petrus stond er als zondaar, die zich alleen maar het oordeel waardig wist. Geen grond, geen oorzaak, in hemzelf; alleen maar grond om hem voor eeuwig te verstoten.
Wat hield hem staande? In het verborgen de trouw van Hem, die beloofd had: „Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude". De vrucht van die voorbede, de bijstand van die Middelaar droeg hem, zodat hij niet wanhoopte gelijk Judas; die bedauwde hem, zodat hij zich niet verhardde als Kaïn, maar zich als een schuldige mocht uitwenen voor de Heere. Wat hield hem bewust staande, dat wil zeggen: waaraan vond Petrus bewust steun aan Zijn Heiland? Aan Zijn Woord. Dat Woord was even toonbaar geworden ook in de blik, waarmede Jezus hem op het laatste ogenblik aankeek: een blik vol droef verwijt, maar zonder verdoemenis. Een blik, die door hem heensneed, maar hem ook vasthield. Hij verstoot geen zondaar, die met zijn schuld — ook niet met zijn dagelijkse; ook niet met zijn hernieuwde schuld — tot Hem komt. Zijn doorboorde handen troosten en helpen.
Waarom is de kennis van onze doemwaardigheid zo heilzaam? Omdat God dan de volle Christus kwijt kan. Omdat wij Hem dan gaan erkennen, nodig krijgen, gaan gebruiken in Zijn volheid. Zijn algenoegzaamheid. Eigenlijk gaat het in de gehele weg des geloofs om één ding, namelijk om recht en grondig te gaan kennen één naam, de naam JEZUS, Zaligmaker. Die naam moeten wij leren spellen; die naam moeten wij leren proeven; die naam moet ons vervullen en vertroosten: Jezus, Zaligmaker van zondaren. Algenoegzame Zaligmaker. Nevens Hem behoeven wij niets op de aarde en voor de hemel. Want Hij is ons van God geschonken tot wijsheid en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing. Het leven gewinnen houdt toch in: het leven verliezen om Christus' wil!
Daarom getuigt het geloof: „Wanneer ik zal roemen zal ik roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone". Die enige naam kan nooit genoeg geprezen worden.
(Capelle aan de IJssel)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's