KRONIEK
Kerkelijke situatietekening — Wat nu? — Het wetsontwerp voor kerkbouwsubsidie — Ds. P. Zandt van zijn post afgelost.
Kort geleden zag een boekje het licht, dat men kan zien als een situatietekening van kerkelijk Nederland. Het heeft als titel: „Kaart van kerkelijk Nederland", De schrijver is de emeritus-predikant der Gereformeerde Kerken, dr. C. N. Impeta, en het verscheen als „pocket" bij Kok in Kampen. Het zal te zijner tijd in ons orgaan onder „Boekbespreking" wel gerecenseerd worden. Er is echter een bijzondere reden, dat ik in deze rubriek er de aandacht op vestig.
Zie, wij weten allen, dat er in ons goede vaderland heel wat kerken en kerkjes zijn, om nu maar te zwijgen van de secten, die ook vele en velerlei zijn. Wij aanvaarden dat alles als een feit, en maken er ons niet druk over. Het schijnt nu eenmaal bij onze volksaard te horen. De splijtzwam tiert immers nergens weliger dan op geestelijk erf.
Het wordt echter anders als we geconfronteerd worden met de werkelijkheid in dezen. Dat doet dit boekje. Hier ziet ge zwart op wit vóór u hoeveel kerken en kerkjes er heden in ons land, officieel bekend bij de overheid, bestaan. Misschien is hier nog niet alles „in kaart" gebracht. Welke kaart is in alle opzichten „bij"? Doch wat ons hier getekend wordt — ik ga geen getallen noemen — is om te schrikken. En ze sieren zich alle met de naam „christelijk" of „gereformeerd."
Paulus roept de Korinthiërs toe: „Is Christus gedeeld? " Men signaleert de splitsingen, waarop de Apostel het oog heeft, als „richtingen", doch ik meen nog altijd, dat we hier te doen hebben met groeperingen, welke zich aftekenden uit voorliefde voor een bepaalde apostel. Iets dergelijks heeft wel meegewerkt tot de huidige situatie. Paulus zou hiervoor evenmin een goed woord hebben als voor wat in Korinthe zich aftekende. Evenwel, het is thans heel veel erger, het begint te gelijken op verwording, indien ze het niet reeds is.
Ik denk in dit verband aan het woord van Calvijn in zijn Institutie, dat „de kerk katholiek of algemeen wordt genoemd, omdat men geen twee of drie kerken kan vinden, zonder dat Christus verscheurd wordt, wat onmogelijk is".
Ik las dit citaat in Berkouwer: „Het licht der wereld" (blz. 141) en nam het over gelijk hij het gaf. Als wij dit woord van de grote reformator, die zo gegrepen was door de verscheurdheid der kerk in zijn dagen en worstelde om haar eenheid, omdat hij de verscheurdheid een van de ernstigste misstanden van zijn tijd vond, leggen naast wat „De kaart van kerkelijk Nederland" ons te zien geeft, dan mag wel verontrusting ons aangrijpen. Wij hebben er niet in te berusten. Wij hebben als Calvijn te worstelen dat de Waarheid Gods, waaruit de eenheid der kerk moet opkomen, ons vrijmake van het ons neerleggen bij de versplintering en verscheuring, welke met name op gereformeerd erf zo verwoestend werkt. Wij hebben te bidden „in de richting" van Christus' gebed om de eenheid der Zijnen, om het zich scharen van „de ene kudde" rondom „de ene Herder".
Lezing van het boekje van dr. Impeta zij onder ons daartoe tot heilzame schrik en een gezegend middel.
De droevige afloop van de procedure- Smits heeft in de kerkelijke pers heel wat reacties opgeroepen. Men heeft in het nr. van „De Waarheidsvriend" van 9 maart jl. daarover in de rubriek „Uit de Pers" kunnen lezen. Ik ga hier geen meerdere uitspraken aandragen. Dat heeft geen zin. Slechts op een enkele passage uit een artikel van prof. Herman Ridderbos — het werd in ons blad van 2 maart en 9 maart jl. reeds ter kennis onzer lezers gebracht — wil ik nu de aandacht vestigen. Bedoelde passage luidt aldus: „Neen de eigenlijke kwestie is deze, dat in een procedure van twee jaar het hoogste college van de grootste protestantse kerk in Nederland hierin" — bedoeld is „of een kerk kan toelaten, dat in haar autoriteit en op de door haar gestichte kansels het evangelie zowel betuigd als weersproken kan worden" — „geen verandering vermag aan te brengen zonder iets te ontketenen, dat de hele kerk in rep en roer zou brengen. Omdat alles nu eenmaal met alles verbonden is". (Geref. Weekblad uitgave J. H. Kok, d.d. 24-2-'61).
Ik wil gaarne aannemen, dat prof. R. de situatie, waarin wij ons bevinden, juist heeft gezien en scherp in het licht gesteld. Buitenstaanders hebben door hun objectieve instelling vaak scherper kijk dan ingeborenen des huizes. Hoewel, ieder die enigszins onze kerkelijke situatie kent, heeft wel beseft, dat het breed moderamen er in deze kwestie moeilijk tussen zat en bij zijn beslissing wel met „alles, dat nu eenmaal met alles verbonden is", rekening zal hebben gehouden.
Zo is „de hele kerk niet in rep en roer gekomen". Ik vermoed, dat prof. R. bij deze woorden het oog heeft gehad op de vrijzinnige groepering in de kerk en degenen, die verder op deze leertuchtprocedure niet gesteld bleken. Zo is ons dus nog „rep en roer" gespaard. Nu ja, er zijn wel pittige reacties. Men zou kunnen zeggen: „de honden blaffen", doch... „de karavaan gaat door", zij het een „verontruste" karavaan. Want, we hebben het kunnen lezen, „de Synode is verontrust".
Ik moet bij dit alles nog weer denken aan de zaak-Bahler. Toen leefden we onder de kerkorde van 1816. Een parallel is niet in alles te trekken. Dr. Bahler was om zijn brochure, waarin hij het Boeddhisme boven het Christendom stelde door het Provinciaal kerkbestuur van Friesland afgezet, doch de Algemene Synode handhaafde hem in 1905 (abusievelijk stelde ik onlangs dit in 1903).
Toen kwam er „rep en roer" in de kerk. Er ging uit het rechtse kamp een storm van verontwaardiging op. Men kan het lezen in het „Gedenkboek", dat de Geref. Bond ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum uitgaf.
De oprichting van de Geref. Bond hield met die synodale uitspraak betreffende dr. Bahler nauw verband. Blijft het nu van de zijde van de belijders bij protesten?
De Confessionele Vereniging is over de afloop van de zaak-Smits niet te spreken. Dat bewijzen wel de laatst verschenen nrs. van „Hervormd Weekblad". De „Bond" is eveneens diep gegriefd. Het artikel „Incompetent" heeft dit wel bewezen. Zal het bij deze reacties blijven? Behoefte aan „rep en roer" heb ik niet. Maar ik zou mij verheugen als allen, die in de verzoening door het bloed des Lams hun leven leerden kennen om de ere van Christus de handen ineen sloegen, wijl ze niet in deze smaad, die op de kerk kwam te rusten, kunnen berusten. Of zijn er reeds plannen in bespreking?
Ik heb de zaak breed gesteld, omdat ze niet uitsluitend de Bond raakt, maar allen, die de reformatorische Waarheid liefhebben. Wie wel overwogen en na rustige bezinning op de doelstelling initiatiefnemers zouden zijn, zullen 't odium van rustverstoorders wel op zich laden. Misschien zal men zeggen, wat ook van onze Bond in synodale kringen wel geuit is: „lastige kinderen", en men voegde er soms aan toe: „ze trekken toch altijd weer op vader aan", daarmee doelend op. het feit, dat men met de kerk niet wilde breken. Neen, daarom is het niet begonnen. En men heeft van onze zijde zulks wel uitgelaten, omdat men immer nog hoopte, dat de kerk haar karakter zou tonen, naar het woord van wijlen prof. W. J. Aalders: „Een kerk zonder tucht is een kerk zonder karakter".
Wij behoeven de kerkelijke strijd niet te zoeken. Maar hij kan ons worden opgedrongen. Zo was het in 1905, toen mede met het oog op de afloop van de procedure-Bahler een brochure verscheen met de titel: „Wat nu? " Zij was van iemand, die zich noemde: Amo nesciri, ik wens onbekend te zijn. (Zie Gedenkboek 25-jarig jubileum G. B. blz. 97vv.). Die vraag kan gelden, dacht ik, ook in de situatie van nu. Reacties en desnoods protesten zijn uitnemend. Maar als het daarbij bHjft, zal van zekere zijde gezegd worden: „ze slikken het wel" en „rep en roer" blijft uit omdat „nu eenmaal alles met alles verbonden is".
De regering heeft een wetsontwerp ingediend om de subsidie-kerkbouw te regelen. Men wil deze zaak centraal houden. Tot nu toe waren er verschillende gemeenten, die besluiten in dezen hadden aangenomen en met goedkeuring van Gedeputeerde Staten een bepaalde subsidie voor nieuw te bouwen kerken gaven. Dat zal, indien het voorgestelde wet wordt, niet meer mogen; En de regeling zal, meen ik, voor 10 jaren gelden. Hieruit blijkt wel, dat vooral met het oog op de snelle uitbouw van verschillende plaatsen, dit wetsvoorstel is ingediend. Of het rapport-Sassen, waarvan deze eventuele wet een uitwerking is — de richtlijnen daarin aangegeven zijn niet alle in het ontwerp verwerkt — het alzo ook bedoelde weet ik niet. Het wetsontwerp wil ook de subsidie geven aan te bouwen „bezinningscentra". Deze, uitgaande van het „Humanistisch Verbond", zullen dus gelijk op met de kerken, subsidie krijgen. Het „Humanistisch Verbond" heeft onlangs zijn 15-jarig bestaan herdacht. Er is bij dit 3e lustrum door de voorzitter, dr. Van Praag, geklaagd, dat te weinig met dit Verbond werd gerekend. De overheid bleef i.i. verre in gebreke te doen, wat recht en billijk was. Er waren echter tekenen, dat er iets in dezen aan het veranderen was, meende hij. Hij noemde er enkele. Nu, over de wet subsidie-kerkbouw kan hij, zo ze in het Staatsblad komt gelijk ze is voorgesteld, tevreden zijn.
Of wij tevreden kunnen zijn? Het lijkt mij dat de kerk in het betreffende wetsvoorstel, gelijk geschakeld wordt met een vereniging en haar erepositie kwijt raakt. Dat is, dacht ik, geen winst. Zo wordt de kerk neergetrokken op het niveau van een culturele instelling. En dat is een degradatie. Het beginsel van het reformatorisch belijden, belichaamd in Art. 36 N.G.B, blijkt hoe langer hoe meer zijn gelding te verliezen. Is het alleen te wijten aan de voortschrijdende saecularisatie? Of mede aan de slapheid en de lauwheid daaronder van hen, die begeren te gaan in de sporen der reformatie, de gereformeerde belijders? Dan snijdt de degradatie der kerk in het wetsontwerp in ons eigen vlees.
Zaterdagavond 4 maart jl. meldde de nieuwsdienst van de radio het overlijden van ds. P. Zandt. In mijn dagblad las ik later, dat hij om 5 uur in de namiddag was gestorven.
In Stedum (Gr.) werd hij de 6e maart 1880 geboren en had dus bijna de leeftijd van 81 jaar bereikt.
In ds. Zandt is een man heengegaan, die in ons nationale leven van bijzondere betekenis is geweest. Niet zozeer doordat hij in ons kerkelijk leven een uitgesproken leidende positie had. Hij heeft in dat leven, en met name in herv.-geref. kring invloed uitgeoefend. Hij werd tot de „Bondsgroep" gerekend, maar ik betwijfel of hij aangesloten was. Wel meen ik hem een enkele keer op een jaarvergadering te hebben gezien, maar dan is het lang geleden geweest.
Zijn invloed in ons volksleven heeft hij gehad door zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer der Staten Generaal. In 1925 deed hij als lid der S.G.P. en als medestander van ds. Kersten zijn intrede in de Kamer. Hij was daarin geruime tijd een van de senioren en reeds enige tijd de nestor. Ik noemde hiervóór art. 36 der N.G.B. Voor ds. Zandt was dat geen „vergeten hoofdstuk". Rusteloos en onverdroten heeft hij opgeroepen tot een staatkundig leven, waarin het beginsel en de richtlijnen in dat artikel aangegeven, tot doorvoering zouden komen. Dat heeft altijd mijn sympathie gehad, al heb ik hem in zijn politiek nooit kunnen volgen. Naar ik meen is de belijdenis, wijl een stuk voor het leven der kerk, niet opgesteld, met name art. 36 niet, om te dienen als politiek program. In de republiek heeft daarvoor wel art. 13 van de Unie van Utrecht gegolden. In onze dagen zou een program van beginselen nodig zijn naar de beginselen van art. 36. Ds. Zandt zag dat anders. Wellicht heeft het ontbreken van zulk een program medegewerkt tot een vermenging van kerk en politiek, ook wel in onze gemeenten, wat de gezondheid en goede functionering van het kerkelijk leven nu juist niet bevorderde.
Wat hiervan zij, ds. Zandt heeft, levend uit de bronnen der H. Schrift, zijn 35jarig Kamerlidmaatschap zo mogen vervullen, dat zijn getuigenis respect afdwong, gelijk dinsdag 7 maart jl. in de Kamer is getuigd, mede ook doordat hij in zijn beginselstrijd personen en zaken wist te scheiden. Ik heb hem eens horen noemen „het geweten der Kamer". Een element van waarheid ligt daarin wel. En het verklaart ook het waarschuwend element in zijn spreken, met name de oproep tot bekering. Wat dit betreft was er iets in zijn woorden, dat deed denken aan de profeten van Israël. In dat alles voelde hij nationaal. De nood van het volk woog hem zwaar. Als een geharnast strijder stond hij te midden der volksvertegenwoordiging. Hij was in haar een der mannen van betekenis. Hij stierf „in 't harnas".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's